Verdachte heeft bewust geld onttrokken aan bedrijf ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers

Gerechtshof Amsterdam 27 februari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:925

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het benadelen van schuldeisers in het faillissement van bedrijf 1. Die benadeling bestond daaruit dat de verdachte ruim € 200.000 aan de banktegoeden van bedrijf 1 heeft onttrokken, terwijl het faillissement onafwendbaar was en de verdachte dat onderkende.

De verdachte heeft hierbij enkel oog gehad voor zijn eigen financiële situatie en op geen enkele wijze acht geslagen op de belangen van schuldeisers. Hij heeft daarentegen met opzet getracht de belangen van schuldeisers te frustreren door hen te beperken in het uitoefenen van hun verhaalsmogelijkheden. Voorts heeft de verdacht zich schuldig gemaakt aan witwassen van door hem aan bedrijf 1 onttrokken gelden en heeft hij, aldus handelende, de integriteit van het financiële en economische verkeer geschonden.
 

Bespreking bewijsverweer

De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde bepleit wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet op bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers.

Zij heeft daartoe aangevoerd – kort samengevat – dat de verdachte werd benaderd door een zekere naam 1 die het bedrijf van de verdachte, bedrijf 1 (hierna: bedrijf 1) wilde overnemen. naam 1 zag mogelijkheden het bedrijf te laten voortbestaan omdat hij (meer) vertrouwen had in te entameren juridische procedures. De verdachte heeft op advies van naam 1 de gelden van de bankrekening van bedrijf 1 gehaald om beslag door naam 2 (dan wel bedrijf 2) te voorkomen waarbij het de bedoeling was de gelden later weer naar bedrijf 1 terug te storten, terwijl er op het moment van de verkoop geen aanwijzingen waren voor een faillissement.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het dossier blijkt dat de verdachte in de periode van 10 februari 2012 tot en met 26 maart 2012 in totaal € 385.0002 van de bankrekening op naam van bedrijf 1 heeft overgeboekt (uiteindelijk) naar zijn privé-bankrekeningen. Op 10 en 20 februari 2012 betrof het overboekingen van (respectievelijk) € 200.000 en € 100.000, daarna bleef het beperkt tot het periodiek (verder) afromen van de saldi op de rekening. De verdachte was in deze periode directeur en enig aandeelhouder van bedrijf 1 en heeft aldus getracht beslag op deze gelden door (de crediteur) naam 2 dan wel bedrijf 2 te voorkómen.

Tussentijds is (in diverse tranches) in totaal € 177.504 weer teruggestort - naar de verdachte ter zitting in hoger beroep desgevraagd heeft verklaard - teneinde zakelijke uitgaven (zoals betalingen van salarissen) te doen. Per saldo is daarmee een bedrag van € 207.496 onttrokken aan bedrijf 1 ten gunste van (uiteindelijk) twee privé-bankrekeningen van de verdachte.3 Zoals de rechtbank heeft overwogen, heeft de verdachte - telkens nadat gelden van de bankrekening van bedrijf 1 waren overgemaakt naar de bankrekening van zijn persoonlijke holding bedrijf 3 - deze ontvangsten met tussenstappen en veelal in verschillende bedragen doorgestort naar bankrekeningen van zijn ex-partner getuige, zijn dochter naam 4 en een vriend, genaamd naam 5 om uiteindelijk het geld te laten storten op zijn twee privé bankrekeningen.

Het hof acht de verklaring van de verdachte dat hij een bedrag van (per saldo) € 207.496 aan bedrijf 1 heeft onttrokken om te kunnen bewerkstelligen dat bedrijf 1 kon worden voortgezet en dat de gelden daarmee ook ten goede zijn gekomen aan bedrijf 1, ongeloofwaardig. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat:

    1    de verdachte de geldbedragen in verschillende omvang over verschillende bankrekeningen (van bekenden van hem) heeft laten lopen, terwijl hij voor dit getrapt doorsluizen geen verklaring heeft kunnen geven;

    2    getuige getuige heeft verklaard dat de verdachte tegen haar heeft gezegd dat hij niet nog meer geld wilde kwijtraken aan de vorige eigenaar hof: naam 2, dan wel bedrijf 2 en dat hij op zoek was naar een katvanger

    3    de verdachte het door hem onttrokken geldbedrag niet naar bedrijf 1 heeft teruggestort, maar € 150.000 aan de aandeelhouder Stichting Park Nederland heeft betaald en de resterende € 57.496 niet meer getraceerd kan worden. Ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte - desgevraagd - voor de betaling aan de aandeelhouder in plaats van aan de vennootschap, noch voor het ‘gat’ van € 57.496 een steekhoudende verklaring kunnen geven.

Het hof acht voorts de verklaring van de verdachte dat hem niets valt te verwijten omdat er op het moment van de verkoop geen zicht was op een faillissement en hij bovendien slechts heeft gehandeld

in vertrouwen en op advies van naam 1, ongeloofwaardig. De verdachte wist dat met het onverwacht beëindigen van de licentieovereenkomst door bedrijf 4 85% tot 90% van de omzet van bedrijf 1 zou wegvallen. De verdachte moet gelet op zijn positie als (feitelijk) bestuurder van bedrijf 1 zich hebben gerealiseerd dat de onderneming daarmee afstevende op een faillissement. Dat hij zich bewust was van de zorgwekkende situatie blijkt ook uit de omstandigheid dat hij (al) in januari 2012 bij het UWV collectief ontslag heeft aangevraagd voor het personeel. Ter terechtzitting in hoger beroep kon de verdachte ook niet concreet aangeven op welke wijze het bedrijf in die omstandigheden toch nog levensvatbaar zou zijn geweest en door hem had kunnen worden voorgezet. Dat naam 1 wèl mogelijkheden zou hebben gezien, meer in het bijzonder om het juridische gevecht met naam 2 en bedrijf 4 aan te gaan, wordt door de verdachte wel gesteld maar – desgevraagd – niet nader onderbouwd. Nog daargelaten dat deze (blote) stelling ook geen verklaring is voor de hiervoor omschreven onttrekkingen aan bedrijf 1 en ook geen recht of titel verschaft voor die onttrekkingen. De onttrekkingen waren – zoals de verdachte ook heeft verklaard – juist en alleen bedoeld om beslag door schuldeisers (meer in het bijzonder naam 2 en/of bedrijf 2) op de banktegoeden van bedrijf 1 onmogelijk te maken.

Gelet op het vorenstaande, in onderlinge verband en samenhang bezien, alsmede gelet op hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen, is het hof van oordeel dat de verdachte bewust geld heeft onttrokken aan bedrijf 1 ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers. Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Indien en voor zover door de verdediging ter terechtzitting is beoogd een herhaalde verzoek te doen tot het horen van getuige naam 1, wijst het hof dit verzoek af onder verwijzing naar hetgeen het hof daaromtrent reeds ter terechtzitting van 5 april 2017 heeft overwogen. Door de verdediging zijn geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit kan worden afgeleid dat te verwachten valt dat de getuige thans wel binnen aanvaardbare termijn zal kunnen verschijnen en zal kunnen worden gehoord.
 

Strafoplegging

Het hof acht in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van elf maanden passend en geboden. Het hof zal echter, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, bepalen dat aan de verdachte een vrijheidsbenemende straf zal worden opgelegd van gelijke duur als door de rechtbank opgelegd, derhalve acht maanden.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF