Veroordeling (beroemde) katvanger tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een bestuursverbod voor de maximale duur vanwege forse recidive

Rechtbank Rotterdam 11 juli 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:5590

De verdachte is in een aantal faillissementen opgetreden als zogeheten ‘katvanger’. Hij heeft in het zicht van een naderend faillissement tegen een vergoeding steeds de betreffende rechtspersoon overgenomen. De verdachte heeft vervolgens als bestuurder van deze rechtspersonen niet voldaan aan zijn wettelijke verplichtingen om een volledige administratie te voeren, te bewaren en, nadat de rechtspersonen failliet waren verklaard, aan de curator ter beschikking te stellen.

De verdachte heeft zodoende de schuldeisers van de rechtspersoon in een ongunstiger positie gebracht en hiermee blijk gegeven zijn eigen financiële belangen hoger in te schatten dan die van de schuldeisers. Daarnaast heeft de verdachte door zijn handelen het de curator zeer veel moeilijker gemaakt om het faillissement op een juiste wijze af te wikkelen.

De rechtbank neemt verdachte dit handelen buitengewoon kwalijk, niet alleen omdat door faillissementsfraude als deze de gedupeerde schuldeisers hun financiële schade niet kunnen verhalen, maar ook omdat deze vorm van fraude het vertrouwen tussen ondernemers onderling - dat van essentieel belang is voor een goed functionerend handelsverkeer - aantast.

Behalve aan de bewezen feiten heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan de feiten die ‘ad informandum’ op de dagvaarding kort zijn omschreven. De officier van justitie heeft te kennen gegeven dat deze feiten niet afzonderlijk zullen worden vervolgd. De verdachte heeft deze feiten op de terechtzitting erkend. Met deze strafbare feiten wordt bij de strafoplegging rekening gehouden.

De rechtbank stelt voorop dat de verdachte zichzelf, zo blijkt uit het dossier, in contacten met curatoren een “beroemd katvanger” heeft genoemd. Zoals hiervoor is overwogen is het handelen van de verdachte zeer kwalijk geweest, omdat dit onder meer heeft bijgedragen aan zeer aanzienlijke schade bij schuldeisers. Hij heeft voor eigen financieel gewin, (relatief) kort voor een faillissement tegen betaling door de vorige directeuren/aandeelhouders een behoorlijk aantal rechtspersonen op zijn naam laten zetten.

Een strafverzwarende omstandigheid is dat de verdachte al een groot aantal maal eerder is veroordeeld voor (min of meer) soortgelijke fraudedelicten. Hij heeft voor die eerdere feiten al verschillende keren gevangenisstraf opgelegd gekregen en die straffen heeft hij ook uitgezeten. Onder deze omstandigheden kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Uit het dossier volgt dat de verdachte zichzelf een beroemd katvanger noemt en (al dan niet in die hoedanigheid) in verband kan worden gebracht met een groot aantal andere faillissementen. De rechtbank is daarom van oordeel dat een verbod tot het uitoefenen van een beroep als bestuurder van een rechtspersoon als bijkomende straf is aangewezen om het gevaar in te perken dat de verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig zal maken aan het plegen van soortgelijke feiten. Daarnaast dient deze bijkomende straf ter bescherming van toekomstige schuldeisers. De rechtbank zal, gelet op art. 31 lid 1 onder 2 van het Wetboek van Strafrecht de termijn daarvan vaststellen op de (maximale) termijn van 5 jaren bovenop de hierna te noemen duur van de gevangenisstraf, met name omdat eerdere detenties of andersoortige straffen de verdachte er kennelijk niet van hebben weerhouden door te gaan met zijn strafbare praktijken.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: Als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en/of te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in dit artikel bedoeld;

  • Feit 2 primair: als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en/of te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in dit artikel bedoeld;

  • Feit 3: als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en/of te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in dit artikel bedoeld.

Strafoplegging

  • een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

  • veroordeelt de verdachte tot de (bijkomende) straf dat hij wordt ontzet uit het recht om een beroep als bestuurder van een rechtspersoon uit te oefenen voor de duur van 5 (vijf) jaren en 10 (tien) maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF