Taakstraf voor bestuurder failliete rechtspersoon wegens niet voldoen aan wettelijke verplichtingen en boeken, bescheiden en andere gegevensdragers niet in ongeschonden staat tevoorschijn brengen

Rechtbank Oost-Brabant 12 maart 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:1334

Verdachte heeft niet voldaan aan de op haar als bestuurder van BV 1 rustende verplichting om de boekhouding van de door de vennootschap gedreven onderneming te bewaren en die op verzoek van de curator in ongeschonden staat te voorschijn te brengen. De afwikkeling van het faillissement is hierdoor bemoeilijkt, nu de curator is gehinderd in een tijdige vaststelling van de rechten en verplichtingen van de failliete rechtspersoon.

De geldigheid van de dagvaarding

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard voor wat betreft feit 2 (primair en subsidiair). Daartoe is het volgende aangevoerd. In de tenlastelegging is opgenomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een bedrag van afgerond €92.000. Niet blijkt waaruit het witwassen heeft bestaan en welke feitelijke handelingen verdachte worden verweten. Enige beschrijving van de feitelijke gedraging(en) ontbreekt in de tenlastelegging. Verder bevat het dossier geen afzonderlijk witwas-dossier en heeft de verdediging in het dossier geen onderliggende stukken met betrekking tot het verweten witwassen aangetroffen. Hiermee is het voor verdachte niet voldoende duidelijk waarvan zij wordt verdacht. Er is niet voldaan aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ook ten aanzien van feit 2 geldig is. Uit de tenlastelegging (met daarin verwijzing naar zaak 3 van het dossier) blijkt voldoende duidelijk wat verdachte wordt verweten.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt. Vooropgesteld dient te worden dat blijkens vaste jurisprudentie op zichzelf voldoende feitelijke betekenis toekomt aan de in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht genoemde gedragingen, zodat deze gedragingen geen nadere omschrijven behoeven. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de in de tenlastelegging genoemde gedragingen, in combinatie bezien met het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag en de verwijzing in de tenlastelegging naar “zaak 3 van het dossier”, bezien tegen de achtergrond van het gehele zaakdossier, voldoende duidelijk en concreet welke feitelijke gedragingen verdachte worden verweten. De onderliggende stukken die betrekking hebben op de verdenking bevinden zich in voornoemd zaakdossier. Aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering is dan ook voldaan. Het verweer van de verdediging wordt verworpen. De dagvaarding is, ook voor zover die ziet op feit 2, geldig.

Bewijs

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte zal worden vrijgesproken van het haar onder 1. primair, 2. primair en 3. primair ten laste gelegde. Zij hebben gevorderd dat de onder 1. subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan flessentrekkerij, het onder 2. subsidiair ten laste gelegde (schuld-)witwassen en de onder 3. subsidiair ten laste gelegde eenvoudige bankbreuk bewezen worden verklaard.

Met betrekking tot feit 1 subsidiair hebben de officieren van justitie – kort samengevat – aangevoerd dat de rol van verdachte inhield dat zij op verzoek van haar partner, medeverdachte, bedrijven op haar naam heeft gezet en bankrekeningen heeft geopend, waarmee zij het voor medeverdachte mogelijk heeft gemaakt om bovengenoemd delict te plegen. Verdachte heeft zich vervolgens niet meer met de bedrijven of bankrekeningen bemoeid, maar heeft de controle daarover geheel aan medeverdachte gelaten. Onder meer op basis van de eerdere veroordelingen van medeverdachte wist verdachte dat de bedrijven en bankrekeningen door hem werden gebruikt voor het plegen van flessentrekkerij.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair hebben de officieren van justitie naar voren gebracht dat BV 1 goederen, waarvan dat bedrijf op geen enkel moment rechtmatig eigenaar is geworden, heeft doorverkocht. De opbrengst is op de bankrekening van BV 1 terechtgekomen en een gedeelte hiervan, te weten €92.478,75, is overgemaakt naar de privérekening van verdachte. Verdachte heeft dus beschikt over geld dat van misdrijf afkomstig was. Verdachte heeft dit geweten of had dit minst genomen moeten weten, te meer nu zij bestuurder was van BV 1 en het dus op haar weg lag om kennis te nemen van de geldstromen rond die onderneming.

Ter zake van feit 3 subsidiair hebben de officieren van justitie aangevoerd dat verdachte niet heeft voldaan aan de boekhoudplicht en de inlichtingenverplichtingen toen sprake was van het faillissement van BV 1, terwijl zij dit als bestuurder wel had moeten doen. Nu op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte dit opzettelijk heeft nagelaten, hebben de officieren van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit.

Met betrekking tot feit 1 heeft de verdediging onder meer aangevoerd dat op grond van het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte op strafrechtelijke wijze betrokken is geweest bij de door medeverdachte gepleegde flessentrekkerij. Verdachte heeft verklaard dat zij hiervan nooit enige kennis heeft gehad, wat bevestiging vindt in de verklaring van medeverdachte. Van opzet op het strafbare feit kan daarom geen sprake zijn. Evenmin is sprake van opzet op het leveren van een bijdrage daaraan. De verdediging kan zich niet vinden in de redenering van de officieren van justitie dat verdachte op basis van het verleden van medeverdachte had moeten weten dat hij zich mogelijk (weer) met criminele activiteiten bezighield.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig is. Bovendien blijkt niet van wetenschap bij verdachte omtrent de mogelijke criminele herkomst van dat geldbedrag.

Ter zake van feit 3 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte ervan uit ging dat de door haar aan de curator verstrekte administratie volledig was. Zij heeft erop vertrouwd dat de administratie volledig en op de juiste wijze werd verzorgd door het boekhoudkantoor. Bovendien is het niet uit te sluiten dat er administratie door medeverdachte is achtergehouden. Concluderend kan niet worden vastgesteld dat verdachte met opzet dan wel verwijtbaar heeft gehandeld.

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraakoverweging t.a.v. feit 1 (primair en subsidiair)

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat medeverdachte in de periode van 1 maart 2013 tot en met 1 juni 2015 een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zichzelf of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren. Feitelijk komt de verboden gedraging van medeverdachte erop neer dat hij op grote schaal, bij verschillende bedrijven, goederen heeft gekocht zonder hiervoor te betalen. Dit strafbare handelen wordt ook wel aangemerkt als ‘flessentrekkerij’.

Primair is verdachte ten laste gelegd dat zij deze flessentrekkerij heeft (mede-)gepleegd. Subsidiair wordt verdachte verweten – kort samengevat – dat zij medeverdachte, zijnde haar partner, opzettelijk behulpzaam is geweest bij of gelegenheid heeft verschaft tot het plegen van dat feit, door bedrijven op haar naam te zetten en bankrekeningen te openen waarvan gebruik is gemaakt bij het plegen van die strafbare gedragingen.

Om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van het aan verdachte primair dan wel subsidiair ten laste gelegde feit, dient op zijn minst vast te komen staan dat verdachte zich er min of meer van bewust was dat door medeverdachte op grote schaal bij verschillende bedrijven goederen werden gekocht met het oogmerk daar niet voor te betalen.

Verdachte heeft verklaard nooit enige kennis te hebben gedragen van de strafbare gedragingen van haar partner. Ter zake van de op haar naam gestelde bedrijven en bankrekeningen heeft verdachte verklaard dat zij hier geen feitelijke bemoeienis mee heeft gehad. Medeverdachte had de feitelijke leiding binnen de bedrijven; hij was degene die bestellingen plaatste en die zich bezighield met de financiële afwikkeling daarvan. Verdachte ging uit van de informatie die medeverdachte haar over de bedrijfsactiviteiten verstrekte. Verdachte heeft verklaard dat medeverdachte haar nooit iets over zijn strafbare gedragingen heeft verteld. Bij de politie en als getuige ter terechtzitting heeft medeverdachte deze lezing in grote lijnen bevestigd.

De rechtbank is, het voorgaande in aanmerking genomen, van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte zich min of meer bewust was van de verboden gedragingen van medeverdachte. Het procesdossier biedt op dit punt onvoldoende aanknopingspunten. De redenering van de officieren van justitie – inhoudende dat verdachte, op grond van de omstandigheid dat medeverdachte eerder is veroordeeld ter zake van flessentrekkerij, wist dat medeverdachte de op naam van verdachte gestelde bedrijven en bankrekeningen gebruikte voor het plegen van flessentrekkerij – volgt de rechtbank gelet op het voorgaande niet.

Concluderend acht de rechtbank de onder 1. primair en subsidiair ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Vrijspraakoverweging t.a.v. feit 2 (primair en subsidiair)

Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat zij – kort samengevat – de werkelijke herkomst heeft verhuld van een geldbedrag van €92.478,75, waarvan zij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit geldbedrag van misdrijf afkomstig was. Subsidiair wordt haar verweten dat zij dit geldbedrag heeft gebruikt of voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit geldbedrag van misdrijf afkomstig was.

De rechtbank stelt vast dat het zaakdossier aanwijzingen bevat dat het geldbedrag van €92.478,75 van misdrijf afkomstig is. Verder stelt de rechtbank vast dat dit bedrag (in gedeeltes) is overgemaakt van de bankrekening van BV 1 naar de privérekening van verdachte. Dit roept vragen op, te meer nu verdachte heeft verklaard dat normaliter enkel de salarissen van haarzelf en van medeverdachte (à ongeveer €2.500) van de rekening van BV 1 op haar privébankrekening werden overgemaakt.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat het zaakdossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om vast te kunnen stellen dat verdachte wetenschap had van de criminele herkomst van het op haar bankrekening gestorte van €92.478,75, en evenmin dat zij met de voor schuldwitwassen vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld. Verdachte zal daarom van het primair en het subsidiair ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

Vrijspraakoverweging t.a.v. feit 3 primair

De rechtbank is met de officieren van justitie en de verdediging van oordeel dat het verdachte onder 3 primair ten laste gelegde niet kan worden bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Bijzondere bewijsoverwegingen t.a.v. feit 3

Krachtens de eerste leden van de artikelen 2:10 en 3:15i van het Burgerlijk Wetboek was verdachte als bestuurder van BV 1 gehouden om over de periode tot datum faillissement van de vermogenstoestand en van alles betreffende de werkzaamheden van de vennootschap op zodanige wijze een administratie te voeren en de gevoerde administratie vervolgens, ook na datum faillissement, zo te bewaren dat daaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen konden worden gekend.

De in deze artikelen genoemde verplichting om een administratie te voeren, houdt op vanaf het faillissement van de rechtspersoon, dus in dit geval vanaf 3 februari 2015. Gelet op de tenlastegelegde periode is de rechtbank anders dan de officieren van justitie van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van dat deel van de tenlastelegging dat ziet op het voeren van de administratie.

Verdachte heeft verklaard alle administratie waarover zij beschikte aan de curator te hebben uitgeleverd. Uit de aangifte van de curator blijkt echter dat verdachte geen (volledige) administratie van BV 1 aan de curator heeft overhandigd, ondank herhaalde verzoeken daartoe. Een (volledige) administratie is evenmin bij verdachte aangetroffen.

Op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen om de administratie te bewaren en de (volledige) administratie aan de curator ter beschikking te stellen. De rechtbank is voorts van oordeel dat het niet voldoen aan deze verplichtingen aan verdachte kan worden verweten. Van een bestuurder mag immers worden verwacht dat zij het bestaan en de omvang van haar wettelijke verplichtingen kent en die ook naleeft. De omstandigheid dat verdachte de boekhouding liet verzorgen door een professioneel, extern boekhoud-kantoor, ontslaat verdachte niet van haar eigen bestuurlijke verantwoordelijkheden.

De strafbaarheid van verdachte

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld, omdat bij verdachte opzet ontbrak en zij niet verwijtbaar heeft gehandeld.

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie zijn van mening dat het beroep moet worden verworpen. Zij wijzen erop dat ook in geval de administratie wordt uitbesteed aan een derde, verdachte daarvoor verantwoordelijk blijft.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de raadsvrouw van verdachte niet meer heeft gesteld dan dat verdachte geen opzet had op de gedraging en dat zij niet verwijtbaar heeft gehandeld. De raadsvrouw heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de haar verweten gedraging, zoals is vereist voor een geslaagd beroep op afwezigheid van alle schuld (vergelijk bijvoorbeeld Hoge Raad 9 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1490). Het beroep wordt daarom verworpen.

Bewezenverklaring

  • Feit 3 subsidiair: Als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, aan haar te wijten zijn, dat aan de in artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek omschreven verplichtingen niet is voldaan en dat de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers niet in ongeschonden staat tevoorschijn zijn gebracht.

Strafoplegging

  • Taakstraf voor de duur van 72 uren subsidiair 36 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht

Ambtshalve overweegt de rechtbank dat met ingang van 1 juli 2016, derhalve ná de periode waarin het bewezenverklaarde feit is begaan, de wetsbepaling is gewijzigd waarbij eenvoudige bankbreuk bij rechtspersonen strafbaar is gesteld. Het nieuwe artikel 344b van het Wetboek van Strafrecht wijkt niet ten voor- of ten nadele van verdachte af van het oude artikel 342 aanhef en onder 3 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank gaat daarom uit van de wettelijke bepaling die gold op het moment dat het bewezenverklaarde feit is begaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF