Overwegingen Rb over strafbaarheid onder art. 344a Sr & witwassen

Rechtbank Noord-Nederland 13 mei 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:2071

Verdachte was (middellijk) bestuurder van een aantal vennootschappen. Om liquiditeitskrapte in deze vennootschappen op te lossen heeft hij verschillende kredieten afgesloten bij een bank onder verpanding van goederen. Daartoe heeft verdachte doelbewust valse facturen, e-mailberichten en een bankafschrift opgemaakt en aan de bank overgelegd.

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens valsheid in geschrift (feit 1) tot een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden. De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van feit 2 (goederen opzettelijk onttrekken aan daarop gevestigde pandrechten) en feit 3 (oplichting door het overleggen van onjuiste debiteurenoverzichten aan de bank).

Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van faillissementsfraude (feit 4), nu het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert. Ook wordt verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van het ten laste gelegde witwassen (feit 5), gelet op de toepasselijkheid van de kwalificatie-uitsluitingsgrond.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van feiten 3 en 4. Hij heeft daartoe aangevoerd dat met betrekking tot feit 3 weliswaar kan worden vastgesteld dat de debiteurenoverzichten niet volledig en correct zijn, maar dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk incorrecte debiteurenoverzichten heeft ingediend met de bedoeling om hogere kredieten te verkrijgen. Aangaande feit 4 heeft verdachte uitgebreid verweer gevoerd, waarbij hij vele vraagtekens heeft gesteld bij het functioneren van de curator in de afwikkeling van het faillissement. Nu het dossier in essentie niets meer omvat dan de verklaring van verdachte enerzijds en de verklaring van de curator anderzijds en de juistheid van deze verklaringen op basis van het dossier niet kan worden getoetst omdat er geen forensisch accountantsonderzoek heeft plaatsgevonden, kan niet worden bewezen dat er sprake is geweest van faillissementsfraude.

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1, 2 primair en 5. Hij heeft daartoe in het bijzonder het volgende aangevoerd.

Feit 1 kan integraal worden bewezen. Ten aanzien van de twee facturen waarover verdachte geen bekennende verklaring heeft afgelegd, te weten de factuur van bedrijf 1 aan slachtoffer 1 en/of bedrijf 2 en de factuur van bedrijf 2 aan bedrijf 3, kan het niet anders dan dat verdachte deze stukken heeft gemaakt en gebruikt, nu de deurwaarder de goederen niet heeft aangetroffen in de sportschool.

Ten aanzien van feit 2 kan worden bewezen dat verdachte de auto’s opzettelijk heeft onttrokken aan het pandrecht dat op die auto’s was gevestigd. De verklaring van verdachte dat hij niet wist dat er nog pandrecht rustte op de auto’s nadat zij (deels) waren afbetaald, is ongeloofwaardig, nu verdachte als ondernemer veelvuldig in aanraking kwam met leasecontracten en derhalve de Garantenstellung geldt.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feiten 1 (deels), 2, 3, 4 en 5. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1 dient verdachte te worden vrijgesproken van de onderdelen die zien op de factuur van bedrijf 1 aan slachtoffer 1 en/of bedrijf 2 en op de factuur van bedrijf 2 aan bedrijf 3. Verdachte wist niets van de eventuele valsheid van deze facturen. Anders dan de gegevens die door bedrijf 2 zijn aangeleverd, wist verdachte niets van de herkomst van de fitnessapparatuur. Nu op de pandakte (pagina 381), behorend bij de financieringsovereenkomst met contractnummer kenmerk, andere goederen dan de fitnessapparatuur staan vermeld die worden verpand, kan niet zonder meer uit de stukken worden afgeleid dat er een causaal verband bestaat tussen het overleggen van beide facturen en de kredietverstrekking. Daarnaast dient de vraag te worden opgeworpen of de factuur van bedrijf 2 vals is, aangezien uit de akte afstand pandrecht (pagina 388) volgt dat de fitnessapparatuur wel degelijk heeft bestaan. De overige onderdelen in feit 1 kunnen worden bewezen.

Ten aanzien van feit 2 kan het opzet van verdachte niet worden bewezen. Het contact met betrekking tot de leasecontracten en verpandingen voerde verdachte met de benadeelde partij. Uit de aangeleverde stukken blijkt dat verdachte voorafgaand aan de inruil van de voertuigen hierover contact heeft gehad met de benadeelde partij. In het bijzonder moet verdachte worden vrijgesproken van het ten laste gelegde ten aanzien van de voertuigen met de kentekens kenteken, kenteken en kenteken, nu er in 2014 geen pandrecht meer rustte op deze voertuigen. De leaseovereenkomst en tevens pandakte is gedateerd 23 mei 2011, terwijl het dossier tevens een akte afstandsverklaring pandrechten bevat ten aanzien van deze voertuigen gedateerd 24 mei 2011 (pagina 295). Daarnaast dient verdachte te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde met betrekking tot de voertuigen met de kentekens kenteken, kenteken en kenteken. Uit de pandakte volgt geen andere datum dan het voorgedrukte jaartal 2014, terwijl de voertuigen in december 2013 zijn overgeschreven op naam van bedrijf 10. Er is aldus geen bewijs dat er op het moment van vervreemding van de auto’s in 2013 er daadwerkelijk een pandrecht rustte op deze voertuigen.

Ten aanzien van feit 3 primair dient vrijspraak te volgen, omdat er geen sprake is van ‘afgifte’. Uit de gegevens van de benadeelde partij blijkt immers dat het maximale krediet reeds was opgenomen op het moment dat de pandlijsten d.d. 7 en 8 mei 2014 werden aangeleverd. Daarnaast kan het eenmalig verstrekken van een onjuist debiteurenoverzicht niet leiden tot een bewezenverklaring van een valse hoedanigheid, één of meer listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels. Het subsidiair ten laste gelegde kan evenmin worden bewezen. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte opzettelijk debiteuren heeft laten staan op de pandlijsten en dat hij opzettelijk onjuiste debiteurenoverzichten heeft overgelegd. Door de wijze van factureren en administreren en door mogelijk een softwareprobleem waren de debiteurenoverzichten mogelijk niet up to date. Daarnaast was het niet zo dat er enkel debiteuren die hadden betaald op de lijst zijn blijven staan. Er ontbraken ook debiteuren op de lijst die een recente factuur hadden ontvangen. Tegen deze achtergrond zou volledig juist ingevulde pandlijsten niet hebben geleid tot een verlaging van de toegestane maximale kredieten.

Ten aanzien van feit 4 dient vrijspraak te volgen omdat er geen bewijs is voor de vermeende faillissementsfraude. Daarnaast kan, zo er al tot een bewezenverklaring kan worden gekomen, het feit niet gekwalificeerd worden als strafbaar feit en dient verdachte om die reden ontslagen te worden van alle rechtsvervolging, omdat het wetsartikel waarop het verwijt aan verdachte is gebaseerd, te weten artikel 344a, lid 2, sub 2, Sr, pas op 1 juli 2016 in werking is getreden en de tenlastegelegde periode ziet op de periode van 10 mei 2010 tot en met 1 mei 2015.

Ten aanzien van feit 5 kan niet worden bewezen dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf. De eventuele onjuistheid van de onderliggende facturen aan de leaseovereenkomsten doet niets af aan de geldigheid van die overeenkomsten, zeker nu de goederen aanwezig waren in het bedrijf van verdachte. Gelet op de bepleite vrijspraak bij feit 1 ten aanzien van het geldbedrag van €115.230 dient ook een vrijspraak te volgen voor dit geldbedrag ten aanzien van witwassen.

Oordeel van de rechtbank

Verdachte was gedurende de ten laste gelegde periodes bestuurder en enig aandeelhouder van de vennootschappen bedrijf 8, bedrijf 13, bedrijf 3 en bedrijf 11. De holding bedrijf 8 was bestuurder en enig aandeelhouder van onder meer de dochtermaatschappijen bedrijf 12, bedrijf 16 en bedrijf 5. Dit gold voor de holding bedrijf 13 ten aanzien van de dochtermaatschappijen bedrijf 14, bedrijf 17 en bedrijf 15.

In de maanden oktober en november 2014 zijn de vennootschappen bedrijf 8, bedrijf 12, bedrijf 16, bedrijf 5, bedrijf 13, bedrijf 14, bedrijf 17, bedrijf 14 en bedrijf 6 in staat van faillissement verklaard.

Vrijspraak van feit 2

De rechtbank acht feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

In 2010, 2011 en 2013 heeft verdachte namens bedrijf 5 leaseovereenkomsten afgesloten met betrekking tot een tiental voertuigen bij bedrijf 9 (hierna: bedrijf 9), zijnde een dochteronderneming van de benadeelde partij. Deze voertuigen zijn bij deze leaseovereenkomsten verpand aan bedrijf 9.

Verdachte heeft in maart 2012 één voertuig en in december 2013 negen voertuigen verkocht aan bedrijf 10.

Verdachte heeft verklaard ten aanzien van onderhavige leasecontracten dat hij altijd rechtstreeks contact heeft gehad met zijn vaste contactpersonen bij de benadeelde partij en nooit met bedrijf 9. Verdachte heeft documenten overgelegd aan de rechtbank waaruit blijkt dat hij voorafgaand aan de vervreemding van de voertuigen contact heeft gehad met de benadeelde partij over het inruilen van de voertuigen en het opzeggen van de bijbehorende autoverzekeringen. Zo is op 9 december 2013 door verdachte een brief verzonden naar de benadeelde partij met een overzicht van de ingeruilde dan wel in te ruilen voertuigen, met daarbij het verzoek om de bijbehorende autoverzekeringen op te zeggen. Uit de brief blijkt dat dit kennelijk eerder met de bank is besproken en dat de benadeelde partij heeft verzocht om een overzicht van de ingeruilde dan wel in te ruilen voertuigen. Uit niets blijkt dat de bank verdachte toen heeft gewezen op het pandrecht dat nog op de voertuigen zou rusten.

Verdachte heeft voorts verklaard dat ten tijde van de vervreemding van de voertuigen de afbetaling van de voertuigen reeds (geheel of voor een groot gedeelte) had plaatsgevonden en dat hij om die reden in de veronderstelling was dat er geen pandrecht meer rustte op de voertuigen. In het contact met de bank heeft deze hem daar ook niet op gewezen.

Gelet op de brief aan de benadeelde partij, waaruit afgeleid kan worden dat er voorafgaand aan de inruil van de voertuigen contact is geweest tussen verdachte en de bank over deze inruil, en bij gebrek aan bewijs voor het tegendeel, kan onvoldoende worden vastgesteld dat verdachte zich bewust was van het feit dat er ook na de afbetaling nog steeds een pandrecht op de auto’s rustte. Daarmee is evenmin in voldoende mate komen vast te staan dat verdachte opzet heeft gehad op het onttrekken van de voertuigen aan het pandrecht dat daarop was gevestigd.

Vrijspraak van feit 3

De rechtbank acht, met de officier van justitie en de raadsman, feit 3 primair en subsidiair niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Op 7 september 2013 zijn er twee kredietovereenkomsten gesloten tussen enerzijds benadeelde partij en anderzijds bedrijf 13 respectievelijk bedrijf 12. Onderdeel van deze kredietovereenkomsten was de verpanding van de debiteurenvorderingen van genoemde vennootschappen. Daartoe diende verdachte maandelijks een overzicht van de debiteurenvorderingen over te leggen aan de benadeelde partij. De hoogte van de kredieten werd door de benadeelde partij bepaald aan de hand van de aangeleverde debiteurenoverzichten.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de debiteurenoverzichten maandelijks werden uitgedraaid door een van de administratieve medewerkers en dat het door de wijze van administreren heel goed mogelijk is dat de financiële administratie achterliep. Verdachte diende deze debiteurenoverzichten te ondertekenen. Door verdachte is verklaard dat hij deze overzichten niet op regelniveau heeft gecontroleerd. Daarnaast heeft verdachte gesteld dat de maximale kredietbedragen niet lager zouden zijn vastgesteld als de debiteurenoverzichten met de juiste actuele debiteurenstand waren overgelegd, nu er ook een aantal facturen ten onrechte niet waren opgenomen in die overzichten.

Zoals ook door verdachte is erkend, acht de rechtbank het aannemelijk dat de aan de benadeelde partij overgelegde debiteurenoverzichten niet actueel waren en dat hierin reeds betaalde vorderingen waren opgenomen. De rechtbank is echter van oordeel dat hiermee niet zonder meer kan worden gesteld dat verdachte de debiteurenoverzichten opzettelijk onjuist heeft opgemaakt en overgelegd met het doel om de afgifte van een hoger kredietbedrag mogelijk te maken.

Nog daargelaten de vraag of het nadien overleggen van onjuiste debiteurenoverzichten de afgifte van een reeds verstrekt kredietbedrag kan opleveren, is de rechtbank van oordeel dat de primair ten laste gelegde oplichting alsook de subsidiair ten laste gelegde varianten van valsheid in geschrift niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Feit 1

Bedrijf 1 / bedrijf 2

Verdachte is in 2013 namens bedrijf 3 betrokken geweest bij de overname van bedrijf 2. Ten behoeve van deze koop heeft verdachte een financiële leaseovereenkomst afgesloten bij bedrijf 9. Verdachte heeft verklaard dat hij daartoe diverse documenten heeft overgelegd, waaronder een factuur met betrekking tot fitnessapparatuur van bedrijf 1 aan slachtoffer 1 en/of bedrijf 2 (LL-3, pagina 98), een factuur met betrekking tot de overname van de inventaris van de sportschool van bedrijf 2 aan bedrijf 3 gedateerd 21 augustus 2013 (LL-4, pagina 103) en een bankafschrift waaruit blijkt dat op 23 augustus 2013 een bedrag van €121.000 is overgeschreven van een bankrekening van bedrijf 3 naar bedrijf 2 (pagina 105). De facturen dienden volgens verdachte ter onderbouwing van de reeds aanwezige goederen in de sportschool. Uit het dossier is gebleken dat de factuur van bedrijf 1 vals is. Verdachte heeft verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren van wie hij de factuur van bedrijf 1 heeft ontvangen. Hij heeft ontkend dat hij wist dat beide facturen vals waren. Wel heeft verdachte bekend dat hij het bestaande bankafschrift heeft vervalst en heeft overgelegd in de financieringsprocedure.

De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om aan te kunnen nemen dat verdachte wist dat de factuur van bedrijf 1 vals was. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken ten aanzien van de ten laste gelegde gedragingen met betrekking tot deze factuur.

Ook ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank bewijs in het dossier dat verdachte de factuur van bedrijf 2 heeft vervalst. De rechtbank zal verdachte ook hiervan vrijspreken.

Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte het bankafschrift heeft vervalst en gebruikt op grond van zijn bekennende verklaring en de onderbouwde stelling van aangever dat het betreffende bankafschrift inderdaad vals is. Verdachte heeft doen voorkomen dat bedrijf 3 een bedrag ter hoogte van €121.000- had overgemaakt naar bedrijf 2, conform de factuur. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte wetenschap heeft gehad van de valsheid van de factuur van bedrijf 2 op het moment dat hij deze factuur inbracht in het kader van de financiering.

Bedrijf 4 (hierna: bedrijf 18) en bedrijf 7

Verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd ten aanzien van het vervalsen van de ten laste gelegde facturen en het overleggen daarvan aan bedrijf 9. Hoewel verdachte ter terechtzitting heeft verklaard zich niets meer te kunnen herinneren ten aanzien van het e-mailbericht van bedrijf 18 en het e-mailbericht van bedrijf 7, acht de rechtbank bewezen dat, gelet op de samenhang met de door verdachte erkende facturen, verdachte deze geschriften valselijk heeft opgemaakt en heeft overgelegd aan bedrijf 9.

De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de geschriften ten aanzien van voornoemde bedrijven heeft vervalst, dan wel valselijk heeft opgemaakt, en deze geschriften heeft gebruikt ter verkrijging van geldleningen.

Feit 4

De curator die belast was met de afwikkeling van de faillissementen, mr. curator, heeft aangifte gedaan van faillissementsfraude. De curator heeft hierin geconcludeerd dat verdachte ten aanzien van de verpande debiteurenvorderingen in de verpandlijsten een groot aantal debiteuren had opgenomen die reeds hadden betaald of niet (meer) bestonden. Daarnaast is volgens de curator een ondeugdelijke administratie van inventaris, machines, gereedschappen en voorraden gevoerd, waardoor de boekwaarde hiervan hoger uitviel dan de waarde van de aangetroffen goederen.

Verdachte heeft hierop gemotiveerd verweer gevoerd. Volgens verdachte heeft de curator onvoldoende onderzoek gedaan naar de administratie van de gefailleerde bedrijven en heeft de curator niet om opheldering gevraagd bij verdachte, terwijl dit wel in de rede lag. Wel heeft verdachte ten aanzien van een aantal in feit 1 vervatte geschriften bekend dat hij deze heeft vervalst, dan wel valselijk heeft opgemaakt, en dat hij deze valse geschriften heeft overgelegd aan bedrijf 9 teneinde leaseovereenkomsten af te sluiten. De rechtbank heeft hiervoor reeds geoordeeld dat dit feit bewezen kan worden verklaard.

De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling of verdachte, als bestuurder van een groep rechtspersonen, heeft voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie, aansluiting dient te worden gezocht bij de eisen hieromtrent in onder meer artikel 2:10, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Uit vaste jurisprudentie blijkt dat daaraan is voldaan indien de administratie van de vennootschap zodanig was dat men ‘snel inzicht kan krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment’ en ‘deze posities en stand van de liquiditeiten, gezien de aard en omvang van de onderneming, een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie’. Naast de debiteuren- en crediteurenpositie en de stand van de liquiditeiten kunnen echter ook andere elementen van belang zijn voor het antwoord op de vraag of de boekhouding aan de daaraan te stellen eisen voldoet.Indien sprake is van fraude, wordt een schending van de administratieplicht sneller aangenomen. Dit vindt onder meer zijn oorzaak in het gegeven dat een administratie waarin valse facturen zijn opgenomen niet alleen voor die facturen, maar ook voor het geheel niet betrouwbaar is en reeds om die reden geen goed inzicht geeft in de aanspraken en verplichtingen van de onderneming.

Gelet op het gevoerde verweer is de rechtbank van oordeel dat thans onvoldoende is vast komen te staan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de door de curator gestelde verzuimen ten aanzien van de administratie, met uitzondering van het opnemen van valse stukken in de administratie zoals door verdachte is bekend.

Verdachte heeft als bestuurder opzettelijk valse facturen opgesteld en gebruikt, die daarmee onderdeel zijn gaan uitmaken van de administratie van de vennootschappen. Hij heeft daarmee bewust onduidelijkheid geschapen met betrekking tot de aanspraken en verplichtingen van de ondernemingen en in de goederen die in de vennootschappen al dan niet aanwezig waren, waarop pandrecht was gevestigd. Niet alleen heeft verdachte bedrijf 9 een onjuiste voorstelling van zaken gegeven, ook heeft hij na het faillissement de curator niet ingelicht over de aanwezigheid van de valse facturen in de administratie. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat verdachte niet heeft voldaan aan de wettelijke plicht tot het voeren van een administratie dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon konden worden gekend, ten gevolge waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt.

Hoewel de rechtbank vaststelt dat deze valse stukken geen betrekking hebben op alle ten laste gelegde vennootschappen, is de rechtbank van oordeel dat het feit wel bewezen kan worden verklaard ten aanzien van alle vennootschappen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de administratie van de vennootschappen waarvan hij (middellijk) bestuurder en aandeelhouder in zekere mate met elkaar verweven was. Deze verwevenheid blijkt ook uit de aangifte van de curator en de faillissementsverslagen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het feit, zoals ten laste gelegd, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De vraag of het bewezenverklaarde gekwalificeerd kan worden als een strafbaar feit, zal de rechtbank hieronder beantwoorden.

Feit 5

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde bedragen op de bankrekening van bedrijf 5 heeft ontvangen naar aanleiding van een drietal financiële leaseovereenkomsten tussen deze vennootschap en bedrijf 9.

De rechtbank heeft ten aanzien van het geldbedrag van €115.238 in feit 1 reeds overwogen dat bewezen kan worden dat verdachte stukken die ten grondslag lagen aan de kredietaanvraag heeft vervalst, dan wel valselijk heeft opgemaakt.

Ten aanzien van andere ten laste gelegde geldbedragen volgt uit de bewijsmiddelen dat door verdachte facturen van bedrijf 7 ter hoogte van €50.000- en van €14.374 zijn overgelegd aan bedrijf 9 ten behoeve van de verkrijging van de kredietbedragen van respectievelijk €50.000 en €80.000. Nu uit correspondentie tussen bedrijf 9 en bedrijf 7 volgt dat bedrijf 7 niet bekend is met factuurbedragen van deze orde van grootte aan een van de vennootschappen van verdachte, kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de genoemde facturen vals zijn. Verdachte heeft ten aanzien van de facturen van onder andere bedrijf 7 in feit 1 bekend dat hij facturen heeft vervalst met betrekking tot goederen die reeds in de vennootschap aanwezig waren en dat hij deze facturen heeft overgelegd aan bedrijf 9 teneinde een krediet te ontvangen. Hoewel verdachte geen specifieke verklaring heeft afgelegd over de stukken die ten grondslag liggen aan de kredietverstrekking van €80.000- en €50.000, is de rechtbank van oordeel dat op grond van zijn verklaring ten aanzien van andere valse facturen op naam van bedrijf 7, die in dezelfde periode zijn overgelegd, kan worden vastgesteld dat verdachte in elk geval op de hoogte was van de valsheid van de facturen van bedrijf 7. Ten aanzien van de overige facturen die ten grondslag liggen aan de kredietverstrekking van €80.000- volgen uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen aanknopingspunten dat deze vals zijn.

Desondanks heeft verdachte de genoemde valse facturen van bedrijf 7 ingediend bij kredietverstrekker en deze zodoende bewogen de bedragen uit te betalen. Naar het oordeel van de rechtbank kan zonder meer worden aangenomen dat bedrijf 9 de leaseovereenkomsten niet zou hebben gesloten en de kredietbedragen niet zou hebben uitbetaald, indien bedrijf 9 op de hoogte zou zijn geweest van de valsheid van de daartoe overgelegde stukken. Dat de goederen, zoals verdachte heeft gesteld en voor zover dit al te verifiëren is, reeds aanwezig waren in een van de vennootschappen waarvan hij (al dan niet middellijk) bestuurder en aandeelhouder was, doet daar niet aan af. Uit de leaseovereenkomsten volgt immers dat bedrijf 5 de geldlening uitsluitend mocht aanwenden voor de aanschaf en verkrijging in volledige en onbezwaarde eigendom van de goederen die daarbij verpand werden op grond van de aangeleverde facturen. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de geldbedragen onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten het opzettelijk gebruik maken van valse geschriften, en dat verdachte dit ook wist.

Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat de geldbedragen in een zeer korte periode (deels) zijn doorgestort naar andere bankrekeningen van vennootschappen, waarvan verdachte (middellijk) bestuurder en aandeelhouder was, en dat bedragen zijn gestort op rekeningen van derden.

De vraag of de bewezenverklaarde handelingen kunnen worden gekwalificeerd als witwassen, zal de rechtbank hieronder beantwoorden.

Strafbaarheid

Feit 4

De rechtbank stelt vast dat de tekst van de tenlastelegging die betrekking heeft op feit 4, zoals bewezen is verklaard, is toegesneden op de delictsomschrijving van artikel 344a lid 2 sub 2 van het Wetboek van Strafrecht, dat in werking is getreden op 1 juli 2016. Het bewezenverklaarde omvat de periode van 19 mei 2010 tot en met 1 mei 2015. De rechtbank stelt voorts vast dat het bewezen verklaarde niet als een van de artikelen met betrekking tot faillissementsfraude, welke van kracht waren ten tijde van het bewezen verklaarde, kan worden gekwalificeerd. De verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Feit 5

Nu verdachte zelf de leaseovereenkomsten heeft gesloten met bedrijf 9 en daartoe de valse stukken heeft overgelegd, terwijl op basis daarvan kredieten zijn verstrekt, kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig eigen misdrijf.

De rechtbank stelt voorop dat noch de tekst van art. 420bis Sr noch de wetsgeschiedenis eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepaling omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens witwassen. Dit betekent niet dat elke gedraging die in art. 420bis, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de kwalificatie witwassen rechtvaardigt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen". Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.

In het bijzondere geval dat het overdragen, gebruik maken of omzetten van een uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van de situatie waarin de verdachte een uit eigen misdrijf verkregen voorwerp verwerft of voorhanden heeft, is eveneens voor de strafbaarheid daarvan een gedraging vereist die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp gericht karakter heeft.

De rechtbank heeft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geoordeeld dat de in feit 5 genoemde voorwerpen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en bewezen verklaard dat verdachte de geldbedragen heeft witgewassen door deze over te dragen, om te zetten en/of daarvan gebruik te maken. De rechtbank heeft echter niet kunnen vaststellen dat de verdachte één of meer handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp, nu uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden enkel kan worden afgeleid dat de verdachte de geldbedragen enkel heeft overgemaakt naar andere (traceerbare) rekeningen van zijn andere vennootschappen en daarmee vorderingen van derden heeft voldaan. De rechtbank acht niet aannemelijk dat verdachte daarmee het zicht op de herkomst van de geldbedragen heeft willen bemoeilijken. Dit betekent dat het onder 5 bewezen verklaarde niet kan worden gekwalificeerd en daarom geen strafbaar feit oplevert. De verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

  • voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met een proeftijd van 2 jaar

  • taakstraf van 240 uren

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Verdachte was (middellijk) bestuurder van een aantal vennootschappen. Om liquiditeitskrapte in deze vennootschappen op te lossen heeft hij verschillende kredieten afgesloten bij een bank onder verpanding van goederen. Daartoe heeft verdachte doelbewust valse facturen, e-mailberichten en een bankafschrift opgemaakt en aan de bank overgelegd. De bank is daardoor bewogen de kredieten te verstrekken, waarbij de bank is benadeeld voor een bedrag van nagenoeg €400.000. Tevens heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld en ook moet kunnen worden gesteld in schriftelijke stukken met een bewijsbestemming. Tegen dergelijk misbruik dient krachtig opgetreden te worden.

Lees hier de volledige uitspraak.


Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF