Taakstraf van 40 uur na onttrekken bedrijfsinventaris, voorraad en machines aan de faillissementsboedel

Rechtbank Limburg 4 april 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:3199

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

  • Feit 1: met anderen faillissementsfraude heeft gepleegd dan wel goederen aan het gelegde beslag heeft onttrokken dan wel goederen heeft gestolen.
  • Feit 2: met anderen op meerdere tijdstippen goederen heeft gestolen.
     

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder 1 primair tenlastegelegde enkel met betrekking tot de vissen en het onder 2 tenlastegelegde met uitzondering van de vissen en de heftrucks bewezen kan worden verklaard. Zij heeft daarbij verwezen naar de aangiften, de camerabeelden en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting.
 

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. Er zijn door de verdachte vissen en goederen weggenomen. De camerabeelden tonen niet aan welke goederen zijn weggenomen. De tenlastegelegde diefstal onder 2 kan eveneens bewezen worden verklaard, maar niet ten aanzien van de heftrucks.
 

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid bedrijf 1, een rechtspersoon in de zin van artikel 2:3 van het Burgerlijk Wetboek, is een groothandel in onder meer vijver– en aquariumvissen, –planten en –toebehoren. Daarnaast houdt bedrijf 1 zich bezig met de bouw/productie van aquaria en terraria. De vennootschap is statutair gevestigd in Roosteren, gemeente Echt-Susteren en houdt kantoor op het adres 1 te Born.

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid bedrijf 2, eveneens een rechtspersoon in de zin van artikel 2:3 van het Burgerlijk Wetboek, is enig aandeelhouder van bedrijf 1 en is samen met naam bestuurder 1 bestuurder van bedrijf 1 Iedere bestuurder heeft zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid. Verdachte is samen met naam bestuurder 2 bestuurder van bedrijf 2.

Bij beschikking van de rechtbank Limburg d.d. 1 april 2015 werd bedrijf 1 in staat van faillissement verklaard. Tot curator werd aangesteld mr. J.H. van Seters (hierna te noemen: de curator), advocaat te Roermond. Uit het op 1 maart 2016 door de curator ingediende openbare faillissementsverslag blijkt dat het faillissement van bedrijf 1 nog niet is geëindigd.

Als gevolg van het faillissement mogen door of namens bedrijf 1, dan wel haar bestuurders of derden namens hen, geen goederen meer worden meegenomen van de bedrijfslocatie. Op 13 november 2015 heeft de curator aangifte gedaan van faillissementsfraude door verdachte. In de aangifte heeft de curator – kort gezegd – aangegeven dat verdachte op 20 april 2015 en 21 april 2015 goederen, te weten bedrijfsinventaris, voorraad en machines heeft onttrokken aan de faillissementsboedel. Verdachte en derden hebben zich deze bedrijfsinventaris, machines en voorraad opzettelijk en wederrechtelijk toegeëigend.

De verdachte heeft bij de politie, nadat hem de camerabeelden van de loods van bedrijf 1, gelegen aan de adres 1 in Born, van 20 april 2015 werden getoond, verklaard dat hijzelf en persoon 1 te zien zijn op deze camerabeelden. Verdachte heeft toen een mal meegenomen om strepen mee te trekken, een verfspuit en een krat met administratie. persoon 1 wist niet dat de goederen in de loods niet verplaatst mochten worden. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij op 20 april 2015 ook nog pompjes en filtertjes heeft weggenomen.

Bij de politie heeft de verdachte verklaard, nadat hem de camerabeelden van dezelfde loods van bedrijf 1 van 21 april 2015 werden getoond, dat hijzelf, persoon 2 en persoon 3 op die camerabeelden te zien zijn. Verdachte heeft persoon 2 toen ongeveer 50 vissen gegeven. Ook heeft hij drie vissen (koi’s) voor zichzelf meegenomen. Die vissen waren van de faillissementsboedel. persoon 2 en persoon 3 wisten volgens verdachte niet dat bedrijf 1 failliet was en dat zij niet aan de goederen in de loods van bedrijf 1 mochten komen.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op tijdstippen gelegen in de periode van 20 april 2015 tot en met 28 april 2015 zich schuldig heeft gemaakt aan faillissementsfraude door goederen aan de boedel van de failliete rechtspersoon bedrijf 1 te onttrekken, met dien verstande dat, nu het dossier geen aanwijzingen bevat voor de betrokkenheid, in de zin van nauwe en bewuste samenwerking, van anderen dan verdachte bij deze fraude, verdachte van het medeplegen zal worden vrijgesproken.
 

Feit 2

De curator heeft op 28 april 2015 met de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid bedrijf 3 een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de activa van bedrijf 1 Verdachte is op 29 april 2015 ’s middags door de curator persoonlijk van deze koopovereenkomst op de hoogte gesteld. De levering van de activa zou plaatsvinden nadat betaling had plaatsgevonden en de curator de ontvangst van de gelden had bevestigd aan de (middellijk) bestuurder van bedrijf 3. Volgens de curator hebben de betaling en de bevestiging op of omstreeks 28 of 29 april 2015 plaatsgevonden.

Op 1 mei 2015 doet naam aangever 1 aangifte van diefstal van diverse goederen uit de loods van bedrijf 1 in Born. Op 3 mei 2015 verklaren naam aangever 1 en naam aangever 2 bij de politie dat bedrijf 3 de activa van bedrijf 1 heeft gekocht van de curator. De inventaris is in bezit gekomen van bedrijf 3 op 28 april 2015. Enkele dagen daarvoor was de koopsom al betaald. Op 29 april 2015 rond 14.00 uur overhandigde verdachte aan naam aangever 1 de sleutel van de loods van bedrijf 1 Dat was in opdracht van de curator. naam aangever 1 is daarna weggegaan. Op 30 april 2015 kwam naam aangever 1 weer in de loods van bedrijf 1 Hij zag toen dat er allerlei spullen weg waren, die er de dag tevoren nog stonden. naam aangever 1 is vervolgens de camerabeelden gaan bekijken. Op deze beelden zag hij dat verdachte en een andere man op 29 april 2015 diverse spullen uit de loods wegnamen.

Bij de politie heeft de verdachte verklaard, nadat hem de camerabeelden van de loods van bedrijf 1 van 29 april 2015 werden getoond, dat hijzelf die middag met een klant bij de loods was en dat hij toen geneesmiddelen en een binnenfilter voor een aquarium heeft weggenomen. Ter terechtzitting heeft de verdachte aanvullend verklaard dat hij die middag ook visvoer heeft meegenomen. Diezelfde avond is verdachte weer naar de loods gegaan, op dat moment met zijn zwager naam bestuurder 2. Hij heeft toen vijverfolie, watervallen, een accuheftruck en een hogedrukspuit weggenomen. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij die avond ook nog een pompwagen heeft weggenomen.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op meerdere tijdstippen op 29 april 2015 heeft schuldig gemaakt aan diefstal van diverse goederen, met dien verstande dat, nu het dossier geen aanwijzingen bevat voor de betrokkenheid van anderen, in de zin van nauwe en bewuste samenwerking, dan verdachte bij deze diefstallen, verdachte van het medeplegen zal worden vrijgesproken. Dat geldt ook voor de diefstal van vissen en heftrucks. Het dossier bevat namelijk geen aanknopingspunten voor de diefstal van die goederen op of omstreeks 29 en 30 april 2015. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij op 29 april 2015 ook een accuheftruck had meegenomen, maar deze heftruck behoorde niet tot de door bedrijf 3 gekochte activa van bedrijf 1.
 

Bewezenverklaring

  • feit 1 primair: als bestuurder van een rechtspersoon die in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers van de rechtspersoon een goed aan de boedel onttrekken, meermalen gepleegd;
  • feit 2: diefstal, meermalen gepleegd.
     

Strafoplegging

  • Taakstraf van 40 uur.
     

De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij bedrijf 3

Door haar vordering tot vergoeding van schade heeft bedrijf 3 zich als benadeelde partij gevoegd in het strafgeding. Zij vordert vergoeding van een bedrag van € 5.000,00. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van € 250,00 voor goederen en € 4.750,00 voor vissen die niet door haar konden worden geleverd aan bedrijf 4, het bedrijf dat op haar beurt de door bedrijf 3 uit de faillissementsboedel van bedrijf 1 gekochte vissen en enkele andere goederen had overgenomen.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij in haar vordering, nu de vordering onvoldoende onderbouwd is.

De raadsvrouw heeft inzake de vordering van de benadeelde partij bepleit dat zij niet‑ontvankelijk in haar vordering dient te worden verklaard, gelet op de omstandigheid dat de omvang van het vissenbestand niet kan worden vastgesteld.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij met betrekking tot de vissen (€ 4.750,00) niet-ontvankelijk verklaren. De verdachte zal immers van de diefstal van vissen onder feit 2 worden vrijgesproken. De rechtbank zal de resterende vordering (€ 250,00 voor goederen) eveneens niet-ontvankelijk verklaren. Welke goederen door de benadeelde partij niet aan bedrijf 4 geleverd konden worden, kan bij gebreke van een nadere onderbouwing door de benadeelde partij door de rechtbank niet worden vastgesteld. De rechtbank is om die reden van oordeel dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij voor dit gedeelte (€ 250,00) eveneens niet-ontvankelijk in de vordering verklaren en bepalen dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aangezien de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten die door de verdachte ter verdediging tegen de vordering zijn gemaakt. Niet gebleken is dat verdachte (extra) kosten heeft gemaakt ten aanzien van deze civiele vordering. De rechtbank stelt deze kosten daarom vast op nihil.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF