Naast plegen van faillissementsfraude heeft verdachte voor bank gespeeld zonder vergunning en nagelaten om cliëntenonderzoek (Wwft) te verrichten

Rechtbank Amsterdam 7 december 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:9877

Verdachte heeft zich als bestuurder van zijn BV schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. Hij heeft vanaf het begin alleen maar de lusten genoten en niet de lasten gedragen. Verdachte heeft geen belasting betaald en geen pensioenpremies afgedragen en voor zover hij al iets administreerde, heeft hij daar een potje van gemaakt. Er is meer dan €200.000 van de rekening van de bv opgenomen. Verdachte heeft door geld aan de boedel te onttrekken en door zijn administratieve verplichtingen te verzaken de schuldeisers van de bv, waaronder de fiscus, financieel benadeeld.

Daar komt bij dat verdachte voor bank is gaan spelen terwijl hij daar geen vergunning voor had en ook de kennis ontbeerde. Verdachte heeft nagelaten om cliëntenonderzoek als bedoeld in de Wwft te verrichten en heeft geen melding gemaakt van ongebruikelijke transacties. Verdachte heeft door zijn nalatigheid de overheid de mogelijkheid ontnomen om zicht te krijgen op geldstromen die kunnen duiden op criminaliteit en om achterliggende strafbare feiten op te sporen.

Verdenking

Aan verdachte is door middel van een nadere omschrijving ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, kort samengevat, ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de volgende misdrijven:

  • Bedrieglijke bankbreuk (artikel 343 (oud) van het Wetboek van Strafrecht) subsidiair feitelijk leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk begaan door een rechtspersoon (artikel 51 en 341 (oud) van het Wetboek van Strafrecht).

  • Zonder vergunning van de Nederlandsche Bank bedrijfsmatig verlenen van betaaldiensten (het ontvangen en doorzetten van betalingen voor derden) (artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht).

  • Als instelling (betaaldienstverlener) niet verrichten van cliëntenonderzoek (artikel 3 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme).

  • Als instelling (betaaldienstverlener) niet melden van ongebruikelijke transacties (artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme).

Kan het ten laste gelegde worden bewezen?

Bedrieglijke bankbreuk (faillissementsfraude)

Verdachte wordt onder 1 verweten dat hij zich in de periode van 18 september 2014 tot en met 8 december 2015 heeft schuldig gemaakt aan faillissementsfraude (benadeling van de rechten van schuldeisers) door kort gezegd goederen (geldbedragen) aan de boedel van zijn Naam B.V., waarvan hij de bestuurder was, te onttrekken en door geen deugdelijke administratie bij te houden en zijn administratie niet in haar geheel aan de curator in het faillissement van Naam B.V. te overhandigen.

Uit het dossier blijkt onder meer het volgende. Verdachte heeft samen met een vriend een schoonmaakbedrijf opgestart en op 3 mei 2011 hebben zij dat bedrijf, een vennootschap onder firma (vof), genaamd Naam B.V., bij de Kamer van Koophandel ingeschreven. Nadat de vennoten uit elkaar waren gegaan, is de vof omgezet naar een eenmanszaak. Mede omdat verdachte met zijn eenmanszaak geen offertes kon indienen bij scholen waar hij met zijn bedrijf schoonmaakwerkzaamheden wilde gaan uitvoeren, heeft hij op 18 september 2014 een bv overgenomen en ingeschreven in het Handelsregister. Deze bv heeft hij Naam B.V. genoemd. Verdachte was enig aandeelhouder en enig bestuurder van deze bv. Op 9 september 2015 heeft de rechtbank Amsterdam een faillissementsaanvraag ter zake van Naam B.V. ontvangen en op 8 december 2015 heeft zij het faillissement uitgesproken. Er is toen ook een curator benoemd. Laatstgenoemde heeft een melding van faillissementsfraude gedaan.

Uit onderzoek is gebleken dat verdachte zich als bestuurder van Naam B.V. van meet af aan niet aan zijn verplichtingen heeft gehouden. Hij heeft vanaf het begin de aanslagen loonheffing onbetaald gelaten, geen omzetbelasting betaald en geen pensioenpremies afgedragen. Verdachte heeft ook zijn administratieve verplichtingen verzaakt. Hij heeft geen deugdelijke boekhouding bijgehouden of laten bijhouden; er was bijvoorbeeld geen winst- en verliesrekening en ook geen crediteuren- en debiteurenadministratie. Hierdoor was het voor de curator niet mogelijk de rechten en verplichtingen van de bv vast te stellen.

Uit onderzoek is gebleken dat in de periode van 31 oktober 2014 tot en met 6 december 2015 door middel van 120 geldopnames in totaal €176.190 is opgenomen van de bankrekening van Naam B.V. met de ABN AMRO-betaalpas die op Naam stond van Naam 1 (alias van verdachte) en Naam B.V. Het personeel van de bv heeft in totaal €35.882,10 contant aan salarissen betaald gekregen. Wat er met de rest van de contante opnames is gebeurd, is niet duidelijk of niet verantwoord. In de periode van 29 oktober 2014 tot en met 6 augustus 2015 is door klanten van Naam B.V. in totaal €68.333,48 overgemaakt naar de bankrekening van de eenmanszaak Naam B.V. Dat bedrag is dus niet op de rekening van de bv terechtgekomen terwijl dat wel had gemoeten.

Het is achteraf bezien duidelijk dat de bv vanaf het begin op een faillissement afstevende. De inkomsten werden contant opgenomen en sommige klanten maakten geld niet naar de rekening van de bv over. De bv voldeed niet aan haar financiële verplichtingen. Gelet op bovengenoemde bedragen is in totaal €208.641,38 aan de boedel onttrokken. Verdachte heeft door het niet voeren van een deugdelijke administratie op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat schuldeisers het nakijken hadden. De rechtbank merkt op dat zelfs als het zo zou zijn dat verdachte bepaalde handelingen niet heeft verricht of dat anderen hebben verzuimd aan bepaalde verplichtingen te voldoen, die omstandigheid verdachte niet kan baten, omdat hij (formeel) de bestuurder van de bv was. De slotsom is daarom dat het onder 1 ten laste gelegde kan worden bewezen.

Hoewel de curator heeft gemeld dat verdachte bij diverse gelegenheden is gevraagd de volledige administratie, boeken, bescheiden en gegevensdragers van zijn bv te overhandigen en hij daaraan niet heeft voldaan, kan niet worden bewezen dat hij, zoals is ten laste gelegd, in de periode van 18 september 2014 tot en met 8 december 2015 de administratie van Naam B.V. niet (geheel) heeft overhandigd aan de curator in het faillissement, omdat de curator pas vanaf 8 december 2015 in beeld is gekomen.

Bedrijfsmatig zonder vergunning van de Nederlandse Bank verlenen van betaaldiensten

Verdachte wordt onder 2 in de kern verweten dat hij zonder vergunning bedrijfsmatig betaaldiensten (geldtransfers) heeft verricht door op verzoek van Naam bedrijf 1 en/of Soedanese boeren contante geldbedragen in ontvangst te nemen, en die geldbedragen op de bankrekening van Naam B.V. of de bankrekening van verdachte h/o Naam B.V. eenmanszaak te storten en vervolgens geld over te maken naar de bankrekeningen van Naam bedrijf 3, Naam bedrijf 4 en/of Naam bedrijf 5.

Uit het dossier blijkt dat in de periode van 28 april 2015 tot en met 22 april 2016 door middel van 162 stortingen in totaal €895.000 op de bankrekening van Naam 1 h/o Naam B.V. is bijgeschreven en dat vervolgens kort na elke storting geld werd overgemaakt naar Naam bedrijf 3, Naam bedrijf 4 of Naam bedrijf 5. In de periode van 21 tot en met 23 september 2015 werd in totaal €39.500 aan contante bedragen gestort op de rekening die op Naam van verdachte en/of Naam B.V. stond. Op de dag dat er geldbedragen werden gestort, werd door middel van verschillende overboekingen in totaal een soortgelijk bedrag (€39.550) overgemaakt naar Naam bedrijf 3 telkens met omschrijving: Naam bedrijf 1.

Verdachte heeft in zijn derde verhoor bij de Fiod verklaard dat het voor boeren in Soedan niet mogelijk is om in Nederland zaden te kopen. De boeren mogen wel euro’s opnemen, maar zij kunnen vanuit Soedan geen banktransacties doen naar Nederland. De zadenbedrijven nemen echter geen contant geld aan, aldus verdachte. Hij heeft verder verklaard dat de boeren hem contant geld hebben gegeven dat hij vervolgens op een van zijn rekeningen stortte en dat hij ten slotte betalingen overmaakte naar de zadenbedrijven.

Artikel 2:3a lid 1 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) verbiedt het zonder vergunning van de Nederlandsche Bank uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener. Een betaaldienstverlener is degene die zijn bedrijf maakt van het verlenen van betaaldiensten (art. 1:1 Wft). Wat betaaldiensten zijn, wordt nader gespecificeerd in de bijlage van de Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007. Tot de betaaldiensten die deze bijlage noemt, behoren ‘geldtransfers’. De definitie van een ‘geldtransfer’ luidt: “een betalingsdienst waarbij, zonder opening van betaalrekeningen op Naam van de betaler of de begunstigde, van een betaler geldmiddelen worden ontvangen met als enig doel het daarmee corresponderende bedrag over te maken aan een begunstigde of aan een andere, voor rekening van de begunstigde handelende betalingsdienstaanbieder en/of waarbij de geldmiddelen voor rekening van de begunstigde worden ontvangen en aan de begunstigde beschikbaar worden gesteld” (artikel 4 lid 13 van de Richtlijn 2007/64/EG).

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte kan worden aangemerkt als betaaldienstverlener als bedoeld in artikel 1:1 Wft. Verdachte beschikte niet over een vergunning van de Nederlandsche Bank om betalingsdiensten te mogen verlenen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde – het zonder vergunning bedrijfsmatig verrichten van betaaldiensten – kan worden bewezen. Verdachte heeft toegegeven dat hij contant geld ontving, dat op een van zijn rekeningen stortte en vervolgens overmaakte naar het bedrijf waarvoor het geld was bestemd. Zijn verklaring wordt ondersteund door die van Naam 2. Gezien de omvang, de duur en de frequentie is de rechtbank tevens van oordeel dat verdachte daarvan een gewoonte heeft gemaakt.

Opzettelijke overtredingen van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme

Verdachte wordt samengevat onder 3 verweten als betaaldienstverlener opzettelijk geen cliëntenonderzoek te hebben verrichten en onder 4 dat hij als betaaldienstverlener opzettelijk geen melding heeft gedaan bij de Financiële inlichtingen eenheid van een groot aantal ongebruikelijke transacties (geldtransfers van 2000 euro of meer). Hem wordt tevens verweten dat hij van die misdrijven een gewoonte heeft gemaakt.

Uit artikel 1, lid 1, onderdeel a, sub 20° van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) zoals dat luidde ten tijde van het ten laste gelegde volgt dat onder ‘instelling’ onder meer wordt verstaan een betaaldienstverlener als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht.

Zoals is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verdachte kan worden aangemerkt als een betaaldienstverlener. Verdachte heeft erkend dat hij de (ongebruikelijke) transacties, zoals ten laste gelegd, heeft verricht. De rechtbank ziet geen aanleiding om verdachte niet aan zijn (bekennende) verklaring te houden, mede omdat die verklaring wordt ondersteund door de verklaring van Naam 2.

Verdachte heeft echter geen cliëntenonderzoek verricht en de ongebruikelijke transacties niet gemeld bij het meldpunt, hoewel hij daartoe verplicht was. Hij kan zich er niet op beroepen dat hij niet wist dat hij dat moest doen. De voorschriften van de Wwft betreffen ordeningsrecht. In het ordeningsrecht is niet vereist dat het opzet van verdachte ook is gericht op het niet naleven van de op de verdachte rustende wettelijke verplichting zoals het melden van ongebruikelijke transacties te melden aan het meldpunt. Het gaat om zogenoemd kleurloos opzet. Er hoeft met andere woorden niet te worden bewezen dat er wetenschap was van het feit dat sprake was van een ongebruikelijke transactie (Hoge Raad 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8783 en HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2684).

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat verdachte, gezien de duur (een jaar lang) en de hoeveelheid (gelijksoortige) transacties, er een gewoonte van heeft gemaakt geen cliëntenonderzoek te doen en ongebruikelijke transacties niet te melden.

Bewezenverklaring

  • Als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon enig goed aan de boedel onttrokken hebben, meermalen gepleegd en niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en het bewaren van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld.

  • Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:3a, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan, terwijl van het plegen van het misdrijf een gewoonte wordt gemaakt.

  • Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, opzettelijk begaan, terwijl van het plegen van het misdrijf een gewoonte wordt gemaakt.

  • Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, opzettelijk begaan, terwijl van het plegen van het misdrijf een gewoonte wordt gemaakt.

Strafoplegging

  • Gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 75 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

  • Taakstraf van 150 uur

Vordering van de benadeelde partij

De curator van Naam B.V. heeft zich als benadeelde partij in deze strafzaak gevoegd en vorderde aanvankelijk €174.635 + kosten van de curator. Het betreft de schade van de gezamenlijke crediteuren van Naam B.V. die is ontstaan door dat verdachte bedragen contant heeft opgenomen van de rekening van de bv.

Namens de curator is de vordering ter zitting gewijzigd. De benadeelde partij vordert in totaal €271.435,32 als schadevergoeding. Het betreft de contante opnames van de rekening (€176.190), een betaling voor een truck die niet is gebruikt voor het schoonmaakbedrijf dat de bv uitoefende en waarvoor de bv geen wederprestatie heeft ontvangen (€24.100), het incasseren van debiteuren van de bv op rekening van de eenmanszaak van verdachte (€107.027,42) minus €35.882,10 aan contant gedane salarisbetalingen.

De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren en daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte is niet persoonlijk aansprakelijk gesteld door de curator terwijl niet de bv maar verdachte wordt vervolgd. Ten tweede geldt dat de enkele omstandigheid dat de vordering van de curator, als één vordering namens de boedel aan de rechtbank wordt voorgelegd, de behandeling en beoordeling daarvan niet zonder meer eenvoudig maakt. Bij de beoordeling van de totale vordering moeten in verband met de hoogte van het eventueel toe te wijzen bedrag met betrekking tot vele afzonderlijk te beoordelen componenten van de vordering meerdere vragen door de rechtbank beantwoord worden. Het totaal van de pintransacties (hoogte van de onttrekkingen) is ook niet zonder meer gelijk te stellen aan het tekort in de boedel. Dit zou nader onderbouwd moeten worden, maar het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om de vordering nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op.

De raadsman heeft zich aangesloten bij het requisitoir van de officier van justitie en verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij wel kan worden ontvangen in haar vordering. De curator vordert de bedragen die verdachte in persoon heeft onttrokken aan de bv. Dit is een onrechtmatige gedraging die verdachte niet namens de bv verricht of laat verrichten, maar die verdachte zelf heeft verricht. Nu de rechtbank bewezen acht dat verdachte een bedrag van €208.641,38 aan de bv heeft onttrokken, zal de vordering tot dit bedrag worden toegewezen. Voor het overige zal de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF