Veroordeelde heeft zijn touroperator opzettelijk in het hoogseizoen failliet laten gaan. Stichting Garantiefonds Reisgelden niet-ontvankelijk als benadeelde partij.

Rechtbank Den Haag 20 november 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:16472

Veroordeelde heeft zijn touroperator expres in het hoogseizoen failliet laten gaan. Kort daarvoor had veroordeelde door middel van valse facturen € 800.000 naar door hem gecontroleerde Turkse bankrekeningen overgemaakt. Door dit faillissement moesten 164 mensen vanuit Turkije door Stichting Garantiefonds Reizen naar Nederland worden gebracht en van 1.700 mensen ging de reis niet door.
 

De tenlastelegging

Aan de verdachte is, kort samengevat, ten laste gelegd dat hij tezamen en in vereniging met zijn partner medeverdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan bedrijf B.V., welke vennootschap de volgende strafbare feiten heeft gepleegd:

  • het in de periode van 1 januari 2008 tot en met 30 maart 2011 tezamen en in vereniging met bedrijf 3 gebruik maken van een tweetal valse overeenkomsten met bedrijf 3 (feit 1, primair), facturen van bedrijf 3 (feit 2, primair) en facturen aan klanten van bedrijf B.V. (feit 3, primair);
  • het in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2009 tezamen en in vereniging met bedrijf 2 B.V. onttrekken van een bedrag van € 837.384,-- aan de boedel ter verkorting van rechten van de schuldeisers (feit 4, primair).
  • Subsidiair zijn deze feiten aan verdachte ten laste gelegd, niet als feitelijk leidinggever van bedrijf B.V., maar als medepleger.

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
 

Over bedrijf

B.V. was een touroperator die in Nederland vliegvakanties naar Turkije aanbood. bedrijf B.V. is op 31 december 2004 opgericht. Sinds de oprichting tot aan de datum van het faillissement op 14 juli 2009 is bedrijf 2 B.V., gevestigd te Rijpwetering, enig bestuurder en aandeelhouder geweest. Sinds de oprichting van bedrijf 2 B.V. tot aan het faillissement waren verdachte en medeverdachte de directeuren van die rechtspersoon. 

Op 17 maart 2009 heeft verdachte namens bedrijf 2 B.V. en namens bedrijf B.V. een management overeenkomst ondertekend waarbij verdachte door bedrijf 2 B.V. aan bedrijf B.V. als werknemer ter beschikking werd gesteld per 1 januari 2005.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de betalingen bij bedrijf B.V. verrichtte, dat hij de vliegtuigstoelen, hotelaccommodaties en transfers inkocht en dat hij de feitelijk leidinggever was van bedrijf B.V.

bedrijf B.V. kocht hotelovernachtingen en transfers van de luchthaven naar de hotels in via lokale agenten (incoming agents) zoals bijvoorbeeld incoming agent 1 en incoming agent 2. Namens incoming agent 1 sloot betrokkene 1 overeenkomsten met bedrijf B.V. betrokkene 1 is een jeugdvriend van verdachte.

In de periode van 12 december 2008 tot 20 januari 2009 was bedrijf BV niet aangesloten bij de Stichting Garantiefonds Reisgelden (SGR). 

Over bedrijf 3

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij begin 2009 samen met betrokkene 1 het plan had opgevat om bedrijf 3 op te richten om extra inkomsten te genereren.

Uit een uittreksel van 13 april 2011 van de Turkse Kamer van Koophandel volgt dat de aandeelhouders van bedrijf 3 op dat moment waren: betrokkene 2 en betrokkene 3 (tevens general manager).7 betrokkene 2 en betrokkene 3 zijn de zus en de broer van verdachte.

De relatie tussen bedrijf B.V. en bedrijf 3

Verdachte heeft op 1 juni 2009 namens bedrijf B.V. een overeenkomst gesloten met betrokkene 1 als vertegenwoordiger van bedrijf 3. In deze overeenkomst is vastgelegd dat bedrijf B.V. garandeert om in de periode van 25 juni 2009 tot en met 22 augustus 2009 3.230 vliegtuigstoelen van bedrijf 3 af te nemen. De stoelen moeten steeds uiterlijk twee weken voor vertrek worden betaald.

Voorts heeft verdachte namens bedrijf B.V. een agenturvertrag afgesloten met betrokkene 1 als vertegenwoordiger van bedrijf 3, zijnde incoming agent. De overeenkomst is gedateerd op 14 juni 2009. In deze overeenkomst wordt overeengekomen dat bedrijf B.V. in de periode van 1 juli 2009 tot 31 december 2009 voor wat betreft hotelovernachtingen voor het gebied Antalya met niemand anders zaken zal doen dan met bedrijf 3. bedrijf B.V. garandeert een passagiersaantal van minstens 1.500 personen.

In de administratie van bedrijf B.V. zijn facturen afkomstig van bedrijf 3 aangetroffen. In het dossier zijn deze opgenomen als D-024 tot en met D-065. Op de facturen D-024 tot en met D-053 staat vermeld dat bedrijf 3 in de maand juli 2009 hotelaccommodaties en transfers heeft geleverd aan bedrijf B.V. Op de facturen D-054 tot en met D-065 staat vermeld dat bedrijf 3 in de periode 25 juni 2009 tot en met 22 augustus 2009 3445 vliegtuigstoelen heeft geleverd. Op de facturen staat onder meer vermeld dat het vliegtuigstoelen betreft van onder meer de volgende vluchten van Transavia:

  • HV701 van 4 juli 2009 (Amsterdam – Antalya);
  • HV951 van 7 juli 2009 (Amsterdam - Antalya).

Ter terechtzitting van 6 november 2017 heeft verdachte verklaard dat de bijlagen bij de facturen van bedrijf 3 afkomstig zijn uit de administratie bedrijf B.V. In deze bijlagen staan reisdetails vermeld zoals naam van de reiziger, hotel van verblijf, verblijfdata, kortingspercentages en het bedrag dat aan de reiziger is gefactureerd.

Een aantal van deze facturen is nagenoeg identiek aan elkaar. De datum van de facturen bedraagt telkens 15 juni 2009 dan wel 1 juli 2009, het in rekening gebrachte bedrag bedraagt telkens € 103.200,-, de subtotalen per vlucht zijn steeds gelijk en het aantal afgenomen stoelen is steeds identiek. De reisdata in deze facturen lopen van 25 juni 2009 tot en met 18 augustus 2009.

Op een computer van verdachte zijn facturen van bedrijf 3 aan bedrijf BV aangetroffen welke nog niet van data en factuurnummer waren voorzien. Op deze facturen staan echter wel telkens een aantal vluchtdata en daaraan gekoppelde stoelen en prijzen vermeld. Voor een belangrijk deel komen deze niet gedateerde facturen overeen met de hiervoor genoemde wel gedateerde facturen die eveneens bij bedrijf BV zijn aangetroffen.

Op de computer in de woning van verdachte is een Excel-overzicht aangetroffen van de bijboekingen en afboekingen van een bankrekening van bedrijf 3. In het Excel-overzicht is een kolom opgenomen waarboven staat vermeld: ‘VERTALING OMSCHRIJVING’. In deze kolom staat bij de datum van 10.06.2009 vermeld: ‘Beginstand GEBRUIKER’ en bij 05.01.2010: ‘Eindstand GEBRUIKER’. Op het overzicht staat ook vermeld dat op de volgende data de volgende bedragen afkomstig van bedrijf B.V. zijn bijgeboekt:

  • 22 juni 2009 155.249,81;
  • 22 juni 2009 145.385,56;
  • 8 juli 2009 163.147,25;
  • 9 juli 2009 60.000,00.

Over het faillissement

Bij brief en fax van 9 juli 2009 heeft verdachte aan Stichting Garantiefonds Reisgelden gemeld dat bedrijf B.V. niet meer in staat is om haar schuldeisers te voldoen.

Op 9 juli 2009 heeft bedrijf B.V. haar eigen faillissement aangevraagd. Op 14 juli 2009 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage bedrijf B.V., statutair gevestigd te Leiden en feitelijk gevestigd te Hoofddorp, in staat van faillissement verklaard en mr. curator, gevestigd te Leiden, als curator aangesteld.

De fysieke administratie is door verdachte ongeveer twee maanden na het faillissement aan de curator overgelegd.
 

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten - voor wat betreft de primaire varianten - wettelijk en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 3 heeft zij aangevoerd dat de valsheid volgt uit de volgende omstandigheden:

  • er zit een veel langere tijd tussen de boekdatum en de factuurdatum dan gebruikelijk was;
  • uit onderzoek van Stichting Garantiefonds Reisgelden (SGR) in de boekhouding van bedrijf B.V. is gebleken dat in de periode dat bedrijf B.V. was geroyeerd, nieuwe facturen zijn opgemaakt met een boekingsdatum en factuurdatum die is gelegen in de periode dat bedrijf B.V. wel lid was van SGR;
  • werkneemster betrokkene 4 van bedrijf B.V. heeft verklaard dat de reden daarvan was gelegen in het omboeken van reserveringen om onder de garantieregeling te vallen.
     

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Ter onderbouwing heeft de raadsman aangevoerd dat bedrijf 3 daadwerkelijk vliegtuigstoelen en hotelovernachtingen/transfers heeft geleverd zoals is gefactureerd; van valse overeenkomsten en facturen is dan ook geen sprake. Er zijn daadwerkelijk reizigers op vakantie geweest die bij bedrijf B.V. een reis hadden geboekt. Het feit dat er meer vliegtuigstoelen zijn ingekocht dan waren verkocht had onder meer te maken met de ‘stoelenhandel’ nadien, daar hield bedrijf B.V. zich immers ook mee bezig. Verdachte wist pas op 7 juli 2009 dat bedrijf B.V. failliet zou gaan. Alle betalingen aan bedrijf 3 zijn gedaan voor 7 juli 2009. De op de rekeningafschriften vermelde data van 7 juli 2009 en 8 juli 2009 betreffen valutadata, niet zijnde data van overboeking.
 

De beoordeling van de tenlastelegging

Vrijspraak feit 3

SGR heeft een lijst overgelegd van personen die een reis bij bedrijf B.V. hebben geboekt in de periode dat bedrijf B.V. was geroyeerd als lid, en die dus niet onder de garantieregeling vielen (D-80). De rechtbank constateert echter dat de personen die op de in de tenlastelegging vermelde facturen staan vermeld voor een groot gedeelte niet voorkomen op deze door de SGR overgelegde lijst. Voor zover deze personen wel voorkomen op de lijst van de SGR, is de vertrekdatum op de factuur anders dan de vertrekdatum op de lijst van de SGR. De rechtbank leidt hieruit af dat het kennelijk ging om andere dan wel gewijzigde reizen, zoals door verdachte ter terechtzitting ook is verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt in het dossier enig bewijs dat de facturen die in de tenlastelegging zijn genoemd, zijn ‘omgeboekt’ dan wel zijn gepostdateerd en ten onrechte zijn voorzien van een SGR logo. De verklaring van betrokkene 4 op dit punt is onvoldoende, omdat deze verklaring niet wordt ondersteund door bescheiden in het dossier. De enkele vaststelling dat er sprake is van een geruime tijdsduur tussen boekings- en factuurdatum heeft, in het licht van het voorgaande, ook onvoldoende bewijswaarde. Aldus kan niet bewezen worden dat verdachte al dan niet als feitelijk leidinggever van bedrijf B.V. facturen valselijk heeft opgemaakt, dan wel heeft vervalst. Verdachte zal integraal worden vrijgesproken van dit feit.

Feiten 1, 2 en 4

Getuige 1, hoofd juridische zaken en externe betrekkingen van Transavia, heeft verklaard dat 99% van de vluchten wordt verkocht aan Nederlandse touroperators en direct aan particulieren. bedrijf 3 komt niet voor in de administratie van Transavia. Stoelen op de volgende vluchten zijn aan de hierna genoemde touroperators verkocht:

- HV701 van 4 juli 2009 (Amsterdam – Antalya) aan: Corendon;

- HV951 van 7 juli 2009 (Amsterdam - Antalya); Aan: Corendon en Sundio.

Getuige 2, directeur van Corendon, heeft verklaard dat hij bedrijf 3 niet kent. Op bovengenoemde vluchten heeft Corendon 106 respectievelijk 110 stoelen gekocht van Transavia. Corendon heeft geen van deze stoelen doorverkocht aan bedrijf 3 noch aan bedrijf B.V. getuige 3, financieel directeur van Sundio, heeft verklaard dat bedrijf 3 niet in de administratie van Sundio voor komt. Van de stoelen op vlucht HV951 van 7 juli 2009 heeft Sundio geen vliegtuigstoelen doorverkocht.

betrokkene 5, supervisor reserveringen bij bedrijf B.V., die onder meer verantwoordelijk was voor het controleren van de inkoopfacturen en de contacten met incoming agents, kent bedrijf 3 niet als incoming agent.

Na het afsluiten van de exclusieve overeenkomst met bedrijf 3 per 1 juni 2009, heeft bedrijf B.V. nog hotelbedden gekocht bij incoming agents incoming agent 1 en incoming agent 2 tot en met vertrekdatum 7 juli 2009.

Uit de administratie van bedrijf B.V. en de facturen van bedrijf 3 volgt dat bedrijf B.V. 3455 vliegtuigstoelen had ingekocht terwijl er 1520 vliegtuigstoelen aan reizigers waren verkocht. Voor specifiek de maand juli 2009 had bedrijf B.V. 1655 vliegtuigstoelen gekocht van bedrijf 3 terwijl er 1019 aan klanten waren gekocht.

getuige 4, directeur van SGR, heeft verklaard dat ten aanzien van reizigers die via bedrijf B.V. een reis hadden geboekt en die ten tijde van het faillissement in Turkije waren, de terugvlucht niet was betaald. SGR heeft 164 personen gerepatrieerd vanuit Turkije na het faillissement van bedrijf B.V.

Overwegingen ten aanzien van feiten 1, 2 en 4

Op de computer van verdachte zijn niet gedateerde facturen van bedrijf 3 aangetroffen (D-203). Deze niet gedateerde facturen komen qua data, aantal stoelen en prijzen voor een belangrijk deel overeen met een aantal, in de administratie van bedrijf BV aangetroffen facturen (D-060 t/m D-064). Het in bezit hebben van nog niet volledig opgemaakte facturen van bedrijf 3 past naar het oordeel van de rechtbank niet bij een normale, zakelijke, verhouding tussen aanbieder en afnemer van diensten.

De in de administratie van bedrijf BV aangetroffen gedateerde facturen (D-055, D-056, D-059 tot en met D-064) zijn bovendien alle nagenoeg identiek. Daarnaast zijn deze facturen opgemaakt op 15 juni 2009 en 1 juli 2009 en daarmee alle kort voor het faillissement van bedrijf BV. Verdachte heeft geen overtuigende verklaring kunnen geven over het in bezit hebben van de ongedateerde concept facturen, noch over de opmerkelijke overeenkomsten in de facturen.

De rechtbank stelt verder vast dat uit de hiervoor vermelde verklaringen van Transavia, Corendon en Sundio volgt dat het niet mogelijk is dat bedrijf 3 voor onder meer de vluchten:

  • HV701 van 4 juli 2009 (Amsterdam – Antalya);
  • HV951 van 7 juli 2009 (Amsterdam - Antalya);

vliegtuigstoelen aan bedrijf B.V heeft geleverd. Voorts geldt dat bedrijf B.V., volgens facturen van bedrijf 3, kort voor het faillissement veel meer vliegtuigstoelen ingekocht heeft, dan dat zij verkocht had aan reizigers. Dit terwijl voor de in Turkije aanwezige reizigers die een terugreis hadden geboekt na de melding van betalingsonmacht van bedrijf B.V., geen terugreis was geboekt. Deze reizigers moesten immers worden gerepatrieerd door de SGR. Voorts is gebleken dat er voor vertrekkende reizigers tot de datum melding van betalingsonmacht, ondanks het contract met bedrijf 3, nog bij andere incoming agents werd ingekocht. Dit alles, mede gelet op het feit dat betrokkene 5 - bij bedrijf B.V. verantwoordelijk voor inkoopfacturen en contactpersoon ten aanzien incoming agents - geen contact met bedrijf 3 heeft gehad en ook de facturen van bedrijf 3 nooit eerder heeft gezien. kan de rechtbank tot geen andere conclusie brengen dan dat bedrijf 3 vliegtuigstoelen noch accommodaties en transfers heeft geleverd aan bedrijf B.V. en dat de in de tenlastelegging genoemde facturen aldus vals zijn.

Nu het naar het oordeel van de rechtbank eenvoudigweg nooit de bedoeling van partijen is geweest dat bedrijf 3 vliegtuigstoelen en hotelaccommodaties/transfers aan bedrijf B.V. zou leveren, acht zij ook de in de tenlastelegging vermelde overeenkomsten beide vals.

Opzet

Uit de omstandigheden dat verdachte – volgens zijn eigen verklaring – bedrijf 3 in 2009 heeft opgericht met betrokkene 1 met het doel om meer omzet te behalen, zijn broer en zus de enige formele bestuurders waren van bedrijf 3, verdachte zicht had op de financiën bij bedrijf 3 en zelfs – volgens zijn eigen verklaring – een onjuiste betaling bij bedrijf 3 wilde nagaan, leidt de rechtbank af dat verdachte in vergaande mate zeggenschap had over de bedrijfsvoering van bedrijf 3. Verdachte heeft vervolgens namens bedrijf B.V. valse overeenkomsten met bedrijf 3 afgesloten, valse facturen van bedrijf 3 geaccordeerd voor betaling en binnen een maand € 837.385,23 aan bedrijf 3 betaald voor niet geleverde diensten. Alles overziend concludeert de rechtbank dat met de oprichting van bedrijf 3 sprake is geweest van het opzetten van een schijnconstructie om door middel van valse documenten gelden over te kunnen boeken naar bedrijf 3 De opzet op de tenlastegelegde handelingen is hiermee gegeven.

Feitelijk leidinggeven

Uit het dossier alsmede de eigen verklaring van verdachte volgt dat hij, gelet op zijn formele positie binnen bedrijf B.V. en de feitelijke rol die hij binnen de vennootschap had, als feitelijk leidinggever kan worden aangemerkt.

Conclusie

Op grond van al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er wettig en overtuigend bewijs is voor het onder feit 1 en 2 primair tenlastegelegde, waarbij geldt dat bedrijf B.V. de genoemde overeenkomsten en facturen voorhanden heeft gehad, heeft gebruikt en heeft afgeleverd door deze aan de curator over te leggen, aan welke gedragingen verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.

Ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers

De rechtbank overweegt dat verdachte als feitelijk leidinggevende van bedrijf B.V. een bedrag van € 837.385,23 heeft overgemaakt naar bedrijf 3 terwijl daar geen rechtsgeldige titel voor bestond. Vervolgens heeft hij zelf het faillissement van bedrijf B.V. aangevraagd. Gelet op de datum van ondertekening van de overeenkomst met bedrijf 3 op 1 juni 2009 concludeert de rechtbank dat verdachte in ieder geval op die datum het plan had om het faillissement van bedrijf B.V. aan te vragen en aldus toen op de hoogte was van het naderende faillissement van bedrijf B.V. De rechtbank is van oordeel dat uit al het voorgaande volgt dat hierbij sprake is geweest van een vooropgezet plan, om op deze wijze voornoemd geldbedrag buiten de failliete boedel te houden. Ook feit 4 acht de rechtbank derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Tezamen en in vereniging met medeverdachte?

De rechtbank heeft in het dossier onvoldoende aanknopingspunten gevonden waaruit zou moeten blijken dat medeverdachte als feitelijk leidinggever van bedrijf B.V. kan worden aangemerkt. De rechtbank spreekt verdachte van deze onderdelen in de tenlastelegging vrij.
 

Vorderingen benadeelde partijen

Curator

De curator van de gefailleerde bedrijf B.V., mr. curator heeft een vordering tot vergoeding van schade namens de schuldeisers van de boedel van bedrijf B.V. ingediend van € 1.164.186,90.

De rechtbank overweegt dat, wanneer de faillissementscurator optreedt namens de gezamenlijke schuldeisers van de gefailleerde die rechtstreeks schade hebben geleden door een strafbaar feit, de faillissementscurator uit hoofde van diens bijzondere positie als vertegenwoordiger van de gezamenlijke schuldeisers bevoegd is voor de belangen van deze schuldeisers in rechte op te komen. De rechtbank is echter van oordeel dat het gevorderde onvoldoende is onderbouwd. Behandeling en beoordeling van de vordering zou naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding met zich brengen. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank begroot op nihil.

Stichting Garantiefonds Reisgelden

Stichting Garantiefonds Reisgelden heeft een vordering tot vergoeding van schade ingediend van € 1.051.165 terzake van schadeloosstellingen aan reizigers die bij bedrijf B.V. een reis hadden geboekt. Naar het oordeel van de rechtbank is de door Stichting Garantiefonds Reisgelden geleden schade, gelet op het feit dat zij in haar hoedanigheid als garantiefonds dient te worden aangemerkt als gesubrogeerde, niet aan te merken als rechtstreekse schade in de zin van artikel 51a Sv. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank begroot op nihil.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 1 primair: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
  • Feit 2 primair: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
  • Feit 4 primair: bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;
     

Strafoplegging

Gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

 

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF