Onderzoek Klauwaap: vrijspraak witwashandelingen, het deelnemen aan een criminele organisatie & faillissementsfraude

Rechtbank Noord-Nederland 20 juli 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:2946


De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde en algehele vrijspraak voor het onder 3 ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het aan hem onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde en zich ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank


Feit 1

Onder feit 1 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij zich (in vereniging met zijn partner, medeverdachte) schuldig heeft gemaakt aan het (gewoonte)witwassen van een aantal roerende en onroerende goederen, alsmede aan het witwassen van een grote hoeveelheid geld.

Voor een veroordeling voor witwassen is vereist dat het betreffende voorwerp of de betreffende voorwerpen middellijk of onmiddellijk afkomstig is of zijn uit enig misdrijf. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor een bewezenverklaring van het in de tenlastelegging opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid uit welk misdrijf dat desbetreffende voorwerp afkomstig is. De vaststelling dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf volstaat.

Indien, zoals in deze zaak het geval is, op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald, nauwkeurig aangeduid misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen, mag vervolgens van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Indien een dergelijke verklaring door de verdachte niet wordt gegeven, kan de rechter concluderen dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp een legale herkomst heeft, en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

In het onderhavige geval heeft de officier van justitie zijn standpunt dat het niet anders kan zijn dan dat de voorwerpen genoemd in de tenlastelegging een criminele herkomst hebben, in hoge mate gebaseerd op de uitkomsten van een door de politie opgemaakte kasopstelling. Daarbij zijn de uit het onderzoek bekend geworden legale contante ontvangsten van verdachte en zijn medeverdachte vergeleken met hun contante uitgaven in de periode van 1 januari 2007 tot en met 22 maart 2013. De uitkomst van deze kasopstelling is dat de contante besteding van een bedrag van minimaal €66.365,13 (in het geval van verdachte ) dan wel €610.152,61 (in het geval van medeverdachte ) niet kan worden verklaard door de vastgestelde legale contante ontvangsten van de verdachten.

Vooropgesteld moet worden dat een kasopstelling in beginsel een bruikbaar instrument kan zijn om vast te stellen of een verdachte beschikt over onverklaarbare – en daarmee mogelijk criminele – (contante) inkomstenbronnen. In die zin kan de uitkomst van een kasopstelling (mede) bijdragen aan het bewijs dat een voorwerp een criminele herkomst heeft. In dit geval is de kasopstelling echter primair opgemaakt ten behoeve van de ontnemingsprocedure, dat wil zeggen om aan te tonen dat (en tot welke omvang) verdachte wederrechtelijk vermogen heeft verkregen. Omdat het in een ontnemingsprocedure gaat om het vermogen dat een verdachte persoonlijk wederrechtelijk heeft verkregen, is bij deze kasopstelling alleen gekeken naar de contante ontvangsten die aan verdachten (en hun eenmanszaken) konden worden toegeschreven. De verdachten hebben echter betoogd – en ter terechtzitting van 5 en 6 juli 2018 met een groot aantal administratieve stukken onderbouwd – dat de door medeverdachte gedreven vennootschappen (bedrijf 2, bedrijf 6 BV en hun moeder bedrijf 1 ) in de onderzoeksperiode grote hoeveelheden contant geld hebben gegenereerd, waarover zij en hun eenmanszaken vervolgens via contant uitbetaalde leningen, voorschotten, salarissen en in rekening gebrachte facturen konden beschikken. Gelet op de kasstukken, grootboekkaarten en andere administratieve stukken die verdachten tijdens de terechtzittingen van 5 en 6 juli 2018 hebben getoond ziet de rechtbank geen grond om te twijfelen aan de stelling van de verdediging het feit dat de genoemde vennootschappen in de onderzoeksperiode als gevolg van legale bedrijfsactiviteiten aanzienlijke hoeveelheden contant geld in kas hebben gehad en evenmin aan het feit dat de hierboven bedoelde contante geldstromen vanuit het vermogen van de vennootschappen naar dat van verdachten (en hun eenmanszaken) in privé daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.

Vanzelfsprekend kunnen vraagtekens worden gezet bij dergelijke (omvangrijke) contante geldstromen. Verdachten hebben betoogd dat deze boekhoudkundig verwerkt zijn in de rekening-courantverhouding tussen de verschillende ondernemingen en hen persoonlijk. Dat laatste volgt ook uit de overgelegde stukken, maar de (zakelijke) deugdelijkheid van al deze transacties is – en dat is inherent aan contant geld – lastig verifieerbaar. Dat doet er echter niet aan af dat deze bron van contante ontvangsten, waarvan in grote lijnen aannemelijk is dat die heeft bestaan, bij de kasopstelling buiten beschouwing is gelaten en ook is gebleven, zelfs nadat de rechtbank bij de regiezitting van 16 november 2015 aan de officier van justitie uitdrukkelijk opdracht had gegeven om bij aanvullend proces-verbaal in te gaan op het ook destijds gevoerde verweer van de verdediging dat het voorhanden contante geld afkomstig was uit de kas van de verschillende ondernemingen. Daarmee is de vraag hoe de balans tussen de contante ontvangsten en uitgaven van de verdachten en hun ondernemingen in gezamenlijkheid zou zijn geweest, onbeantwoord gebleven. Gelet op het langdurige tijdsverloop in deze zaak ziet de rechtbank geen grond om, zoals door de officier van justitie subsidiair is verzocht, het onderzoek te heropenen om de politie opnieuw de kans te bieden een dergelijk onderzoek uit te voeren.

Het voorgaande betekent dat onvoldoende is komen vast te staan dat in de onderzoeksperiode daadwerkelijk sprake is geweest van een onverklaarbaar verschil tussen de (contante) ontvangsten en uitgaven van de verdachten. Dat betekent dat voor de meerderheid van de in de tenlastelegging genoemde (on)roerende goederen en geldbedragen niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat deze afkomstig zijn uit enig misdrijf.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit slechts op één onderdeel anders. Dit betreft het onder 1A genoemde perceel met bedrijfsunits aan adres 1 in Leeuwarden. De politie heeft onderzoek gedaan naar de wijze waarop de aanbouw van het verzamelgebouw is betaald. Uit dit onderzoek is gebleken dat het bouwbedrijf bedrijf 10 tussen 10 mei 2007 en 13 februari 2008 een twaalftal facturen heeft opgemaakt, die van verschillende rekeningen op naam van medeverdachte en van haar vennootschappen zijn betaald. Zo worden op 20 februari 2008 vanaf de rekening rekeningnummer 1 (op naam van medeverdachte) twee betalingen verricht naar bedrijf 10 van respectievelijk €71.542 en €60.000. Voorafgaand aan deze betalingen is er vanaf de rekening rekeningnummer 2 (op naam van bedrijf 2, waarvan medeverdachte op dat moment indirect bestuurder is) een bedrag van €129.500 bijgeboekt. Bij onderzoek naar de laatstgenoemde rekening bleek dat hierop op 18 februari 2008 (twee dagen voor de betaling van de facturen van bedrijf 10) een bedrag van €129.875 was bijgeschreven. Dit bedrag is blijkens de bijschrijving afkomstig van bedrijf 8, maar iedere verdere omschrijving ontbreekt.

Medeverdachte heeft bij de politie verklaard dat het zou gaan om een lening die door verdachte geregeld was en waarop niet wordt afgelost en waarover ook geen rente wordt betaald. Verdachte heeft tegenover de politie bevestigd dat het om een lening ging, maar wilde verder geen vragen over de herkomst van het geld beantwoorden. Ter terechtzitting van 16 november 2015 heeft verdachte verklaard dat het geld afkomstig was van een vriend van wie hij de gegevens niet wilde geven. Ter terechtzitting van 6 juli 2018 heeft verdachte verklaard dat het zou gaan om een kennis van een vriend. Ook bij die gelegenheid wilde verdachte geen nadere informatie over deze persoon verstrekken. Hoewel verdachte zowel ter terechtzitting van 16 november 2015 als ter terechtzitting van 6 juli 2018 heeft verklaard dat er een schriftelijke leningsovereenkomst zou zijn opgemaakt, is het bestaan daarvan tot op heden niet aangetoond.

De rechtbank constateert derhalve dat de bouw van het bedrijfsgebouw aan de adres 1 te Leeuwarden mede is betaald door middel van een aanzienlijk geldbedrag waarvan de herkomst volstrekt duister is gebleven. Naar het oordeel van de rechtbank is het in het legale handelsverkeer zodanig ongebruikelijk dat er vanuit het buitenland door een (indirecte) kennis een lening van deze omvang wordt verstrekt zonder dat daaraan een (schriftelijke) overeenkomst ten grondslag ligt en zonder dat daarbij zekerheden worden bedongen, noch rente of aflossingen worden betaald, dat zonder nadere onderbouwing door de verdachten, die ontbreekt, uitgesloten kan worden dat dit geld een legale herkomst heeft. Gelet op de hele gang van zaken kan het bovendien niet anders zijn dan dat beide verdachten van de criminele herkomst moeten hebben geweten of op zijn minst de aanmerkelijke kans daarop bewust hebben aanvaard.

De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat dit gebouw, zoals onder 1A genoemd, door verdachten (in vereniging) voor een substantieel deel mede is verworven met crimineel geld, waarbij verdachte degene is geweest die het geld ten behoeve van de betalingen heeft verkregen en medeverdachte degene is geweest die de betalingen aan de hand van dit geld heeft verricht. Dat er daarnaast ook gebruik is gemaakt van legale geldbronnen, doet aan de conclusie dat dus sprake is geweest van witwassen niet af. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval anders geoordeeld zou moeten worden is de rechtbank niet gebleken.

De eveneens tenlastegelegde verhullingshandelingen acht de rechtbank ten aanzien van dit geldbedrag niet bewijsbaar, nu de tenlastelegging zich beperkt tot het verwijt dat verborgen of verhuld is wie de rechthebbende op het geld was dan wel wie het voorhanden had. Dat laatste is, nu het geld op rekening van (een vennootschap van) medeverdachte is gestort, niet aan de orde. Evenmin is buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat hier, zoals de politie vermoedt, sprake is geweest van een zogenaamde loan back constructie, waarbij crimineel geld van (één van) de verdachten zelf via een omweg als lening is verstrekt en waarbij (aldus) is verhuld wie de feitelijk rechthebbende op dit geld was. Wat zonder meer is verhuld is de (criminele) herkomst van het geld; dat is echter niet aan verdachten ten laste gelegd.

Het voorgaande betekent ten aanzien van feit 1 dat wettig en overtuigend bewezen is dat beide verdachten zich, in vereniging, schuldig hebben gemaakt aan witwassen voor zover het gaat om de verwerving van het bedrijfsgebouw aan de adres 1 te Leeuwarden door middel van geld met een criminele herkomst. Voor het overige deel van het onder feit 1 ten laste gelegde dienen beide verdachten te worden vrijgesproken, daaronder begrepen het verwijt dat van witwassen een gewoonte is gemaakt. Er wordt immers slechts één enkele witwashandeling bewezen verklaard.


Feit 2

Nu de rechtbank verdachte grotendeels zal vrijspreken van de witwasverwijten, en ook reeds heeft overwogen dat (om die reden) van gewoontewitwassen geen sprake is, kan niet worden bewezen dat verdachte deel heeft uitgemaakt van een georganiseerd samenwerkingsverband dat het oogmerk had om – zoals is ten laste gelegd – (meerdere) witwasmisdrijven of andere daarmee samenhangende misdrijven te plegen.


Feit 3

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, reeds omdat niet is komen vast te staan dat verdachte op enige wijze betrokken is geweest bij de ten laste gelegde feitelijke handelingen.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zij in haar vonnis van heden in de zaak tegen medeverdachte heeft geoordeeld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat er sprake is geweest van bedrieglijke bankbreuk bij het faillissement van bedrijf 6.

Feit 4

De rechtbank acht wel het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op het proces-verbaal van bevindingen van het aangetroffen vuurwapen, het patroonmagazijn en de munitie in de woning van verdachte en de duidelijke, ondubbelzinnige bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: medeplegen van witwassen;

  • Feit 4: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Strafoplegging

  • Voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF