Verdachte heeft als medebestuurder van een stichting samen met medeverdachte grote geldbedragen uit deze stichting onttrokken die op dat moment noodlijdend was

Rechtbank Overijssel 22 november 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:4470

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. Verdachte is samen met medeverdachte bestuurder van stichting geworden toen stichting reeds noodlijdend was, onder het mom dat met een investering door medeverdachte het bedrijf van de ondergang gered zou kunnen worden. Behoudens het met geleend geld betalen van één crediteur ter afwending van een faillissement, heeft medeverdachte uiteindelijk niet in stichting geïnvesteerd, terwijl verdachte en medeverdachte wel grote geldbedragen aan stichting hebben onttrokken en naar rekeningen van andere vennootschappen van medeverdachte hebben overgeboekt. Verdachte en medeverdachte hebben daarnaast nagelaten om een deugdelijke administratie te voeren.

Verdenking

De verdenking komt er, na een wijziging van de tenlastelegging van 1 november 2018, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

  • Feit 1: al dan niet samen met anderen feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk door stichting door geldbedragen aan de boedel te onttrekken, dan wel dat verdachte al dan niet samen met stichting en/of anderen bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd door geldbedragen aan de boedel te onttrekken;

  • Feit 2: zich al dan niet samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen van €387.500;

  • Feit 3: al dan niet samen met anderen feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk door stichting door niet te voldoen aan de verplichting tot het voeren, bewaren en/of te voorschijn brengen van een deugdelijke administratie, dan wel dat verdachte al dan niet samen met stichting en/of anderen bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd door niet te voldoen aan de verplichting tot het voeren, bewaren en/of te voorschijn brengen van een deugdelijke administratie;

  • Feit 4: al dan niet samen met anderen feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk door bedrijf 1 door niet te voldoen aan de verplichting tot het voeren, bewaren en/of te voorschijn brengen van een deugdelijke administratie, dan wel dat verdachte al dan niet samen met bedrijf 1 en/of anderen bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd door niet te voldoen aan de verplichting tot het voeren, bewaren en/of te voorschijn brengen van een deugdelijke administratie;

  • Feit 5: al dan niet samen met anderen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse inschrijvingsformulieren van de Kamer van Koophandel voorzien van een valse handtekening.

De geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank stelt vast dat onder 1 aan verdachte ten laste is gelegd dat hij al dan niet samen met anderen feitelijk leiding heeft gegeven aan bedrieglijke bankbreuk door stichting, althans dat hij samen met stichting en/of anderen bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd. Dit verwijt is zowel primair als subsidiair nader feitelijk uitgewerkt in twee gedachtestreepjes betreffende overboekingen vanaf de rekening van stichting naar bedrijf 1 en overboekingen vanaf de rekening van stichting naar bedrijf 2. Die weergave wordt voorafgegaan door de woorden ‘onder meer’. De rechtbank is van oordeel dat de woorden ‘onder meer’ een uitbreiding van de daarna genoemde overboekingen inhoudt, als gevolg waarvan niet meer duidelijk is waartegen de verdediging zich moet verweren en waarover de rechtbank een oordeel moet vellen. De tenlastelegging is dan ook partieel nietig voor wat betreft de geplaatste woorden ‘onder meer’.

Bewijsoverwegingen

Feiten 1, 2 en 3: stichting

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk door stichting door geldbedragen aan de boedel te onttrekken (feit 1 primair) en niet aan de administratieplicht te voldoen (feit 3 primair), dan wel dat hij samen met stichting op deze wijze bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd (feiten 1 en 3 subsidiair) en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen van €387.500- (feit 2).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zicht op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 primair ten laste gelegde tezamen en in vereniging met medeverdachte heeft begaan. Daartoe heeft de officier van justitie gesteld dat verdachte en medeverdachte goederen aan stichting hebben onttrokken door gelden over te boeken vanaf de bankrekening van stichting naar de bankrekeningen van bedrijf 1 en bedrijf 2, op een moment dat stichting afstevende op een faillissement, en dat zij hebben nagelaten om een deugdelijke administratie te voeren op een moment dat stichting afstevende op een faillissement. Verdachte en medeverdachte hebben bovendien door gebruik te maken van de bankrekeningen van bedrijf 1 en bedrijf 2 en de gebruikte omschrijvingen bij de overboekingen getracht te verhullen dat die overboekingen ten onrechte plaatsvonden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van een onttrekking, omdat de gelden slechts elders werden geparkeerd teneinde die gelden beschikbaar te houden voor de betaling van personeel en andere vaste lasten. Subsidiair kan om die reden niet worden bewezen dat verdachte ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft gehandeld. Indien en voor zover de naar bedrijf 1 en bedrijf 2 door geboekte gelden niet ten behoeve van stichting zijn gebruikt, heeft verdachte daar bovendien geen betrokkenheid bij gehad. Verdachte had geen toegang tot die bankrekeningen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman eveneens aangevoerd dat verdachte niet wist dat de van stichting naar bedrijf 1 en bedrijf 2 overgeboekte gelden voor andere doeleinden dan stichting werden gebruikt. Dat de door verdachte van bedrijf 1 en bedrijf 2 ontvangen gelden van misdrijf afkomstig waren wist hij bovendien niet en kon hij ook niet weten, aangezien hij geen toegang tot die rekeningen had.

Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte en medeverdachte een ondeugdelijke administratie van naam 1 overgedragen hebben gekregen en dat verdachte heeft geprobeerd om de administratie in orde te maken. De staat van de aangetroffen administratie kan bovendien niet geverifieerd worden. Volgens de verdediging kan niet bewezen worden dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om rechten van schuldeisers te verkorten.

Het oordeel van de rechtbank

Stichting is een in 2004 opgerichte stichting die zich voornamelijk bezig hield met het verlenen van thuiszorg, vrouwenhulpverlening, uitzendzorg en kinderopvang. Tot 8 augustus 2011 was mevrouw naam 1 bestuurder van de stichting. Van 8 augustus 2011 tot 30 december 2011 waren verdachte en medeverdachte bestuurders van de stichting.

Op 8 mei 2012 is stichting door de rechtbank Amsterdam in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. N. Wilderink tot curator.

De onttrekkingen aan de boedel

De rechtbank overweegt dat van onttrekking van een goed aan de boedel sprake is indien een vermogensbestanddeel dat rechtens onder bereik en beheer van de curator in het faillissement behoort te komen, voorafgaand aan of tijdens het faillissement buiten diens bereik en beheer wordt gesteld.

Uit het dossier blijkt dat vanaf de bankrekening met nummer rekeningnummer 3 ten name van stichting de volgende spoedoverboekingen naar het bankrekeningnummer rekeningnummer 1 ten name van bedrijf 1 zijn gedaan:

  • op 16 november 2011 een bedrag van €50.000- onder vermelding van ‘intermagement afspraak stichting ’

  • op 16 november 2011 een bedrag van €45.000- onder vermelding van ‘intermagement afspraak stichting ’

  • op 16 januari 2012 een bedrag van €40.000- onder vermelding van ‘intermagement afspraak stichting ’

  • op 16 januari 2012 een bedrag van €1.000- onder vermelding van ‘intermagement afspraak stichting ’.

  • bedrijf 1 is een op 30 oktober 2009 opgerichte buitenlandse vennootschap waarvan medeverdachte medeverdachte sinds 30 augustus 2010 enig bestuurder was.

Vanaf de rekening met nummer rekeningnummer 3 ten name van stichting zijn de volgende (spoed)overboekingen naar rekeningnummer rekeningnummer 2 ten name van bedrijf 2 gedaan:

  • op 5 augustus 2011 een bedrag van €50.000 onder vermelding van ‘T.b.v. afspraken doorstart stichting (lonen incl)’

  • op 17 augustus 2011 een bedrag van €44.000- onder vermelding van ‘inzake doorstart stichting, volgens afspraak’

  • op 19 september 2011 een bedrag van €50.000- onder vermelding van ‘intermagement afspraak’

  • op 19 september 2011 een bedrag van €42.500- onder vermelding van ‘intermagement afspraak’

  • op 20 september 2011 een bedrag van €3.500- onder vermelding van ‘intermagement afspraak’

  • op 10 oktober 2011 een bedrag van €50.000- onder vermelding van ‘intermagement afspraak’

  • op 10 oktober 2011 een bedrag van €12.500- onder vermelding van ‘intermagement afspraak’.

medeverdachte was vanaf 27 juni 2008 bestuurder van bedrijf 2.

De rechtbank concludeert gelet op de hiervoor uiteengezette feiten en omstandigheden dat gelden aan het vermogen van stichting zijn onttrokken en daarmee buiten het bereik en het zicht van de curator zijn gesteld. Verdachte heeft niet aangetoond dat deze bedragen ten behoeve van stichting zijn besteed. Ook de medeverdachte medeverdachte is er niet in geslaagd aan dit aan te tonen. Het dossier bevat weliswaar aanwijzingen dat er crediteuren van stichting zijn betaald met de naar bedrijf 1 en bedrijf 2 vanuit stichting overgeboekte gelden, maar bevat ook sterke aanwijzingen dat een deel van de gelden van stichting via de bankrekeningen van bedrijf 1 en bedrijf 2 voor andere (privé) doeleinden is gebruikt.

De rechtbank stelt gelet hierop vast dat enig geldbedrag aan de boedel is onttrokken.

Ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers

De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat de in 341 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr) gebezigde bewoordingen 'ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers' tot uitdrukking brengen dat de verdachte het opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers, dat voorwaardelijk opzet in dat verband voldoende is en dat dus voor het bewijs van het opzet ten minste is vereist dat de handeling van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan.Voorts overweegt de rechtbank dat de gedragingen moeten hebben kunnen leiden tot benadeling van de faillissementsschuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden. Van benadeling is sprake indien als gevolg van de gedraging het actief van het faillissement – de failliete boedel, het onderpand van de faillissementscrediteuren – minder is dan het anders zou zijn geweest, waardoor het ontoereikend of nog meer ontoereikend is geworden om alle schuldeisers in het faillissement daaruit te betalen.

Medeverdachte heeft verklaard dat uit de eerste contacten met stichting bleek dat stichting een investeerder zocht en een kapitaalinjectie nodig had, omdat het anders om zou vallen. Omdat er constant beslagen op de bankrekening van stichting werden gelegd heeft medeverdachte gelden die op de bankrekening van stichting binnenkwamen doorgeboekt naar de bankrekeningen van bedrijf 1 en bedrijf 2. Verdachte wist hiervan. Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij en medeverdachte door geld over te boeken naar bedrijf 1 en bedrijf 2 niet ter bedrieglijke verkorting van de schuldeisers hebben gehandeld, omdat zij nog in afwachting waren van de opbrengst van de verkoop van een jachthaven door medeverdachte en verdachte de aanmerkelijke kans op de verkorting van de rechten van de schuldeisers derhalve niet heeft aanvaard.

De rechtbank overweegt dat wat er ook zij van de verklaring van verdachte dat hij de kans op benadeling van de schuldeisers niet heeft aanvaard, de gedragingen van verdachte en medeverdachte daarmee in strijd waren. Verdachte en medeverdachte hebben immers, wetende dat stichting in een financieel penibele situatie zat, de benodigde kapitaalinjectie nog niet was gedaan en er constant beslagen op de bankrekening werden gelegd, geld onttrokken aan het vermogen van stichting en die gelden niet aantoonbaar ten behoeve van stichting besteed. Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er vanaf augustus 2011 een aanmerkelijke kans op een faillissement bestond en dat verdachte en medeverdachte de aanmerkelijke kans dat een faillissement zou volgen en dat de schuldeisers in het latere faillissement door de gedragingen zouden worden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden bewust hebben aanvaard.

De administratie

De rechtbank overweegt dat de in artikel 3:15i BW opgenomen eis dat een ieder die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent, verplicht is om van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn bedrijf of beroep – kort gezegd – een deugdelijke administratie te voeren, op grond van de jurisprudentie aldus moet worden begrepen dat daaraan is voldaan indien de boekhouding van een zodanig niveau is dat men snel inzicht kan krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment en deze posities en de stand van de liquiditeiten, gezien de aard en omvang van de onderneming, een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie. Naast de debiteuren- en crediteurenpositie en de stand van de liquiditeiten kunnen echter ook andere elementen van belang zijn voor het antwoord op de vraag of de boekhouding aan de daaraan te stellen eisen voldoet.

De rechtbank concludeert op grond van de in de bewijsbijlage weergegeven verklaringen van de curator, naam 2 en naam 3 dat stichting geen deugdelijke administratie heeft gevoerd, aangezien niet snel inzicht kon worden verkregen in de debiteurenpositie wegens het ontbreken van de urenadministratie en ook andere voor een onderneming van deze aard en omvang relevante stukken om een redelijk inzicht in de vermogenspositie van de onderneming te kunnen krijgen, ontbraken. De rechtbank overweegt dat wat er ook zij van de stelling van verdachte dat zij een niet deugdelijke administratie van naam 1 overgedragen hebben gekregen, verdachte en medeverdachte op de hoogte waren van het feit dat de administratie gebrekkig was en dat zij hebben nagelaten om maatregelen te treffen om de administratie op orde te brengen, behoudens het bij elkaar zoeken en voegen van papieren hetgeen in dit verband onvoldoende is. Bovendien is ook over de periode waarin verdachte en medeverdachte zelf (feitelijk) bestuurder waren van stichting geen deugdelijke administratie gevoerd. Nu verdachte en medeverdachte vanaf augustus 2011 wisten dat de financiële situatie van de onderneming zo penibel was dat een faillissement dreigde, maar zij desondanks hebben nagelaten om maatregelen te nemen om de administratie op orde te brengen, hebben zij naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat schuldeisers in het faillissement hierdoor zouden worden benadeeld. De curator in het faillissement zou immers zonder deugdelijke administratie niet in staat zijn om de rechten en plichten van de failliete onderneming te kennen.

De rechtbank overweegt voorts dat voor zover de administratie wel was gevoerd, deze niet te voorschijn is gebracht. Verdachte heeft tijdens een gesprek met de curator op 3 juli 2012 toegezegd de administratie van stichting voor 1 augustus 2012 aan de curator te verstrekken, hetgeen hij niet heeft gedaan. Verdachte en medeverdachte hebben bovendien de digitale administratie niet aan de curator verstrekt, terwijl die administratie er wel was. De digitale administratie is immers bij medeverdachte thuis aangetroffen tijdens een doorzoeking.

De strafbaarheid van stichting en het feitelijk leidinggeven

De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor strafbaarheid van stichting is voldaan, aangezien stichting geadresseerde is van de norm en de verboden gedragingen en de opzet van verdachte en medeverdachte aan stichting kunnen worden toegerekend. De verboden gedragingen hebben in de sfeer van de rechtspersoon plaatsgevonden nu zij zijn verricht door de (enige) twee bestuurders van stichting, de gedragingen in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon passen, de (bestuurders van de) rechtspersoon invloed kon(den) uitoefenen op de gedragingen en de gedragingen gelet op de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon zijn aanvaard. Eveneens kan het opzet van verdachte en medeverdachte, nu zij formeel en feitelijk bestuurder waren, aan stichting worden toegerekend.

De rechtbank acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen. Verdachte was immers degene die zich naar eigen zeggen ‘een slag in de rondte heeft gewerkt’ om de administratie op orde te krijgen. Hij wist vanuit die taak en verantwoordelijkheid dat zijn medebestuurder medeverdachte grote geldbedragen onttrok aan het vermogen van stichting door deze over te boeken naar bedrijf 1 en bedrijf 2. Verdachte heeft nagelaten te controleren waar het geld voor werd gebruikt en heeft geen maatregelen getroffen om te voorkomen dat het geld niet aantoonbaar aan stichting werd besteed, hoewel hij daartoe gelet op zijn positie binnen de onderneming bevoegd en gehouden was. Dit geldt te meer nu zowel hij als zijn partner geldbedragen kregen overgeboekt vanaf de rekeningen van bedrijf 1 en bedrijf 2 terwijl zij geen relatie tot die ondernemingen hadden.

De conclusie

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair en 3 primair ten laste gelegde.

Het witwassen

Aan verdachte is onder feit 2 ten laste gelegd dat hij tezamen en in vereniging met een ander geld heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet door geldbedragen van de bankrekening van stichting naar de bankrekeningen van bedrijf 1 en bedrijf 2 over te boeken, terwijl hij wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat deze geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. Het Openbaar Ministerie heeft derhalve in haar tenlastelegging het onderliggende misdrijf, te weten de onttrekking van geld aan stichting door overboekingen te doen naar bedrijf 1 en bedrijf 2, aangemerkt als de feitelijke witwashandeling. De ten laste gelegde witwashandeling is kortom het onderliggende misdrijf zelf.

Naar het oordeel van de rechtbank kan dit niet tot een bewezenverklaring leiden, aangezien aan de ten laste gelegde feitelijke witwashandeling geen misdrijf vooraf is gegaan.

De rechtbank spreekt verdachte derhalve vrij van het onder 2 ten laste gelegde.

Feit 4: bedrijf 1

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, aangezien niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte enige betrokkenheid bij het ten laste gelegde feit heeft gehad.

Feit 5: opzettelijk gebruik van valse documenten

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij al dan niet samen met anderen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse inschrijvingsformulieren van de Kamer van Koophandel voorzien van een vervalste handtekening.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het ten laste gelegde tezamen en in vereniging met medeverdachte heeft begaan. De officier van justitie heeft haar standpunt gebaseerd op de aangifte door mevrouw naam 1, de verklaring van getuige getuige dat verdachte en medeverdachte hem hebben verteld dat ze de handtekening van mevrouw naam 1 hadden nagemaakt en het feit dat mevrouw naam 1 op het moment dat de wijzigingen bij de Kamer van Koophandel werden doorgevoerd in Suriname verbleef.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de formulieren vals zijn. Verdachte heeft gesteld dat mevrouw naam 1 op blanco inschrijfformulieren van de Kamer van Koophandel haar handtekening heeft gezet en dat wat nadien is ingevuld en naar de Kamer van Koophandel is gestuurd overeenstemde met de bedoeling van partijen.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte wordt verweten dat hij, al dan niet samen met medeverdachte, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van twee vervalste formulieren van de Kamer van Koophandel voorzien van een vervalste handtekening van mevrouw naam 1. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van mevrouw naam 1 dat de handtekening op de twee ten laste gelegde formulieren niet door haar is gezet onvoldoende door ander bewijs wordt gesteund.

De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Bewezenverklaring

  • Feit 1 primair en 3 primair:bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Strafoplegging

Voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maandenmet een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 120 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.


Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF