Vrijspraak: Onvoldoende bewijs dat verdachte als feitelijk leidinggevende van een touroperator betrokken was bij faillissementsfraude

Rechtbank Den Haag 20 november 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:16471

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat zij tezamen en in vereniging met haar partner medeverdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan bedrijf B.V., welke vennootschap de volgende strafbare feiten heeft gepleegd:

  • het in de periode van 1 januari 2008 tot en met 30 maart 2011 tezamen en in vereniging met bedrijf 3 gebruik maken van een tweetal valse overeenkomsten met bedrijf 3 (feit 1, primair), facturen afkomstig van bedrijf 3 (feit 2, primair) en facturen aan klanten van bedrijf B.V. (feit 3, primair);
  • het in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2009 tezamen en in vereniging met bedrijf 2 B.V. onttrekken van een bedrag van € 837.384,-- aan de boedel ter verkorting van rechten van de schuldeisers (feit 4, primair).
  • Subsidiair zijn deze feiten aan verdachte ten laste gelegd, niet als feitelijk leidinggever van bedrijf B.V., maar als medepleger.

Achtergrond

Verdachte is sinds 1994 gehuwd met medeverdachte, medeverdachte.

Uit uittreksels van de Kamer van Koophandel volgt dat vanaf de oprichting in 2002 tot aan de datum van het faillissement op 14 juli 2009 bedrijf 2 B.V. enig bestuurder en aandeelhouder is geweest van bedrijf B.V. Sinds de oprichting van bedrijf 2 B.V. tot aan het faillissement waren verdachte en medeverdachte de directeuren van die rechtspersoon. Per 31 december 2004 was bedrijf 2 B.V. ook directeur/enig aandeelhouder van bedrijf 4 B.V. die een Italiaans restaurant exploiteerde.

Op 17 maart 2009 heeft medeverdachte namens bedrijf 2 B.V. en namens bedrijf B.V. een management overeenkomst ondertekend waarbij verdachte en medeverdachte door bedrijf 2 B.V. aan bedrijf B.V. als werknemer ter beschikking werden gesteld per 1 januari 2005. De overeenkomst is niet door verdachte ondertekend. Verdachte ontving van bedrijf 2 B.V. een managementvergoeding voor directeurswerkzaamheden.

In de administratie van bedrijf B.V. zijn brieven aangetroffen die zijn gericht aan verdachte.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij degene was die de facturen afkomstig van bedrijf 3 heeft ingeboekt in de administratie van bedrijf B.V. op verzoek van medeverdachte, omdat degene die de administratie verzorgde, betrokkene, ziek was. Ook heeft zij verklaard dat zij bij besprekingen omtrent het faillissement en de zitting bij de rechtbank in dit verband haar partner heeft vergezeld. Voorts heeft zij verklaard dat zij wekelijks bij bedrijf B.V. kwam om de administratie van bedrijf 4 aan een medewerker van bedrijf B.V. te overhandigen omdat zij ook de boekhouding van bedrijf 4 deed.

Werknemers van bedrijf B.V. verklaren unaniem dat verdachte in het begin, zo omstreeks 2005 en 2006, werkzaam was voor bedrijf B.V., maar daarna niet meer omdat zij werkzaam was in het restaurant bedrijf 4. Medeverdachte heeft verklaard dat hij de feitelijk leidinggevende was, hetgeen door het personeel wordt bevestigd.

Betrokkene, werknemer van bedrijf B.V. heeft verklaard dat verdachte de boekhouding van bedrijf B.V. deed. Ook heeft zij verklaard dat verdachte sinds 2007 nauwelijks meer bij bedrijf B.V. kwam omdat zij zich voornamelijk bezighield met bedrijf 4. betrokkene deed de boekhouding van bedrijf B.V. en bedrijf 4.

Getuige 1 van ANVR heeft verklaard dat bedrijf B.V. sinds 2003 lid van de ANVR was, en dat hij dacht dat verdachte contactpersoon was bij bedrijf B.V.

Getuige 2, die eind 2006, begin 2007 software aan bedrijf B.V. leverde, verklaarde dat hij voor aanpassingen aan het systeem toestemming nodig had van medeverdachte en verdachte en dat hij verdachte wekelijks zag bij bedrijf B.V.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten - voor wat betreft de primaire varianten - wettelijk en overtuigend bewezen. Ter onderbouwing heeft zij verwezen naar de volgende omstandigheden:

  • verdachte was in het handelsregister ingeschreven als bestuurder van bedrijf B.V.;
  • verdachte ontving een managementvergoeding van bedrijf B.V.;
  • werknemers van bedrijf B.V. verklaren dat verdachte en medeverdachte de feitelijk leidinggevenden waren;
  • verdachte hield zich bezig met personeelszaken en verzekeringen bij bedrijf ;
  • de heer getuige 1 van de ANVR beschouwde verdachte als feitelijk leidinggevende.
     

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Ter onderbouwing heeft de raadsman verwezen naar de volgende. Uit het dossier volgt dat verdachte sinds 2008 nauwelijks meer betrokken was bij bedrijf B.V. nu zij zich bezig hield met het restaurant bedrijf 4. Dat getuige 1 denkt dat verdachte aanspreekpersoon is, heeft er mee te maken dat dit in het begin zo is gecommuniceerd. De aangetroffen correspondentie in het dossier, gericht aan verdachte, betreft van ver voor 2009.
 

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3 en 4 voor zowel hetgeen primair als subsidiair ten laste is gelegd. De verdachte zal derhalve van alle tenlastegelegde feiten worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

Feitelijk leidinggeven

Vooropgesteld zij dat de aan verdachte primair tenlastegelegde feiten betrekking hebben op het feitelijk leidinggeven aan gedragingen van de rechtspersoon bedrijf B.V., en dat de rechtbank slechts tot een veroordeling van verdachte kan komen voor zover bewezen kan worden dat bedrijf B.V. de ten laste gelegde feiten heeft begaan. De bespreking van de vraag of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat bedrijf B.V. als dader kan worden aangemerkt van de tenlastegelegde feiten zal de rechtbank hier echter achterwege laten, gelet op de zojuist reeds genoemde eindconclusie van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte tot 2007 feitelijk leidinggevende is geweest van bedrijf B.V. Zij was immers middellijk bestuurder en indirect aandeelhouder van bedrijf B.V. Ze had een betaalde directiefunctie, zij was verantwoordelijk voor de administratie en aanspreekpunt voor personeel en externe partijen. Echter alle personeelsleden van bedrijf B.V. hebben verklaard dat verdachte vanaf 2007 niet in operationele noch feitelijke zin betrokken was bij bedrijf B.V. De werkzaamheden die verdachte eerst uitvoerde, werden vanaf die periode uitgevoerd door betrokkene. Dit ondersteunt de verklaring van verdachte ter zitting dat zij zich vanaf toen alleen nog bezighield met werkzaamheden voor het restaurant bedrijf 4.

Voor zover voorts in het dossier sprake is van correspondentie terzake bedrijf B.V. en gericht aan verdachte, ziet deze correspondentie alleen op de periode dat verdachte feitelijk leidinggever was, derhalve voor 2008, dan wel betreft het slechts reclamemateriaal. De rechtbank begrijpt de verklaringen van getuige 1 en getuige 2 ten slotte zo dat zij tot 2007 contact hebben gehad met verdachte als feitelijk leidinggevende van bedrijf B.V. en dat zij daarna aangenomen hebben dat die situatie niet was veranderd in 2009.

De rechtbank is aldus van oordeel dat voornoemde betrokkenheid van verdachte bij bedrijf B.V. voorzover hiervan blijkt uit het dossier, niet tot de conclusie kan leiden dat zij gedurende de ten laste gelegde periode als feitelijk leidinggevende in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht kan worden aangemerkt. Het enkele feit dat verdachte in 2009 nog een aantal facturen van bedrijf B.V. heeft ingeboekt omdat betrokkene ziek was, is daartoe onvoldoende.

Medeplegen

Het is de rechtbank voorts niet gebleken dat verdachte enige wetenschap heeft gehad van de valsheid van de overeenkomsten met bedrijf 3 dan wel de valsheid van de facturen van bedrijf 3. Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte wist van het totaalbedrag aan betalingen aan bedrijf 3, noch dat deze betalingen ten onrechte waren. Ook volgt uit het dossier niet dat verdachte wetenschap had van de facturen genoemd onder feit 3, waardoor dit feit reeds hierom niet kan worden bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank kan verdachte dan ook niet als medepleger van de tenlastegelegde feiten worden aangemerkt.
 

Benadeelde partijen

Curator mr. curator

De curator van de gefailleerde bedrijf B.V., mr. curator heeft een vordering tot vergoeding van schade namens de schuldeisers van de boedel van bedrijf B.V. ingediend van € 1.164.186,90.

De rechtbank overweegt dat, wanneer de faillissementscurator optreedt namens de gezamenlijke schuldeisers van de gefailleerde die rechtstreeks schade hebben geleden door een strafbaar feit, de faillissementscurator uit hoofde van diens bijzondere positie als vertegenwoordiger van de gezamenlijke schuldeisers bevoegd is voor de belangen van deze schuldeisers in rechte op te komen.

Gelet op de integrale vrijspraak van verdachte zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank begroot op nihil.

Stichting schuldeiser

Stichting schuldeiser heeft een vordering tot vergoeding van schade ingediend van € 1.051.165 terzake van schadeloosstellingen aan reizigers die bij bedrijf B.V. een reis hadden geboekt.

Naar het oordeel van de rechtbank is de door Stichting schuldeiser geleden schade, gelet op het feit dat zij in haar hoedanigheid als garantiefonds dient te worden aangemerkt als gesubrogeerde, niet aan te merken als rechtstreekse schade in de zin van artikel 51a Sv. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank begroot op nihil.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF