Bestuurder rechtspersonen door het hof veroordeeld tot voorwaardelijke gevangenisstraf wegens (onder meer) faillissementsfraude

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1129

De in artikel 343 Sr (oud) gebezigde bewoordingen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ brengen tot uitdrukking dat de verdachte het opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers. Voor het bewijs van dat opzet is (minimaal) vereist dat de handeling van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan en dat verdachte die aanmerkelijke kans welbewust heeft aanvaard (o.a. HR 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:BI4691, NJ 2010, 104).

Het hof stelt het volgende vast.

a.    Van de inleg door beleggers over de jaren 1996-2006 van in totaal ongeveer
€70.000.000,- is €20.000.000,- geïnvesteerd in gronden en aanplant. De rest is opgegaan aan met name kosten.

b.    In de loop van het jaar 2000 is duidelijk geworden dat voor de bosbouw ongeschikte gronden aangekocht zijn.

c.    De omzet van participaties liep in de periode 2000-2003 terug van €9.500.000,- naar €1.000.000,-.

d.    De kosten van rechtspersoon 1 waren in 2003 nagenoeg gelijk aan de omzet en dat was ook in 2004 het geval.

e.    In 2003 brengt AVRO’s Netwerk een negatief item op televisie over rechtspersoon 2 en de investering in hout.

f.     Medio 2004 bedroeg het saldo aan onbetaalde rekeningen €400.000,-.

g.    De voormalige compagnon van verdachte heeft verdachte in 2004 meermalen geschreven dat hij zich zorgen maakte en vreesde voor een faillissement van rechtspersoon 1.

h.    Verdachte heeft op 9 augustus 2004 zijn lening aan rechtspersoon 1 als achtergestelde lening geboekt en op dezelfde dag aan rechtspersoon 1 geschreven dat hij afziet van de aflossingen over de jaren 2000-2003, elk ter grootte van €1.134.451,- steeds om reden dat de liquiditeits- en solvabiliteitspositie van rechtspersoon 1 het niet toelaat.

i.      Sinds 2006 kwamen er geen gelden van participanten meer binnen.

j.     Betalingen van facturen werden steeds langer uitgesteld en er kwamen steeds meer aanmaningen.

k.    De kosten van juridische procedures bedroegen in de jaren voorafgaand aan het faillissement €40.000,- tot €45.000,- per maand.

l.      Op 12 september 2007 is in de Financiële Telegraaf een artikel verschenen met als strekking dat investeringen in teakhout niet serieuze beleggingen zijn en door de AFM niet goedgekeurd worden.

m.  Bij brief van 18 oktober 2007 heeft de AFM rechtspersoon 2 medegedeeld voornemens te zijn de vergunningaanvraag van rechtspersoon 2 uit hoofde van artikel 2:58 eerste lid (aanbieden van beleggingsobjecten) onder a, d en e Wft en uit hoofde van artikel 2:83 eerste lid (bemiddelen) onder a, d en e Wft af te wijzen.

Het hof leidt hieruit af dat op het moment dat de AFM meedeelde voornemens te zijn de vergunningaanvraag van rechtspersoon 2 af te wijzen – volgens de verdediging de nekslag voor de ondernemingen van verdachte – rechtspersoon 1 en rechtspersoon 2 al enige jaren onvoldoende inkomsten hadden en te veel kosten, onvoldoende vermogen hadden (om te investeren of om op termijn de investeerders terug te betalen) en onvoldoende liquiditeit hadden (om aan lopende verplichtingen te voldoen). Desondanks is verdachte, wetende van die ophanden zijnde nekslag én van de financiële positie van de ondernemingen, gelden van de rekeningen van rechtspersoon 1 en rechtspersoon 2 blijven overboeken en opnemen, zonder enige specificatie en kennelijk zonder geldige titel.

Uit hetgeen het hof hiervoor heeft vastgesteld en overwogen volgt:

  • dat ten tijde van de overboekingen en contante opnames, voor zover gedaan na 18 oktober 2007, een aanmerkelijke kans op een faillissement bestond en
  • dat verdachte met het overboeken en het opnemen in contanten van gelden van de rekeningen van rechtspersoon 1 en rechtspersoon 2, welbewust de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers van beide vennootschappen heeft doen ontstaan.

Anders dan de verdediging is het hof dan ook van oordeel dat verdachte het opzet heeft gehad op verkorting van de rechten van de schuldeisers.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 1: als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon enig goed aan de boedel onttrokken hebben, meermalen gepleegd.
  • Feit 2: feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon opzettelijk begaan van een overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:55, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht.
     

Strafoplegging

Bestuurder rechtspersonen door het hof veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar, met een proeftijd van 2 jaar, wegens (onder meer) faillissementsfraude.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF