Veroordeling in hoger beroep: van gevangenisstraf van 8 maanden naar voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf

Gerechtshof Amsterdam 24 oktober 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4503

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank opgelegd, met oplegging van een meldplicht en een behandelverplichting als bijzondere voorwaarden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. Ze heeft veel geld onttrokken aan de boedel van haar onderneming naam. Het gaat in totaal om een bedrag van bijna €300.000. Daarnaast heeft zij niet voldaan aan de op haar als bestuurder van een rechtspersoon rustende verplichtingen een inzichtelijke administratie bij te houden en deze desgevraagd aan de curator te overleggen.

Meer in het bijzonder is de verdachte aan te rekenen dat zij gedurende jaren meer geld aan de onderneming heeft onttrokken dan er werd verdiend. Hierbij heeft de verdachte voornamelijk oog gehad voor haar eigen financiële situatie en op geen enkele wijze acht geslagen op de belangen van schuldeisers. Verdachte is ook geld aan de onderneming blijven onttrekken ondanks waarschuwingen van haar familie en haar accountant in de jaarstukken van 2011 en 2012. De verklaring van de verdachte dat zij niet al het geld voor zichzelf heeft gebruikt, maar ook personeel zwart heeft uitbetaald voor, naar zij zelf stelt, ongeveer €70.000 maakt de situatie er niet beter op. Zodoende werden immers ook nog andere misdrijven gepleegd dan ten laste gelegd. Het tekent het gebrek aan inzicht in de strafwaardigheid van haar handelen dat de verdachte dit aanvoert als een, zo begrijpt het hof, strafmatigende omstandigheid. Uiteraard zal het hof eventuele andere strafbare feiten niet betrekken bij het bepalen van de stafmaat, omdat deze nu eenmaal niet zijn ten laste gelegd en bewezen.

Bij het bepalen van de strafmaat in zaken betreffende faillissementsfraude wordt doorgaans aansluiting gezocht bij het benadelingsbedrag, waarbij niet doorslaggevend is of de benadeling daadwerkelijk is geleden of slechts had kunnen worden geleden. Gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg van Voorzitters van Strafsectoren van de gerechtshoven en rechtbanken (LOVS) zou bij een benadeling (van de boedel) van ongeveer €300.000 als uitgangspunt gelden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf tot achttien maanden.

Niettemin plaatst het hof een kanttekening bij het in deze zaak onverkort toepassen van de oriëntatiepunten in relatie tot het benadelingsbedrag. De onderneming van de verdachte was op zichzelf levensvatbaar. Het grote probleem is dat de verdachte gedurende een aantal jaren meer heeft uitgeven dan er aan inkomsten was. Gesteld kan dan ook worden dat de ‘verteringen’ van de verdachte ‘buitensporig’ waren. Hoewel het hof in dit geval heeft geoordeeld dat sprake was van voorwaardelijk opzet op de benadeling van schuldeisers, hebben deze ‘buitensporige verteringen’ veel weg van de strafbaarstelling in artikel 340 van het Wetboek van Strafrecht (eenvoudige bankbreuk). De curator heeft in zijn aangifte ook geopperd dat hij betwijfelde of bij verdachte het opzet tot benadeling voorop heeft gestaan. Verder geldt dat de verdachte niet heeft getracht haar uitgaven/onttrekkingen te verhullen; evenmin heeft zij pas geld aan de boedel onttrokken kort voordat een faillissement onafwendbaar was. De buitensporige uitgaven/onttrekkingen bleken eenvoudig terug te vinden, doordat de verdachte deze steevast in rekening-courant liet boeken. Naar het oordeel van het hof maakt het vorenstaande de zaak zo a-typisch dat het onverkort toepassen van genoemde oriëntatiepunten zou leiden tot een onevenredig zware straf.

Bovendien heeft het hof kennisgenomen van het door de Reclassering Nederland opgemaakte reclasseringsadvies van 5 oktober 2018. Hieruit volgt dat de verdachte de indruk wekt van een persoon die zonder goed na te denken over mogelijke consequenties in hoog tempo handelt en daarbij de grenzen uit het oog verliest. Door een belaste jeugd en de relatie met haar ex-partner – in welke relatie zij slachtoffer werd van huiselijk geweld – lijkt zij continu op overlevingsstand te staan. Geadviseerd wordt dan ook aan de verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen en daarbij worden een meldplicht, een ambulante behandelverplichting en andere bijzondere voorwaarden betreffende het gedrag geïndiceerd.

Voorts zal het hof ten voordele van de verdachte meewegen dat zij in haar eentje de zorg heeft voor haar vierjarige zoon.

Alles afwegende zal het hof in dit geval geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, maar slechts een voorwaardelijke. Met de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Ter voorkoming van recidive zullen daaraan de bijzondere voorwaarden worden verbonden die door de reclassering zijn geadviseerd. Daarnaast is het hof van oordeel dat de oplegging van een taakstraf voor de maximale duur passend en geboden is. Het hof is van oordeel dat op deze wijze de strafdoelen als vergelding en normbevestiging enerzijds en het strafdoel van speciale preventie anderzijds op verantwoorde wijze in evenwicht worden gebracht.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF