Vrijspraak bedrieglijke bankbreuk: twee maal als katvanger optreden onvoldoende voor opzet

Gerechtshof Amsterdam 5 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1190

Feit 1

Aan de verdachte is onder 1 primair het medeplegen van flessentrekkerij en subsidiair de medeplichtigheid daaraan ten laste gelegd. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het subsidiair ten laste gelegde bewezen zal verklaren. De raadsvrouw heeft verzocht om de verdachte van dit feit volledig vrij te spreken.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft, zo blijkt uit de processtukken, een aantal handelingen verricht met betrekking tot zaak 18. Hij heeft deze vennootschap opgericht, zich als bestuurder bij de Kamer van Koophandel ingeschreven en een bankrekening geopend. Na een periode van ongeveer twee maanden heeft hij de vennootschap overgedragen. Het initiatief hiertoe is genomen door medeverdachte verdachte 1. Deze heeft de verdachte gevraagd om deze handelingen te verrichten. Verdachte 1 heeft op naam van de B.V. een grote hoeveelheid goederen besteld zonder deze te betalen. Uit de verklaringen van verdachte 1 kan worden afgeleid dat de verdachte de rol had van een zogeheten “katvanger”. De verdachte heeft verklaard dat hij niet heeft geweten wat de intenties van verdachte 1 waren.

Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Wat het subsidiair ten laste gelegde betreft staat ter beoordeling of de verdachte opzet heeft gehad, al dan niet in voorwaardelijke vorm, op de door verdachte 1 en/of de vennootschap gepleegde flessentrekkerij. Als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte zich op geen enkele manier heeft ingespannen om kennis te krijgen van de context waarin hij zijn activiteiten heeft verricht. Verdachte 1 heeft in zijn schriftelijke verklaring van 21 januari 2016 de summiere opmerking gemaakt dat de verdachte “overal van op de hoogte” was. Het dossier biedt geen nadere invulling van die wetenschap. Noch biedt het door het openbaar ministerie gepresenteerde bewijs ondersteuning voor het door de advocaat-generaal ingenomen standpunt dat die wetenschap, al dan niet in voorwaardelijke vorm, wel aanwezig was bij de verdachte. Bij die stand van zaken dient de slotsom te zijn dat niet bewezen kan worden geacht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 subsidiair ten laste gelegde zodat hij ook daarvan zal worden vrijgesproken.

Feit 2

Onder 2 is aan de verdachte in verschillende varianten de strafbare betrokkenheid bij bedrieglijke bankbreuk, gepleegd met betrekking tot zaak 8, ten laste gelegd.

Het hof leest, evenals de rechtbank heeft gedaan, de tenlastelegging aldus dat aan de verdachte twee afzonderlijke verwijten in een primair/subsidiair-verhouding worden gemaakt. Enerzijds gaat het om medeplegen van, subsidiair medeplichtigheid aan, bedrieglijke bankbreuk als bedoeld in artikel 341, onder a sub 1 en 2, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (oud). Anderzijds gaat het om medeplegen van, subsidiair medeplichtigheid aan, bedrieglijke bankbreuk als bedoeld in artikel 341, onder a sub 4, Sr (oud).

De verdachte heeft zich ook voor zaak 8 als bestuurder bij de Kamer van Koophandel ingeschreven en na enige maanden weer laten uitschrijven. Daarnaast heeft hij een bankrekening geopend, volmachten getekend en huurcontracten afgesloten. Ook in het kader van de bedrijfsvoering van deze onderneming zijn, onder meer door verdachte 1, goederen gekocht en niet betaald en vervolgens doorverkocht. De verdachte heeft verklaard hiervan niet op de hoogte te zijn geweest.

De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat het hof tot dezelfde bewezenverklaring dient te komen als de rechtbank. De raadsvrouw heeft verzocht om de verdachte van feit 2 volledig vrij te spreken.

De tenlastelegging is gebaseerd op de delictsomschrijvingen van faillissementsfraude zoals opgenomen in de strafbepalingen geldend ten tijde van de in de tenlastelegging vermelde pleegperiode. In artikel 341 Sr (oud) vormde het oogmerk van de gefailleerde tot bedrieglijke verkorting van schuldeisers een bestanddeel bij elke daarin strafbaar gestelde gedraging of nalatigheid.

Bij alle varianten waarin betrokkenheid bij bedrieglijke bankbreuk aan de verdachte is ten laste gelegd staat ter beoordeling of hij, evenals de gefailleerde vennootschap, het opzet, al dan niet voorwaardelijk, heeft gehad op de bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers. De advocaat-generaal heeft gesteld dat het zo moet zijn dat de verdachte op de hoogte is geweest van de door zaak 8 gepleegde flessentrekkerij en dat dit impliceert dat hij ook opzet, in elk geval in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op de benadeling van de schuldeisers. De raadsvrouw heeft betoogd dat geen verdergaande conclusie kan worden getrokken dan dat de verdachte “goedgelovig” is geweest.

Het hof heeft hiervoor reeds overwogen dat het dossier onvoldoende basis biedt om vast te stellen dat de verdachte wist welke bedoelingen verdachte 1 had bij zijn activiteiten met zaak 18. Dit geldt ook voor de onderneming zaak 8. Het feit dat de verdachte twee maal als “katvanger” is opgetreden roept tal van vragen op, maar is op zichzelf onvoldoende om vast te stellen dat de verdachte ervan op de hoogte was dat de vennootschap werd gebruikt om flessentrekkerij te plegen en om de gedupeerde leveranciers hun verhaalsmogelijkheden te ontnemen. Het ontbreken van die wetenschap, en daarmee het ontbreken van het opzet (al dan niet in voorwaardelijke zin) op de bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers, staat in de weg aan bewezenverklaring voor elke variant van het onder 2 ten laste gelegde.

De verdachte zal daarom ook van het onder 2 ten laste gelegde geheel worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF