Verdachte heeft zich als bestuurder van twee bedrijven schuldig gemaakt aan het onttrekken van goederen uit de boedel  

Rechtbank Oost-Brabant 24 juli 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:3556

Verdachte wordt verweten dat hij, wetende dat de faillissementen van bedrijf 1 & bedrijf 2 onafwendbaar waren, geldbedragen en goederen aan de boedels van die bedrijven heeft onttrokken en dat verdachte, nadat de faillissementen van bedrijf 1 en bedrijf 2 waren uitgesproken, aan de curatoren en rechter-commissarissen in die faillissementen geen of onjuiste informatie heeft verstrekt over de locatie en/of de eigendom van een aantal goederen die tot de boedels van die bedrijven behoorden.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir nader omschreven gronden heeft de officier van justitie geconcludeerd dat deze handelingen wettig en overtuigend bewezen kunnen worden en dat verdachte minimaal voorwaardelijk opzettelijk door zijn handelen schuldeisers van bedrijf 1 en bedrijf 2 heeft benadeeld.

Het standpunt van de verdediging

Op de in de pleitnota omschreven gronden heeft de raadsman geconcludeerd dat verdachte geen geld of goederen – met uitzondering van een vrachtwagen van het merk Renault Master – aan de boedels van bedrijf 1 of bedrijf 2 heeft onttrokken en dat verdachte niet wist of vermoedde dat de faillissementen van die bedrijven onafwendbaar waren. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingen die verdachte kort voor de faillissementen heeft verricht, zijn gedaan om het voortbestaan van beide bedrijven te verzekeren. De in de tenlastelegging genoemde voertuigen, een Daimler V8 en een Rolls Royce, waren privé-eigendom van verdachte en behoorden niet tot de boedel van bedrijf 1 of bedrijf 2. De curator van bedrijf 2 wist waar de schilderijen die uit het bedrijf 2 waren verwijderd zich bevonden. Verdachte was – aldus de raadsman – niet gehouden inlichtingen of informatie te geven over de locatie van de voertuigen – met uitzondering van de Renault Master – en van de schilderijen.

Het oordeel van de rechtbank.

Vooreerst merkt de rechtbank op dat zij alle door de verdediging gevoerde verweren die hierna niet zullen worden besproken, aanmerkt als bewijsverweren. Deze verweren vinden hun weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen die de rechtbank voor de afzonderlijke feiten heeft gebruikt en zoals die in de bij dit vonnis behorende bijlage zijn opgenomen.


Feit 1 en 3

Bedrijf 1 had al lange tijd liquiditeitsproblemen. Volgens de controller ging het vanaf de financiering van bank 1 in 2011 weer even goed, maar liep de schuld gedurende 2012 weer op. De forse aflossing en rente en de huur waren te veel voor bedrijf 1. In maart 2013 zat bedrijf 1 in zwaar weer. Voor het dagelijkse betalingsverkeer maakte bedrijf 1 gebruik van een bankrekening bij bank 1. Ook had bedrijf 1 een financiering afgesloten bij bank 1. Als gevolg van onvoldoende vertrouwen in het continuïteitsperspectief heeft bank 1 op 3 mei 2013 deze financiering opgezegd. Drie weken later heeft bank 1 ook de bankfaciliteiten van bedrijf 1 opgezegd. Door deze opzegging konden geen betalingen meer verricht worden vanaf de bankrekening en had bedrijf 1 geen bancaire kredietfaciliteiten meer.

Tevens is gebleken dat er tussen bedrijf 1 en bedrijf 3, de verhuurder van het pand waarin bedrijf 1 was gevestigd, zakelijke geschillen bestonden. Dit heeft geresulteerd in een veroordeling door de kantonrechter van 16 mei 2013, inhoudende dat bedrijf 1 €1.200.000 aan bedrijf 3 moest betalen. De kantonrechter heeft daarbij het verweer van bedrijf 1 dat zij tegenvorderingen op bedrijf 3 heeft die de vorderingen van bedrijf 3 overstijgen, namelijk vorderingen wegens door bedrijf 3 verbeurde boete, terzake inbouwkosten en terzake servicekosten, verworpen.

Daarnaast eiste de gemeente Eindhoven op 24 juni 2013 betaling van achterstallige toeristenbelasting tot een bedrag van €100.000, te betalen vóór 3 juli 2013. Begin juli 2013 heeft bedrijf 3 het faillissement van bedrijf 1 aangevraagd. De advocaat van bedrijf 3 heeft per e-mail van 18 juli 2013 de toenmalige advocaat van bedrijf 1 bericht dat hij herhaalt dat het voor bedrijf 3 volstrekt onacceptabel is dat bedrijf 1 geen huur meer betaalt en andere schuldeisers wel betaalt. Hij voegt daaraan toe dat de gevolgen van die keuze van bedrijf 1 voor haar rekening komen.

De rechtbank is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden de verdachte het faillissement heeft moeten zien aankomen. Dit volgt ook uit door hem verstuurde e-mailberichten. Op 10 mei 2013 heeft verdachte een e-mail verzonden aan twee van zijn medewerkers, waarin hij heeft gemeld niets meer aan bedrijf 3 te willen betalen. Bij zijn vierde verhoor heeft verdachte hierover verklaard dat bedrijf 3 niet meer werd betaald omdat hij ondertussen wel wist dat bedrijf 3 per sé het faillissement van bedrijf 1 wenste.

onttrekking van geldbedragen aan de boedel van bedrijf 1.

Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 augustus 2013 is bedrijf 1 in staat van faillissement verklaard. Voorafgaande aan dit faillissement, in de periode van 9 juli 2013 tot en met 16 augustus 2013, zijn in opdracht van verdachte, in zijn hoedanigheid van bestuurder van bedrijf 1, op verschillende data geldbedragen overgeboekt van de bankrekening van bedrijf 1 bij de bank 2 naar bedrijf 2 tot een totaalbedrag van €433.805,41. bedrijf 2 had op dat moment, in tegenstelling tot andere schuldeisers, geen opeisbare vorderingen op bedrijf 1, anders dan dat volgens verdachte bedrijf 2 schuldeisers van bedrijf 1 is gaan betalen en dat dit geen schenking van bedrijf 2 aan bedrijf 1 betreft, maar dat bedrijf 1 een dienovereenkomstige rekening-courantschuld kreeg aan bedrijf 2.

Vanaf 13 juli 2013 zijn door bedrijf 1 geen betalingen aan derden gedaan, maar enkel aan bedrijf 2. Door deze handelwijze heeft verdachte bewerkstelligd dat dit geldbedrag aan de boedel van bedrijf 1 is onttrokken en dat die gelden buiten het bereik van de curator en daardoor ook buiten het bereik van de schuldeisers van bedrijf 1 zijn gebracht. Welke bestemming bedrijf 2 aan de van bedrijf 1 ontvangen geldbedragen heeft gegeven, doet daaraan niet af en is hoogstens van invloed op het benadelingsbedrag. In het licht van de zeer slechte financiële omstandigheden en liquiditeitsproblemen had verdachte redelijkerwijs moeten begrijpen dat zijn keuze, om uit de beschikbare gelden schuldeisers te betalen waarvan de onderneming afhankelijk was om haar bedrijfsactiviteiten te continueren, en huurschulden structureel te laten oplopen, redelijkerwijs ertoe zouden leiden dat huurschulden ook in de toekomst onbetaald zouden blijven. Verdachte heeft die gevolgen bewust aanvaard. Dat verdachte heeft gezocht naar mogelijke investeerders en erop rekende dat in rechte alsnog zou komen vast te staan dat bedrijf 1 tegenvorderingen heeft waarmee de huurachterstand geheel verrekend zou kunnen worden, leidt niet tot een ander oordeel.


Ter zake van de door de verdediging aangedragen bieding van persoon 2 op 1 juli 2013 merkt de rechtbank op dat die bieding weliswaar een schuldbetaling van bedrijf 1 aan bedrijf 3 van maximaal €2,3 miljoen omvat, maar aan die bieding kan geen betekenis meer worden toegekend na de beëindiging van het verkooptraject door bedrijf 3 op 3 juli 2013. Ook ter zake van de toegezegde financiering van €1 miljoen en de tegenvorderingen had verdachte redelijkerwijs moeten begrijpen dat hiermee de reeds belopen huurschulden niet in diezelfde verhouding konden worden betaald als bedrijf 1 haar andere schulden betaalde. Het financieringsaanbod van €1 miljoen was op zichzelf ontoereikend voor volledige delging van de huurschuld die bij rechterlijk vonnis was vastgesteld en kende bovendien de – destijds niet te vervullen – voorwaarde dat er geen sprake mag zijn van faillissement of acute faillissementsdreiging. De tegenvorderingen vinden geen steun in schriftelijk vastgelegde afspraken, zijn door bedrijf 3 gemotiveerd betwist en door de kantonrechter afgewezen.

- onttrekking van een Rolls Royce aan de boedel van bedrijf 1.

Bedrijf 1 en bedrijf 4 hebben op of omstreeks 15 november 2011 een overeenkomst voor de koop van een Rolls Royce Camargue gesloten. De factuur voor deze auto was gericht aan bedrijf 1. Deze factuur is namens bedrijf 1 door beheersmaatschappij verdachte, een beheermaatschappij van verdachte (hierna: beheersmaatschappij verdachte) en niet door of namens verdachte betaald. Op of omstreeks 27 december 2011 ontving verzekeringsmaatschappij een aanvraagformulier voor een autoverzekering van de Rolls Royce. Op het aanvraagformulier was door verdachte ingevuld dat bedrijf 1 verzekeringnemer en tenaamgestelde van de Rolls Royce was. Op 27 februari 2012 mailde verdachte aan verzekeringsmaatschappij dat de verzekering op naam van bedrijf 1 moest staan en dat de auto werd gebruikt voor bruidsarrangementen van de hotels. De Rolls Royce is terug te vinden op de materiële vaste activastaat van bedrijf 1. De boekwaarde van de Rolls Royce per 31 december 2011 staat op de materiele vaste activa van bedrijf 1 en komt overeen met de waarde van de balanspost vervoermiddelen per 31 december 2011 in de gepubliceerde jaarrekening 2011 van bedrijf 1. Op of omstreeks 24 januari 2013 heeft verdachte deze jaarrekening 2011 van bedrijf 1 goedgekeurd.

Volgens controller is de Rolls Royce door bedrijf 1 verrekend met beheersmaatschappij verdachte, kwam de Rolls Royce voor rekening en risico van bedrijf 1 en werd de jaarrekening besproken met verdachte.

Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat de Rolls Royce door bedrijf 1 is aangekocht en dat bedrijf 1 als eigenaar van de Rolls Royce moet worden aangemerkt. Door het bezit van de Rolls Royce niet aan de curator kenbaar te maken en buiten zicht te houden van de curator heeft verdachte deze Rolls Royce aan de boedel van bedrijf 1 onttrokken. De omstandigheid dat namens verdachte is aangevoerd dat hij de auto in bezit had en daardoor naar civiel recht de eigenaar van de auto was, gaat niet op. Verdachte was immers naast een privépersoon ook bestuurder van bedrijf 1, voor welk bedrijf hij de auto hield.

Verdachte wordt vrijgesproken van het onjuist informeren van de rechter-commissaris met betrekking tot de eigendom van de Rolls Royce als tenlastegelegd onder feit 3 primair. Uit het dossier volgt dat verdachte op 30 april 2015 door de rechter-commissaris is gehoord met betrekking tot het faillissement van bedrijf 1 en dat valt buiten de in feit ten laste gelegde periode van 16 augustus 2013 tot en met 17 februari 2015. Om die reden wordt verdachte vrijgesproken op dit onderdeel.

- conclusie

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte (in ieder geval) in de periode van 11 juli 2013 tot en met 16 augustus 2013, had kunnen weten en had moeten vermoeden dat een faillissement van bedrijf 1 onafwendbaar was. Door in die wetenschap gelden en een goed aan de boedel te onttrekken en door geen dan wel onjuiste of onvolledige informatie over een tot de boedel behorend goed te verstrekken, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans van benadeling van schuldeisers van bedrijf 1 aanvaard. Het faillissement van bedrijf 1 heeft zich gemanifesteerd; bedrijf 1 is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 augustus 2013 in staat van faillissement verklaard. Daarmee was de benadeling van de schuldeisers van bedrijf 1 door het hiervoor omschreven handelen van verdachte een feit.

Feit 2 en 4

In een brief van 14 november 2012 van accountant, gericht aan bedrijf 2, bericht de accountant over de poging tot het verminderen van een claim van de Belastingdienst tot €357.074 en een huurschuld per 31 december 2011 van €1.228.229.

Op 24 januari 2013 benadrukt de accountant in de jaarrekening van 2011 van bedrijf 2 de onzekerheid over de continuïteit van bedrijf 2 en schrijft de accountant dat, gezien de financiële positie, het voortbestaan van bedrijf 2 onzeker is. Op 8 februari 2013 mailt verdachte aan de Belastingdienst dat bedrijf 2 failliet zal gaan als de Belastingdienst een vordering van €446.500 gaat incasseren. In de maanden juni/juli 2013 verstuurt verdachte divers e-mailberichten waarin hij aangeeft dat bedrijf 2 vecht om te overleven en dat hij probeert om een faillissement te voorkomen. Nadat vanaf juli 2013 diverse pogingen van de concessiegever/verhuurder van het pand waarin bedrijf 2 is gevestigd om bedrijf 2 te bewegen tot het betalen van de achterstallige huur op niets zijn uitgelopen, stelt de rechter in kort geding de huurachterstand van bedrijf 2 vast op minimaal €700.000. De rechtbank is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden de verdachte het faillissement heeft moeten zien aankomen. Dit volgt ook uit door hem verstuurde e-mailberichten.

- onttrekking van geldbedragen aan de boedel van bedrijf 2.

Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 januari 2014 is bedrijf 2 in staat van faillissement verklaard. Voorafgaande aan dit faillissement zijn, in de periode van 28 juni 2013 tot en met 17 januari 2014, in opdracht van verdachte, in zijn hoedanigheid van bestuurder van bedrijf 2, op verschillende data geldbedragen overgeboekt van de bankrekening van bedrijf 2 naar beheersmaatschappij verdachte, tot een totaalbedrag van €485.672,02. Van opeisbare vorderingen is niet gebleken, anders dan dat volgens verdachte beheersmaatschappij verdachte schuldeisers van bedrijf 2 is gaan betalen en dat dit geen schenking van beheersmaatschappij verdachte aan bedrijf 2 betreft, maar dat bedrijf 2 een dienovereenkomstige rekening-courantschuld kreeg aan beheersmaatschappij verdachte. De laatste overboeking ten bedrage van €12.000, is gedaan op 14 januari 2017, de dag waarop de faillissementsaanvraag van bedrijf 2 door de rechtbank werd behandeld. Verdachte was als enige gemachtigd om betalingen ten laste van de rekening van bedrijf 2 te doen. Door te handelen zoals hiervoor is omschreven, heeft verdachte bewerkstelligd dat geldbedragen aan de boedel van bedrijf 2 zijn onttrokken en dat die bedragen daarmee buiten het bereik van de curator en daardoor ook buiten het bereik van de schuldeisers van bedrijf 2 werden gebracht.

De verklaring van verdachte dat hij het geldbedrag van €12.000 had opgenomen om ten behoeve van het hotel meubels te kopen in Engeland acht de rechtbank ongeloofwaardig. Indertijd heeft verdachte gezegd niet te weten waarvoor dat geld was opgenomen, van de aanschaf van meubels is niet gebleken en de faillissementsprocedure was op dat moment aanhangig zodat aanschaf van nieuw meubilair niet voor de hand lag.


- verdubbeling van de management fee.

Bedrijf 2 is met de in de bedrijf 5 verenigde woningbouwcorporaties een concessieovereenkomst aangegaan die onder meer voorziet in een concessievergoeding. Met beheersmaatschappij verdachte is bedrijf 2 een managementovereenkomst aangegaan. De maandelijks door bedrijf 2 aan beheersmaatschappij verdachte verschuldigde management fee over 2013 is met terugwerkende kracht verdubbeld. Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat verdachte de management fee heeft aangepast naar de volgens verdachte uit de concessieovereenkomst voortvloeiende maxima van de concessievergoedingen tot dan toe. Aan hetgeen het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd is niet de conclusie te verbinden dat het verdubbelen van de management fee een benadeling van schuldeisers oplevert reeds omdat niet vastgesteld kan worden dat de toegekende management fee in strijd is met overeengekomen contractuele bepalingen, maar vooral omdat de tenlastelegging niet zozeer aanknoopt bij de betaling (waaronder begrepen verrekening), maar veeleer bij de facturering en facturering op zichzelf geen benadeling van schuldeisers oplevert. Omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van bedrieglijke verkorting van de rechten van één of meer schuldeisers, zal verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

- onttrekking van voertuigen aan de boedel van bedrijf 2.

Verdachte wordt verweten dat hij een vrachtauto van het merk Renault Master aan de boedel van bedrijf 2 heeft onttrokken. Verdachte heeft dit voertuig kort voor het faillissement van bedrijf 2 op zijn naam gesteld en hij heeft, nadat het faillissement was uitgesproken, geweigerd dit voertuig aan de curator te overhandigen. Verdachte heeft dit feit erkend.

Naast deze Renault Master heeft verdachte op 23 december 2013 namens bedrijf 2 een personenauto van het merk Daimler Super V8 gekocht. De aankoopprijs van dit voertuig is door bedrijf 2 betaald en na de aankoop is de voertuig op naam van bedrijf 2 gezet. Op de dag van de aankoop is de tenaamstelling van de Daimler gewijzigd en is dit voertuig op naam van verdachte gesteld. Deze wijziging zegt niets over de eigendom van de Daimler. Nu niet is gebleken van feiten of omstandigheden waaruit kan volgen dat verdachte de Daimler van bedrijf 2 heeft gekocht, is de rechtbank van oordeel dat deze Daimler eigendom van bedrijf 2 is gebleven. Door van het bestaan van die auto geen melding aan de curator te doen en zich later ten onrechte op het standpunt te stellen dat deze Daimler zijn privé eigendom was, heeft verdachte de Daimler aan de boedel van bedrijf 2 onttrokken en heeft verdachte onjuiste informatie over de eigendom van die Daimler gegeven. De omstandigheid dat namens verdachte is aangevoerd dat hij de auto in bezit had en daardoor naar civiel recht de eigenaar van de auto was, gaat niet op. Verdachte was immers naast een privépersoon ook bestuurder van bedrijf 2, voor welk bedrijf hij de auto hield.

- onttrekking van schilderijen/kunstwerken aan de boedel van bedrijf 2.

Verdachte heeft verklaard dat bedrijf 2 de 187 in de tenlastelegging genoemde schilderijen via een leaseovereenkomst heeft gekocht en dat deze schilderijen na afloop van die overeenkomst eigendom van bedrijf 2 zijn geworden. Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat op 6 januari 2014 de aanvraag om bedrijf 2 in staat van faillissement te verklaren door de rechtbank Rotterdam is ontvangen en dat verdachte daarvan op de hoogte was. Die dag heeft verdachte 187 schilderijen uit bedrijf 2 weg laten halen en elders laten opslaan. Nadat op 17 januari 2014 het faillissement was uitgesproken, heeft de curator het bedrijf 2 bezocht. Bij dat bezoek heeft hij geconstateerd dat er 187 schilderijen uit de inboedel waren ontvreemd. Nadat de curator verdachte met de verdwijning van die schilderijen had geconfronteerd en hij aan verdachte had verzocht de schilderijen terug te geven heeft verdachte dit geweigerd en heeft hij eveneens geweigerd de locatie waar die schilderijen zich bevonden aan de curator kenbaar te maken. Eerst na tussenkomst van de politie en een deurwaarder heeft verdachte de locatie van de schilderijen prijs gegeven.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door te handelen zoals hiervoor is omschreven, opzettelijk 187 schilderijen aan de boedel van bedrijf 2 heeft onttrokken en dat verdachte geen informatie heeft verstrekt over de locatie van deze schilderijen. In dat kader overweegt de rechtbank dat zij geen reden heeft te twijfelen aan het vermelde in de brief van de curator aan verdachte van 11 februari 2014 dat, met verwijzing naar een bespreking op 29 januari 2014, verdachte weigerde mee te werken om de schilderijen af te geven en – overeenkomstig de aankondiging daartoe door of namens de curator – is overgegaan tot het leggen van conservatoir beslag. De doelbewuste onttrekking van de schilderijen door verdachte wordt bevestigd door de e-mail die verdachte op 15 januari 2014, twee dagen voordat bedrijf 2 in staat van faillissement is verklaard, heeft verzonden aan persoon 1. In deze mail schrijft verdachte onder meer: “neem alle schilderijen mee voor jezelf mocht het fout gaan: zijn nog twee karren vol: wat ze waard zijn weet ik niet! Huur morgen een vrachtwagentje en vervoer ze naar een veilige opslag: ook dat schilderij in mijn kantoor.”

- conclusie.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte in de periode van 28 juni 2013 tot en met 17 januari 2014, had kunnen weten en had moeten vermoeden dat een faillissement van bedrijf 2 onafwendbaar was. Door met die wetenschap gelden en goederen aan de boedel te onttrekken en door geen dan wel onjuiste of onvolledige informatie over tot de boedel behorende goederen te verstrekken, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans van benadeling van schuldeisers van bedrijf 2 aanvaard. Het faillissement van bedrijf 2 heeft zich gemanifesteerd; bedrijf 2 is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 januari 2014 in staat van faillissement verklaard. Daarmee was de benadeling van de schuldeisers van bedrijf 2 door het hiervoor omschreven handelen van verdachte een feit.

Bewezenverklaring

  • Feit 1 primair en 2 primair: als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers van de rechtspersoon enig goed aan de boedel hebben onttrokken, meermalen gepleegd.

  • Feit 3 primair en 4 primair: als bestuurder van een rechtspersoon, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, weigeren de vereiste inlichtingen te geven en opzettelijk verkeerde inlichtingen geven, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

  • Gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk

Strafverzwarende omstandigheden

Naast de benadeling van de boedels van bedrijf 1 en bedrijf 2 tot een bedrag van ongeveer €500.000, heeft verdachte als bestuurder van de hiervoor genoemde bedrijven niet voldaan aan de verplichting de curatoren na de faillissementen de gevraagde inlichtingen te verstrekken over voertuigen en schilderijen die van de boedels van bedrijf 1 en bedrijf 2 deel uit maakten. Opgeteld vertegenwoordigden deze goederen een aanzienlijke waarde. Verdachte heeft door zo te handelen op geen enkele wijze acht geslagen op de belangen van de schuldeisers en de werkzaamheden van de curatoren bemoeilijkt.

Strafmatigende omstandigheden

Bij het bepalen van de strafmaat gaat de rechtbank weliswaar uit van een benadelingsbedrag van ongeveer €500.000 maar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het overgrote deel van dit bedrag niet ten goede van verdachte zelf is gekomen. Verdachte heeft een selectie gemaakt in de schuldeisers waarbij sommige schuldeisers niet zijn voldaan en andere schuldeisers van bedrijf 1 en bedrijf 2 zijn voldaan voor een groter deel dan waarop zij bij evenredige verdeling van de baten aanspraak zouden kunnen maken.

Blijkens het omtrent verdachte opgemaakte rapport van de reclassering is het gevaar dat verdachte in de toekomst weer dit soort feiten zal plegen gering. Verdachte heeft reeds gevolgen ondervonden van zijn handelen. Hij heeft een psychisch zware periode gekend, is gescheiden en kan geen werk vinden door de negatieve publiciteit rond zijn persoon.

Tenslotte houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop in deze zaak, te rekenen vanaf de dag dat verdachte in verzekering is gesteld op 1 december 2015 tot de dag van de uitspraak van dit vonnis. Na de inverzekeringstelling is de eerstvolgende daad van vervolging geweest de betekening van de dagvaarding aan verdachte op 22 augustus 2017 om te verschijnen op de terechtzitting van 20 november 2017. Op die zitting is de behandeling van deze zaak aangehouden op verzoek van de verdediging en om de officier van justitie en de rechtbank in de gelegenheid te stellen de omvangrijke stukken die de verdediging kort voor die zitting heeft toegezonden, te kunnen bestuderen. Vervolgens is deze strafzaak weer behandeld ter terechtzitting van 10 juli 2018. Het tijdsverloop na de terechtzitting van 20 november 2017 komt voor rekening en risico van verdachte.

Hoewel tussen de inverzekeringstelling van verdachte op 1 december 2015 en de betekening van de inleidende dagvaarding op 22 augustus 2017 minder dan twee jaar is verstreken en de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM niet is overschreden is de rechtbank van oordeel dat het tijdsverloop tussen de inverzekeringstelling van verdachte op 1 december 2015 en het wijzen van dit vonnis onwenselijk lang is geweest. De rechtbank heeft hierbij acht geslagen op de ingewikkeldheid van de aan verdachte ten laste gelegde feiten, de omvang van het opsporingsonderzoek en het gegeven dat de aanhouding van het onderzoek van deze zaak op de zitting van 20 november 2017 voor rekening en risico van de verdediging komt. De rechtbank zal in strafmatigende zin rekening houden met dit onwenselijk lange tijdsverloop.


De strafmodaliteit

De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding een vrijheidsbeneming van lange duur op zijn plaats. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Met het voorwaardelijk gedeelte van deze gevangenisstraf wil de rechtbank, enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds, door invloed uit te oefenen op het gedrag van verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegen gaan.

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf, mede gelet op het uitgangspunt van 18 maanden, de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF