Afwijzing beklag ex art. 12 Sv van curator na niet vervolgen faillissementsfraude wegens capaciteitsgebrek

Gerechtshof Den Haag 13 juli 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1709

Klager heeft op 30 december 2015 bij de politie aangifte gedaan tegen X en X ter zake van faillissementsfraude.

In de aangifte wordt het volgende vermeld:

Op 16 juni 2015 werd door de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht op verzoek van X het faillissement uitgesproken van X.

Aan de rechter-commissaris is gemeld dat er in dit faillissement mogelijk sprake is van fraude. Op het moment dat X failleerde was X de enig bestuurder en enig aandeelhouder sedert 12 mei 2015.

Van 10 maart 2015 tot 12 mei 2015 was X enig bestuurder en enig aandeelhouder. De aangifte ziet uitsluitend op het niet naleven van de administratieplicht door de heren X en X. De heer X staat bekend als ‘katvanger’ en die rol lijkt hij ook in dit faillissement op zich te hebben genomen nu hij ongeveer 1 maand voor het faillissement bestuurder en enig aandeelhouder is geworden. De administratie is volgens mededeling van X van Administratiekantoor X uit X overgedragen aan de heer X. De heer X is diverse malen uitgenodigd voor een gesprek maar niet verschenen.

In zijn brief van 26 oktober 2015 heeft de heer X bericht dat hij bij de notariële levering van de aandelen aan de heer X ook de administratie heeft overgedragen. In zijn brief bericht de heer X voorts dat de heer X nog kopieën van de administratie, alsmede de grootboekkaarten en de crediteuren- en debiteurenoverzicht in zijn bezit zou moeten hebben.

De curator heeft niet veel administratie ontvangen van de (voormalige) bestuursleden. Bij de curator zijn geen gegevens bekend over het bedrag aan openstaande debiteuren op de datum van het uitspreken van het faillissement. De curator heeft door het ontbreken van het grootboek, dagboeken en onderliggende bescheiden geen inzicht kunnen krijgen in de rechten en verplichtingen van de failliet.

Voor zover de curator kan overzien zijn alle auto’s verdwenen.

De curator heeft nog geen faillissementspauliana ingeroepen maar gaat dit vermoedelijk wel doen. Door de handelwijze van beklaagden zijn de crediteuren aanzienlijk benadeeld. De curator komt op een bedrag van €714.649,64, maar het zou nog meer kunnen bedragen.
 

Beslissing OM

De officier van justitie heeft in zijn e-mailbericht van 25 juli 2017 aangegeven dat wegens gebrek aan opsporingscapaciteit en keuzes de Stuur- en Weegploeg Centrale Intake Faillissementsfraude (SWP FF) heeft besloten geen verder opsporingsonderzoek te verrichten naar aanleiding van de aangifte. Ten aanzien van één van de verdachten, de zogenoemde beroepskatvanger X, is een onderzoek lopende. Ook tegen X loopt een onderzoek bij de politie. Het starten van een nieuw onderzoek betreffende deze aangifte wordt niet opportuun geacht. Niettemin zijn de namen, genoemd in de aangifte, genoteerd teneinde bij nieuwe meldingen te beoordelen of sprake zou kunnen zijn van personen, meermalen bij frauduleuze faillissementen betrokken. Dat zou reden kunnen zijn alsnog capaciteit voor een dergelijk onderzoek vrij te maken, aldus het Openbaar Ministerie.
 

Beoordeling beklag

In het klaagschrift wordt aangegeven dat curatoren worden aangespoord om in geval van fraude een melding of aangifte te doen. Weliswaar zijn twee personen in een onderzoek betrokken maar er zijn bij de vermoedelijke faillissementsfraude veel meer personen betrokken. Klager verzoekt de vervolging van beklaagde X, aangezien dat ertoe zou kunnen leiden dat klager zich als benadeelde partij in het strafproces kan voegen, als gevolg waarvan er mogelijk nog baten voor de faillissementsboedel gerealiseerd kunnen worden, aldus het klaagschrift.

Klager heeft tijdens het onderzoek in raadkamer zijn beklag herhaald en daarbij aangevoerd dat hij een overweging van het hof wenst met betrekking tot de afweging die de officier van justitie heeft gemaakt over de onvoldoende beschikbare capaciteit bij de FIOD, als reden om niet tot vervolging over te gaan. Klager wil hiermee een signaal naar de politiek toe afgeven.

Ter beoordeling staat thans de vraag of de beslissing van de officier van justitie om beklaagde niet te vervolgen op goede gronden is genomen.

Het hof stelt vast dat naar aanleiding van het klaagschrift van de zijde van de officier van justitie een uitvoerige toelichting is gevolgd in zijn ambtsbericht van 15 mei 2018 met een weging van factoren die bijgedragen hebben tot de beslissing om geen vervolging in te stellen.

Klager wenst een overweging van het hof ten aanzien van de afweging die door de officier van justitie is gemaakt.

Het hof betreurt het dat bij de opportuniteitsafweging van het Openbaar Ministerie de beschikbare capaciteit kennelijk een belangrijk element is en overweegt dat bij de beleidskeuzes ten aanzien van aangegeven ernstige misdrijven capaciteitsgebrek een weinig overtuigend argument voor niet-vervolgen biedt.

Met klager concludeert het hof dat het besluit, om beklaagde X van deze aangegeven faillissementsfraude wegens capaciteitsproblemen niet te vervolgen, maatschappelijk onbevredigend is en dat de frustratie van de curator, de rechter-commissaris en de FIOD goed te begrijpen is, mede gelet op de evidente weigering van beklaagde X om in deze zaak mee te werken aan het onderzoek van de curator.

De reactie van klager, zoals verwoord tijdens het onderzoek in raadkamer, is hoewel begrijpelijk, echter niet voldoende zwaarwegend om voorbij te gaan aan de afwegingen van de officier van justitie, die kennelijk gedwongen is te selecteren omdat er niet voldoende opsporingscapaciteit beschikbaar is. Deze concrete zaak maakt dat niet anders.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beklag dient te worden afgewezen.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF