Oplegging bestuursverbod voor 5 jaar op verzoek van OM aan veelpleger die betrokken was bij 109 vennootschappen

Rechtbank Midden-Nederland 19 december 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:6261 (Civiel recht)

Het OM, in de persoon van officier van justitie mr. J.C.G. van der Wulp, heeft op 6 september 2018 een verzoekschrift ingediend. Vervolgens zijn het OM en belanghebbende uitgenodigd voor een mondelinge behandeling. De vijftien rechtspersonen waarvan belanghebbende bestuurder is, zijn opgeroepen om hun zienswijze te geven. Daarop hebben zij niet gereageerd.

Het verzoek en de beoordeling

Belanghebbende is de afgelopen jaren als bestuurder en/of aandeelhouder betrokken geweest bij 109 rechtspersonen, waarvan een groot deel is ontbonden en/of failliet is verklaard. Momenteel is belanghebbende bestuurder van vijftien rechtspersonen. Vier daarvan zijn in 2017 en 2018 failliet verklaard, namelijk rechtspersoon 1 B.V., rechtspersoon 2 B.V., rechtspersoon 3 B.V. en rechtspersoon 4 B.V. Het faillissement van deze B.V.’s is nog niet afgewikkeld.

De (drie verschillende) curatoren in de faillissementen van rechtspersoon 1, rechtspersoon 2 en rechtspersoon 3 hebben melding gemaakt van vermoedelijke faillissementsfraude bij het fraudemeldpunt van de belastingdienst. Met name was steeds de administratie niet op orde, om het zacht uit te drukken.

Volgens het OM is belanghebbende een veelpleger van faillissementsfraude en moet hem persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt van de faillissementen van rechtspersoon 1, rechtspersoon 2 en rechtspersoon 3. Het OM ziet belanghebbende als stroman. Het OM wil voorkomen dat belanghebbende nog meer schade veroorzaakt als bestuurder van verschillende rechtspersonen en verzoekt de rechtbank:

I. belanghebbende te schorsen als bestuurder van twaalf rechtspersonen voor de duur van het geding;

II. belanghebbende een bestuursverbod op te leggen als bedoeld in artikel 106a e.v. Fw, voor de duur van vijf jaar;

III. belanghebbende een dwangsom op te leggen van €10.000 per overtreding van het bestuursverbod met een maximum van €100.000;

IV. deze beschikking aan de Kamer van Koophandel aan te bieden en, waar nodig, alle gevolgen van het bestuursverbod te regelen (artikel 106b lid 3 en 4 Fw).

Belanghebbende heeft geen verweerschrift ingediend en is niet naar de mondelinge behandeling gekomen. Dat betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat het klopt dat belanghebbende een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt van de faillissementen van rechtspersoon 1, rechtspersoon 3 en rechtspersoon 2, die na de inwerkingtreding van de Wet civielrechtelijk bestuursverbod (1 juli 2016) zijn uitgesproken. Dat is op grond van artikel 106a lid 1 sub d reden om een bestuursverbod op te leggen. De verzoeken zullen daarom worden toegewezen.

Het bestuursverbod gaat in als de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan (artikel 106b lid 1 Fw). De rechtbank kan belanghebbende schorsen voor ‘ten hoogste de duur van het geding’ (artikel 106c lid 4 en 5 Fw) en gaat ervan uit dat daarmee wordt bedoeld dat de schorsing kan voortduren tot de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of door een andere rechterlijke uitspraak terzijde is gesteld. Als dat niet zo was, zou dat namelijk betekenen dat belanghebbende zijn bestuursbevoegdheden ondanks de schorsing opnieuw kan uitoefenen, zolang de beschikking nog niet in kracht van gewijsde is. Dat gaat in tegen de bedoeling van de wetgever, om faillissementsfraude te bestrijden. Voor de duidelijkheid zal de rechtbank de schorsing dus toewijzen ‘tot deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan of door een andere rechterlijke uitspraak terzijde is gesteld’. Het spreekt vanzelf dat deze schorsing meteen ingaat. Voor zover nodig zal de rechtbank de schorsing uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

Belanghebbende zal in de proceskosten van het OM worden veroordeeld. Die kosten worden begroot op €1.086 (2 punten x tarief €543 aan salaris gemachtigde).

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF