Beschouwing over de wettelijke grondslag voor oplegging van de bijkomende straf van ontzetting van rechten

Gerechtshof Amsterdam 5 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1182

De verdachte heeft deel uitgemaakt van een criminele organisatie, die zich gedurende een periode van enkele jaren heeft bezig gehouden met het stelselmatig plegen van flessentrekkerij in georganiseerd verband. De verdachte en zijn mededaders gebruikten hiervoor speciaal daartoe opgerichte ondernemingen. In een enkel geval werd gebruikgemaakt van een al langer bestaand bedrijf met een goede reputatie.

De organisatie bleek in staat die ondernemingen in zeer korte tijd naar buiten toe neer te zetten als goedlopende, bonafide bedrijven. Daartoe werden bedrijfspanden in gebruik genomen, die vervolgens zowel materieel als personeel werden ingericht. Ook in de digitale infrastructuur werd voorzien, terwijl voorts de financiële kant werd afgedekt door het opmaken van valse, bij de kamer van koophandel gedeponeerde, jaarrekeningen.

De verdachte en zijn mededaders hebben veelal met gebruikmaking van valse namen nietsvermoedende ondernemers benaderd teneinde op zeer grote schaal goederen te bestellen, niet zelden voor tienduizenden euro’s tegelijk. Daarbij schroomden de verdachte en zijn mededaders niet om eerst een aantal kleine facturen te betalen teneinde vertrouwen te wekken, zodat kort daarop een grote slag kon worden geslagen.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

  • Feit 2: medeplegen van een gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren.

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren en zes maanden.

De vordering tot oplegging van de bijkomende straf van ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van statutair bestuurder wordt afgewezen. Deelname aan een criminele organisatie, zoals bewezen onder 1, is niet een bij de wet bepaald geval dat oplegging van een dergelijke bijkomende straf mogelijk maakt. Voor wat betreft feit 2, het medeplegen aan flessentrekkerij, geldt dat niet vastgesteld kan worden dat de verdachte statutair bestuurder is geweest van [zaak 8] noch dat hij het feit heeft begaan in de uitoefening van dat beroep, hetgeen voor oplegging van de bijkomende straf van ontzetting uit een beroep wel een vereiste is ex artikel 339, eerste lid Sr. Oplegging van de gevorderde straf zou derhalve in strijd zijn met de wet.

Gezien de ernst van het onder 2 bewezen verklaarde en ter bescherming van de maatschappij zal het hof ter zake van dat feit als bijkomende straf de openbaarmaking van dit arrest gelasten. De openbaarmaking zal dienen te geschieden door middel van ongeanonimiseerde publicatie van dit arrest op www.rechtspraak.nl. Aangezien hiermee geen op de verdachte te verhalen kosten gemoeid zijn, zal het hof met toepassing van artikel 36, tweede lid, Sr de kosten van openbaarmaking op nihil schatten en zal het geen toepassing geven aan artikel 24c Sr.

Lees hier de volledige uitspraak.


Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF