Vrijspraak faillissementsfraude, maar veroordeling voor oplichting van een verzekeringsmaatschappij

Rechtbank Noord-Holland 11 juni 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:5310

Verdachte, bedrijfsleidster bij het podoinstituut, heeft zich tezamen met haar medeverdachte - directeur en medevennoot van het podoinstituut - in een periode van 2,5 jaar schuldig gemaakt aan het medeplegen van een zeer grote fraude van zorggeld, bestaande uit het medeplegen van valsheid in geschrift en oplichting. Jarenlang heeft verdachte, namens het podoinstituut, tezamen met de medeverdachte, honderden valse declaratieformulieren ingediend bij zorgverzekeraar Univé. Veelvuldig en op grote schaal werden consulten en steunzolen, buiten weten van verzekerden om, gedeclareerd, consulten die niet hebben plaatsgevonden en steunzolen die niet zijn geleverd. De declaratieformulieren zijn daarmee niet alleen valselijk opgemaakt, maar ook valselijk gebruikt. Verzekeraars, als Univé, moeten in het economisch verkeer kunnen vertrouwen op de echtheid en juistheid van de door zorgverleners ingediende declaraties.

Verdachte en haar medeverdachte hebben door hun handelen dat vertrouwen ernstig beschaamd. Verdachte heeft door indiening van de valselijk opgemaakt declaraties bij Univé gedurende een lange periode op structurele en listige wijze zorgverzekeraar Univé misleid, opgelicht en bewogen tot het doen van betalingen aan het podoinstituut van de medeverdachte. Met haar handelen, waarbij haar eigen financieel belang blijkbaar de boventoon voerde en waarbij het benadelingsbedrag enorm hoog opgelopen is, heeft verdachte op grote schaal teveel gedeclareerd, geld dat bestemd was voor het bekostigen van zorg en heeft zij misbruik gemaakt van een fraudegevoelig systeem, waarbij bedrijven als het podoinstituut juist het vertrouwen genieten om op een juiste wijze gebruik te maken van het systeem. Verdachte heeft voorts de opbrengsten van de oplichting, van ongeveer tweehonderdduizend euro, witgewassen. De opbrengsten die zijn aangewend ten behoeve van een auto en voor de verbouwing van de woning van de verdachte. Witwassen is een ernstig strafbaar feit. Door haar handelen heeft verdachte eraan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst wordt verschaft. Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten vergemakkelijkt, bevorderd en in stand gehouden. Daarnaast vormt het witwassen van criminele gelden een bedreiging van de legale economie en een aantasting van de integriteit en de transparantie van het financiële en economische verkeer.

Achtergrond

Verdachte zal in dit vonnis hoofdzakelijk verdachte worden genoemd, haar medeverdachte zal hoofdzakelijk medeverdachte worden genoemd. Beiden waren - in de voor de verdenkingen relevante perioden - werkzaam bij de onderneming die werd gedreven door bedrijf medeverdachte en de vennootschap onder firma bedrijf medeverdachte. De rechtbank zal, gelet op de verwevenheid tussen beide vennootschappen, deze hierna in gezamenlijkheid aanduiden als het podoinstituut. Medeverdachte was directeur/aandeelhouder en medevennoot en verdachte was bedrijfsleidster van het podoinstituut. Het podoinstituut hield zich onder meer bezig met het aanmeten, vervaardigen en verkopen van podotherapeutische steunzolen. Klanten die een zorgverzekering bij NV Univé Zorg (hierna: Univé) hadden afgesloten, kregen deze zorg meestal vergoed. Voor die klanten declareerde het podoinstituut rechtstreeks aan de Coöperatie Uvit UA (hierna: Uvit), van welke organisatie Univé onderdeel uitmaakt. Het leeuwendeel van deze bij Univé ingediende declaraties betrof podotherapeutische zolen en podo consulten.
De verdenkingen tegen medeverdachte en verdachte zien - kort gezegd - op het valselijk opmaken en indienen van zorgdeclaraties als gevolg waarvan Univé voor een aanzienlijk bedrag zou zijn opgelicht. Verder wordt medeverdachte en verdachte verweten geldbedragen te hebben witgewassen en zich - met betrekking tot het in 2012 gefailleerde podoinstituut - schuldig te hebben gemaakt aan faillissementsfraude.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder feit 4 ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van de onder feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 primair ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Samengevat heeft zij aangevoerd dat het onderzoek verricht door voornamelijk Univé onvoldoende betrouwbaar is om vast te kunnen stellen dat de in de tenlastelegging bedoelde declaratieformulieren, in de gehele tenlastegelegde periode, valselijk zijn opgemaakt en gebruikt. Hetgeen haar medeverdachte over haar verklaart, is eveneens onbetrouwbaar. Verdachte had binnen het podoinstituut wel administratieve taken maar geen eindverantwoordelijkheid en geen overzicht op dat gebied. Voor zover op door verdachte getekende en ingediende declaratieformulieren onjuistheden voorkomen, is dat onopzettelijk gebeurd. Waar haar handtekening staat op declaratieformulieren waarin zorg voor niet bestaande klanten wordt gedeclareerd, is deze nagemaakt of zijn er achteraf pagina’s toegevoegd aan de door verdachte opgestelde lijsten. Verdachte was zich toentertijd in het geheel niet bewust van zaken die niet klopten, zodat evenmin sprake is van voorwaardelijk opzet op de haar verweten gedragingen.

Vrijspraak feit 4 primair en subsidiair

Onder feit 4 is verdachte kortgezegd ten laste gelegd dat verdachte in de periode van november 2009 tot en met juni 2011 bedragen heeft onttrokken aan de boedel van de vennootschap onder firma bedrijf medeverdachte en/of bedrijf medeverdachte, met het opzet om de rechten van schuldeisers in een toekomstig faillissement tekort te doen. De rechtbank is, met de officier van justitie en met de raadsvrouw van verdachte, van oordeel dat verdachte hiervan vrijgesproken moet worden, nu het vereiste opzet, om de rechten van de schuldeisers in een toekomstig faillissement te kort te doen (= benadeling van de schuldeisers), op die momenten dat betalingen zijn gedaan en/of onttrekkingen aan de boedel hebben plaatsgevonden ontbreekt.

Redengevende feiten en omstandigheden feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 primair

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 primair ten laste gelegde feiten op grond van de in de bijlage bij dit vonnis aangehechte bewijsmiddelen (zakelijk weergegeven) en de daarin vervatte redengevende feiten en omstandigheden. De door de rechtbank in deze rubriek als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door een persoon die daartoe bevoegd is en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het schriftelijke bescheiden betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 primair

Grootschalige fraude

De verdediging stelt zich - onder meer - op het standpunt dat op grond van het onderzoek verricht door Univé en de politie niet kan worden vastgesteld dat de in de tenlastelegging bedoelde declaratieformulieren vals of onjuist zijn. De door Univé aangeleverde onderzoeksresultaten zijn niet betrouwbaar. Uit een eigen, door het podoinstituut zelf onder 239 van haar klanten uitgevoerde enquête blijkt dat Univé veel fouten maakt in de verwerking van haar onderzoeksresultaten. Bij vergelijking van de uitkomsten met betrekking tot 18 via beide enquêtes bevraagde verzekerden blijkt reeds in het merendeel van de gevallen dat de door Univé getrokken conclusie, dat de declaratie onjuist is, niet klopt.

Ten aanzien van dit laatste verweer stelt de rechtbank vast dat de conclusies van de verdediging in de door haar gepresenteerde gevallen veelal juist lijken. In zoverre zijn de bevindingen van Univé dus onjuist. De rechtbank neemt echter, anders dan de verdediging meent, niet aan dat deze bevindingen representatief zijn en dat de gevonden onjuistheden op dezelfde schaal voorkomen in de uitkomsten van het gehele door Univé uitgevoerde onderzoek. Het door het podoinstituut uitgevoerde - eerst ter terechtzitting ter inzage aangeboden - onderzoek beperkt zich immers tot haar eigen klanten, terwijl het onderzoek naar de declaraties uitgevoerd door Univé, de politie en door medeverdachte en verdachte zelf, uitwees dat een groot deel van deze declaraties zag op verzekerden die juist geen klant van het podoinstituut waren. In zoverre faalt het verweer.

Voorts overweegt de rechtbank ten aanzien van het onderzoek naar de rechtmatigheid van de declaratieformulieren als volgt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het podoinstituut in de tenlastegelegde periode via door haar per post verzonden declaratieformulieren voor 6.824 (voornamelijk Univé) verzekerden zorg heeft gedeclareerd en dat Univé deze bedragen vervolgens aan haar heeft betaald.
Naar aanleiding van twijfel over de rechtmatigheid van deze declaraties heeft Univé in drie enquêtes 1.529 van deze verzekerden bevraagd. 942 personen hebben daarop geantwoord dat de declaratie(s) niet juist was/waren.

Zowel de eerste als de tweede enquête (onder 64 respectievelijk 465 personen) wees uit dat 63% van de bevraagden antwoordde niet bij het podoinstituut te zijn geweest dan wel het podoinstituut niet te kennen (in de uitkomsten van de derde enquête is deze groep niet specifiek vermeld.)

Dit past eveneens bij het door de politie uitgevoerde onderzoek naar de resultaten van de door Univé uitgevoerde enquêtes. Zij heeft van de bevraagde groep van 1.529 verzekerden 21 personen gehoord. Hieruit bleek dat voor 14 van deze personen en/of hun gezinsleden zorg was gedeclareerd terwijl zij niet bij het podoinstituut waren geweest, dit is 66%.

De conclusies van Univé en de politie wijken niet veel af van de eigen constatering van medeverdachte en verdachte op dit punt. Zij concludeerden na onderzoek van de door Univé aangeleverde -in de tenlastegelegde periode ingediende- declaratieformulieren, dat slechts ongeveer 50 tot 53% van de betreffende verzekerden klant was van het podoinstituut. Anders dan bij het onderzoek door Univé en de politie het geval is, baseren medeverdachte en verdachte hun conclusie op het onderzoek van alle door Univé aangeleverde - in de tenlastegelegde periode ingediende - declaratieformulieren.

Tussenconclusie

Op grond van het voorgaande gaat de rechtbank er van uit dat ongeveer de helft van de verzekerden voor wie het podoinstituut in de relevante periode zorg heeft gedeclareerd, geen klant was van het podoinstituut.

Onverklaarbare winsten

Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat vanaf 2009 het podoinstituut aanzienlijke bedragen van Univé ontvangt die niet uit de bedrijfsadministratie kunnen worden verklaard. In het jaar 2009 en 2010 nam de omzet van het podoinstituut fors toe terwijl de kostprijs (van de omzet) daarvan vrijwel gelijk bleef. In de jaren tot en met 2008 is het eigen vermogen oplopend negatief. In 2009 wordt het eigen vermogen omgebogen naar een positief saldo op grond van een winst van ongeveer €400.000. Een verklaring hiervoor blijkt niet uit de jaarrekening. Over 2010 is er €341.838 meer van Univé ontvangen dan er uit de omzetverantwoording van het podoinstituut bleek. In 2011 (tot aan september) was dit een bedrag van ongeveer €840.000. Reeds over het jaar 2009 hebben getuigen verklaard dat er declaraties op hun naam hebben plaatsgevonden voor steunzolen die niet zijn geleverd en consulten die niet hebben plaatsgevonden.

Conclusie

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat in de tenlastegelegde periode namens het podoinstituut op grote schaal bij Univé zorg is gedeclareerd terwijl de betreffende verzekerden die zorg niet hebben genoten. Anders dan de verdediging heeft betoogd, acht de rechtbank dus bewezen dat dit reeds op 1 januari 2009 een aanvang heeft genomen. De rechtbank gaat ervan uit dat de van Univé ontvangen bedragen die niet uit de omzetverantwoording verklaard konden worden, voor - in elk geval een aanzienlijk deel - de betalingen op deze onjuiste declaraties betreffen. Voor een andere verklaring zijn geen relevante aanwijzingen gevonden. Gezien de schaal waarop dit plaatsvond kan het niet anders dan dat het om opzettelijk valselijk opgemaakte en ingediende declaratieformulieren ging. Aldus is Univé bewogen tot de afgifte van deze bedragen en daarmee voor een in totaal zeer aanzienlijk bedrag opgelicht.

Medeplegen

De rechtbank gaat ervan uit dat in beginsel alleen medeverdachte en/of verdachte verantwoordelijk kunnen/kan zijn voor de gepleegde fraude. Uit de verklaringen van de medewerkers van het podoinstituut volgt dat geen ander dan medeverdachte en/of verdachte zich bezig hielden met het declareren bij Univé. Dit volgt ook uit de verklaringen van henzelf. Voor beiden gold dat zij, anders dan de overige medewerkers van het podoinstituut, beschikten over een computer waarop het programma Vecozo was geïnstalleerd. Dit - met een wachtwoord beveiligde - systeem bood hen op eenvoudige wijze toegang tot verzekeringsgegevens van personen, ook van hen die geen klant van het podoinstituut waren. Dit bood hen de gelegenheid tot het plegen van fraude.

Zowel medeverdachte als verdachte hebben ontkend van de fraude te hebben geweten. Bij de vraag - in het vooronderzoek en ter terechtzitting - wie de fraude heeft gepleegd, wijzen zij naar elkaar.

Medeverdachte

De activiteiten van het podoinstituut werden uitgevoerd vanuit een besloten vennootschap (bv) en vanuit een vennootschap onder firma (vof). Medeverdachte was directeur/grootaandeelhouder van de bv en medevennoot van de vof. In die hoedanigheden was zij formeel verantwoordelijk voor het beleid van en de gang van zaken binnen het podoinstituut. Blijkens deze verklaringen had medeverdachte eveneens de feitelijke zeggenschap in de onderneming, ook in de perioden van haar ziekte. Medeverdachte had toegang tot de bankrekening van het podoinstituut en de rechtbank gaat er, in weerwil van haar ontkenning, dan ook vanuit dat zij wist van de aanzienlijke bedragen die Univé daarop betaalde. Mede uit de volgende omstandigheden leidt de rechtbank af dat medeverdachte actief bij de fraude was betrokken:

  • Getuige 1 ontving op initiatief van medeverdachte, van haar een factuur van het podoinstituut waarop zij meer zorg had vermeld dan hij had genoten, met het doel dat hij hiermee ook de niet door verzekering gedekte kosten zou kunnen declareren. In het gesprek dat medeverdachte op 11 juli 2012 voerde met de curator, mr. Dunselman en Univé verklaarde zij dat als voor klanten al de maximumvergoeding was bereikt, zij wel eens op de verzekering van de partner declareerde. Bij deze voorvallen heeft medeverdachte getoond / toegegeven dat zij in voorkomende gevallen fraude pleegt.

  • Getuige 2 verklaart dat zij in het podoinstituut een A-4tje heeft aangetroffen waarop in het handschrift van medeverdachte een lijst met namen, adressen en verzekeringspakketten van Univé waren geschreven. Bij controle van een vijftal namen bleek het te gaan om personen die geen klant waren. Hieruit en uit hetgeen Getuige 2 verder verklaart, leidt de rechtbank af dat medeverdachte, al dan niet met hulp van haar echtgenoot, achter de computer bezig is geweest met het verzamelen en/of invoeren van verzekerings- en persoonsgegevens. Uit de - niet gelijkluidende - verklaringen die hierover zijn afgelegd door medeverdachte, man medeverdachte en Getuige 2, leidt de rechtbank af dat medeverdachte toen bezig was met of ten behoeve van het valselijk opmaken van declaraties voor Univé.

Op 1 augustus 2011, toen het podoinstituut was gesloten en verdachte wel en medeverdachte niet met vakantie was, zijn in het boekhoudsysteem van het podoinstituut 755 paar therapiezolen ter waarde van €60.400 en 3.018 consulten ter waarde van €120.720 geboekt. Het kan redelijkerwijs niet anders dan dat medeverdachte dit heeft gedaan teneinde - naar de rechtbank aanneemt - de van Univé ontvangen bedragen in de boekhouding te kunnen verantwoorden.

Van de door het podoinstituut ontvangen bedragen heeft medeverdachte, gelet op haar positie, direct en het meest geprofiteerd.

Uit dit alles leidt de rechtbank af dat medeverdachte actief betrokken was bij de gepleegde fraude.

Verdachte

Verdachte was de bedrijfsleider van het podoinstituut. Volgens de medewerkers van het podoinstituut voerde zij het beleid van medeverdachte uit. Zij voorzag de boekhouder van de door hen benodigde gegevens, fungeerde als hun contactpersoon en had toegang tot de bankrekening van het podoinstituut. Voornamelijk verdachte hield zich bezig met de declaraties voor Univé. Zij vulde de daartoe benodigde gegevens in een - telkens overschreven - Excel bestand, maakte de declaratieformulieren op, printte en tekende deze en maakte de formulieren tenslotte gereed voor verzending per post.

Volgens verdachte wist zij desondanks niet van de fraude met de declaratieformulieren. Volgens haar kunnen er niet 280 niet getekende declaratieformulieren zijn, weet zij zeker dat medeverdachte deze formulieren ook heeft getekend en is haar handtekening makkelijk te vervalsen.

De rechtbank stelt vast dat Univé beschikte over 460 declaratieformulieren van het podoinstituut waarvan er geen één door medeverdachte, 173 door verdachte en 280 niet waren ondertekend. Getuige 3 heeft ter terechtzitting verklaard dat Univé ook niet getekende formulieren accepteerde. Verder blijkt uit het declaratiebestand dat soms lange periodes zijn verstreken zonder dat een getekend declaratieformulier werd ingediend. Zo betreft de eerste getekende declaratie in 2009 pas de periode van 23 juni tot en met 2 juli 2009 (nr 40). Vervolgens zijn alle declaraties tussen 15 januari 2010 (nr 101) en 26 juli 2010 (nr 200) ongetekend, dit is een periode van ruim 6 maanden. Gelet hierop en op de functie en taken van verdachte binnen het podoinstituut kan het redelijkerwijs niet anders dan dat zij op de hoogte was van de feitelijk ingediende, valse ook ongetekende declaraties.

Aan hetgeen verdachte heeft aangevoerd over de eventuele valsheid van haar handtekening op declaratieformulieren gaat de rechtbank voorbij, nu zij hierover te weinig concreet en specifiek is geweest en ook overigens aanwijzingen in die richting ontbreken.

Dat verdachte - minst genomen - wist dat binnen het podoinstituut opzettelijk onjuist werd gedeclareerd, blijkt voorts uit de verklaring van Getuige 4. Zij verklaart dat zij verdachte heeft aangesproken over het in haar ogen frauduleuze factureergedrag binnen het podoinstituut; bijvoorbeeld het factureren van lichaamsontharing als gezichtsontharing omdat dat laatste wel verzekerd was. Verdachte zei in eerste instantie tegen Getuige 4 dat ze haar daar naar betaalde.

Verder is gebleken dat de namen van 77 personen die - in de tweede enquête van Univé- hebben verklaard dat zij geen zolen hebben aangeschaft, voorkomen op de - door verdachte getekende - voorbladen van de bij Univé ingediende declaratieformulieren. Dit is onder meer het geval bij declaratienummers 265 en 272. Uit de betreffende, kennelijk door verdachte opgemaakte declaratieregels blijkt evident dat deze onjuist zijn; het gaat hierbij om een consult en zolen voor een verzekerde van vijf maanden oud, respectievelijk voor een verzekerde op de dag van zijn geboorte. Desondanks heeft verdachte deze declaratieformulieren getekend waarna deze bij Univé zijn ingediend.

Ten slotte heeft verdachte (zoals uit de bewijsmiddelen bij feit 3 volgt) - zonder duidelijke reden - €50.812,01 van het podoinstituut ontvangen voor de aanschaf van een auto. Deze kostte €40.040,00, het resterende bedrag heeft zij onder haar kinderen verdeeld. Daarnaast zijn de facturen van de verbouwing van haar huis, €125.158,85 in totaal, door het podoinstituut betaald aan de aannemer. Ook zijn er bedragen van €3.500 en €2.500 aan haar overgemaakt. Aldus heeft verdachte ter waarde van €181.970,86 geprofiteerd van de fraude. Dat het hier om een schenking van medeverdachte ging zoals verdachte heeft aangevoerd, acht de rechtbank onwaarschijnlijk nu dit bedrag het tienvoudige is van wat medeverdachte haar eigen kinderen heeft geschonken.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat ook verdachte actief betrokken was bij de gepleegde fraude.

Gezamenlijke uitvoering

Uit het voorgaande, met name de omvang van de bedragen die verdachte met zoals de rechtbank hierna ten aanzien van feit 3 overweegt instemming van medeverdachte van het podoinstituut heeft ontvangen, volgt al dat het redelijkerwijs niet anders kan dan dat medeverdachte en verdachte hebben samengewerkt bij de oplichting van Univé. Dit blijkt eveneens uit de volgende incidenten.

Medeverdachte en verdachte zijn, toen de boekhouder vroeg om de onderliggende declaraties en met hen besprak dat over 2010 een groot bedrag was ontvangen dat niet uit de omzet kon worden verklaard, beiden passief gebleven in plaats van actie te ondernemen. Tegen de boekhouder meldden zij dat het om fouten van Univé ging. Verder noemde medeverdachte als verklaring voor de gesignaleerde problemen, dat zij op Marktplaats een grote partij goedkope zolen hadden ingekocht en contant afgerekend. Verdachte bevestigde dit. Inkoopfacturen hebben zij niet kunnen overleggen en het bestaan van die transactie is ook op andere wijze niet gebleken. Medeverdachte heeft later ontkend dat een dergelijke partij zolen op Marktplaats is ingekocht.

In het gesprek van 19 december 2011 confronteert Univé medeverdachte en verdachte met de uitkomsten van haar onderzoek naar de rechtmatigheid van de declaraties van het podoinstituut. Medeverdachte en verdachte voeren vervolgens gezamenlijk een - naar uit de verklaringen van het overig personeel van het podoinstituut blijkt - fictief persoon op, ene Lavina, die geholpen zou hebben met het invullen van lijsten/declaraties. Dit hadden zij op de heenreis naar het voornoemde gesprek in de auto zo afgesproken. Dat de één, onwetend van de fraude, dit louter deed op verzoek van de ander, acht de rechtbank gelet op de overige omstandigheden, waaronder het moment waarop dit gesprek plaatsvond, onwaarschijnlijk. Vóór dit gesprek waren medeverdachte en verdachte immers al geïnformeerd over de problemen in de omzetverantwoording en over het door Univé uitgevoerde rechtmatigheidsonderzoek. Voorts blijkt uit het vooraf bedachte en in het gesprek gepresenteerde verhaal zelf dat medeverdachte en verdachte wisten dat zij zich voor de declaraties van het podoinstituut zouden moeten verantwoorden. Precies op dat punt wordt Lavina immers door hen opgevoerd.

De rechtbank ziet in het gedrag van medeverdachte en verdachte tegenover de boekhouder, evenals in het opvoeren van Lavina tegenover Univé, een gezamenlijk optrekken van medeverdachte en verdachte op het moment waarop zij worden aangesproken op een - als gevolg van de fraude ontstane - onverklaarbare situatie. Zij steunen elkaar in hun kennelijke pogingen om de fraude te verhullen, hetgeen past bij het medeplegen daarvan. Gelet op het verschil in positie binnen het podoinstituut en de mate waarin elk heeft geprofiteerd van de fraude, gaat de rechtbank er van uit dat medeverdachte een aanzienlijk groter aandeel in de fraude heeft gehad dan verdachte.

Bewijsoverweging feit 3 primair

Zoals hiervoor uiteengezet, acht de rechtbank bewezen dat verdachte samen met medeverdachte uit naam van het podoinstituut op grote schaal valse declaraties heeft opgemaakt en ingediend bij Univé. Univé is daardoor in de periode van 1 januari 2009 tot en met 18 september 2011 bewogen tot afgifte van vele geldbedragen. Daarmee is komen vast te staan dat verdachte en medeverdachte wisten dat deze geldbedragen, die op het bankrekeningnummer van het podoinstituut binnenkwamen, van misdrijf afkomstig waren. Vervolgens, zo volgt uit de in de bijlage ten aanzien van feit 3 opgesomde bewijsmiddelen, zijn via de rekening van het podoinstituut verbouwingskosten ad €125.158,85 ten behoeve van de privéwoning en de garage van verdachte voldaan. Daarnaast zijn via de rekening van het podoinstituut en de en/of rekening van man medeverdachte overboekingen naar verdachte gedaan van in totaal €77.812,01, steeds met vermelding van misleidende omschrijvingen. De verdediging heeft de hoogte van het verbouwingsbedrag betwist. De rechtbank stelt echter vast dat ten behoeve van die verbouwing voor €125.158,85 is gefactureerd en vanaf het rekeningnummer van het podoinstituut is betaald. Dat dit bedrag niet in lijn zou zijn met de (waarde van de) verrichte werkzaamheden doet daar niet aan af. Daar komt bij dat verdachte zicht heeft gehad op de verbouwing en het bankrekeningnummer vanaf welke de facturen zijn betaald en zich kennelijk niet tegen die betalingen heeft verzet. Bovendien is in de eigen administratie van verdachte een factuur aangetroffen van €54.403,15, een bedrag dat de offerte al ruimschoots overschrijdt, en heeft verdachte daarnaast verklaard dat er ten opzichte van de oorspronkelijke offerte werkzaamheden zijn bijgekomen. De rechtbank gaat ervan uit dat het van de en/of rekening van man medeverdachte overgeboekte bedrag van €2.500 indirect (mede) van misdrijf afkomstig is nu niet is gebleken dat medeverdachte en haar echtgenoot man medeverdachte andere – legale – inkomsten hadden, naast de inkomsten als venno(o)t(en) vanuit het podoinstituut. Verdachte heeft zich daarmee samen met medeverdachte schuldig gemaakt aan witwassen. Het verweer van de verdediging strekkende tot (partiële) vrijspraak wordt verworpen.

Bewezenverklaring

  • Feit 1 primair en feit 2 primair: de voortgezette handeling van medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

  • Feit 3 primair: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd

Strafoplegging

  • Gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en 180 uur taakstraf

Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij N.V. Univé Zorg heeft een (ter terechtzitting aangepaste) vordering tot schadevergoeding van €567.379,75 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde schade bestaat uit ten onrechte betaalde uitkeringen op basis van frauduleuze declaraties (€487.506,75) en zogenoemde uit onderzoek naar voren gekomen ‘bijvangst’ ter zake van dubbele declaraties, Sandalino’s, behandelingen op zondag en declaraties voor kinderen onder de 4 jaar (totaal: €69.873) in de periode 1 januari 2009 tot en met 15 juli 2011. Daarnaast bestaat de gestelde schade uit onderzoekskosten ad €10.000.

De rechtbank heeft onder feiten 1 en 2 bewezenverklaard dat verdachte zich samen met de medeverdachte heeft schuldig gemaakt aan grootschalige verzekeringsfraude en oplichting van de benadeelde partij, waardoor deze rechtstreekse schade heeft geleden. De benadeelde partij stelt dat deze schade €567.379,75 bedraagt en baseert dit bedrag enerzijds op het totaalbedrag van de declaraties die door de geënquêteerde verzekerden als onjuist zijn aangemerkt. Anderzijds bestaat het bedrag uit de hiervoor genoemde bijvangst.
De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade tot een bedrag van €487.506,75 rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 bewezen verklaarde feit. Het bedrag aan ‘bijvangst’ ad €69.873 betreft naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer rechtstreekse door de fraude en oplichting veroorzaakte schade, zodat de rechtbank de benadeelde partij ter zake van dit bedrag niet-ontvankelijk in haar vordering zal verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vorderging desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank is op grond van de stukken in het dossier en de stukken die bij de vordering benadeelde partij zijn gevoegd daarnaast van oordeel dat voldoende onderbouwd is dat de benadeelde partij kosten heeft moeten maken ter vaststelling van de oorzaak en omvang van de schade en dat deze schade €10.000 betreft. De rechtbank wijst deze gevorderde schadepost toe.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij daarom toewijzen tot een bedrag van €497.506,75. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2017, zijnde de datum van ondertekening van de vordering benadeelde partij, tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank tot slot van oordeel dat van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel in onderhavige zaak moet worden afgezien.

Lees hier de volledige uitspraak.


Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF