Boekhouder vrijgesproken in een strafzaak rond faillissementsfraude

Rechtbank Overijssel 19 februari 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:514

De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

  • feit 1: in de periode van 18 juni 2013 tot en met 26 mei 2015 medeplichtig is geweest aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk door Uitzendburo BV, doordat die BV niet heeft voldaan aan de verplichting de administratie voor de curator te bewaren dan wel die administratie voor die curator tevoorschijn te brengen;
     
  • feit 2: in de periode van 17 december 2013 tot en met 26 mei 2015 medeplichtig is geweest aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk door Industrieservice BV, doordat die BV niet heeft voldaan aan de verplichting de administratie voor de curator te bewaren dan wel die administratie voor die curator tevoorschijn te brengen.
     

Feitelijke gang van zaken

Uitzendburo BV is volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel op 18 juli 1996 opgericht en hield zich bezig met het exploiteren van een uitzendbureau. Medeverdachte 1 was sinds 21 juli 2000 algemeen directeur en bestuurder van Uitzendburo en hij was naast drie andere aandeelhouders voor 49% aandeelhouder. Uitzendburo is op 18 juni 2013 failliet verklaard waarbij mr. M.A. Pasma tot curator is aangesteld.

Industrieservice BV (verder te noemen: Industrieservice) is volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel op 22 augustus 2008 opgericht. medeverdachte 1 was tot 29 januari 2013 100% aandeelhouder en bestuurder van Industrieservice. Vanaf 29 januari 2013 is medeverdachte 2 100% aandeelhouder en bestuurder van Industrieservice. Industrieservice is op 17 december 2013 failliet verklaard waarbij mr. R.G.A. Luinstra tot curator is aangesteld.

Op 5 en 8 december 2014 hebben de curatoren Pasma en Luinstra aangifte gedaan van faillissementsfraude door medeverdachte 1 en medeverdachte 2 omdat zij als bestuurders dan wel feitelijk leidinggevenden van Uitzendburo en Industrieservice niet hebben voldaan aan de op hen rustende verplichting tot het in ongeschonden staat tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden of geschriften. Hierdoor hebben de curatoren niet kunnen controleren of er (meer) baten in deze faillissementen waren, en meer in zijn algemeenheid hebben zij de rechten en verplichtingen van Uitzendburo en Industrieservice niet kunnen vaststellen, waardoor de rechten van de schuldeisers zijn verkort.

Administratiekantoor bedrijf 3 staat ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel onder de handelsnaam Maatschap bedrijf 4. De maatschap wordt gedreven voor rekening van verdachte en naam. Administratiekantoor bedrijf 3 was ten tijde van het faillissement van Uitzendburo en Industrieservice de boekhouder van beide vennootschappen.

De Belastingdienst/Groningen heeft onderzoek ingesteld betreffende de faillissementen van Uitzendburo en Industrieservice en daarbij is op 9 mei 2014 contact opgenomen met het administratiekantoor bedrijf 3. Verdachte heeft toen gezegd dat medeverdachte 1 en zijn BV’s geen klant meer waren, dat alle administratie aan medeverdachte 1 was meegegeven en dat het kantoor geen administratie meer voorhanden had van de voornoemde BV’s, waarbij ook alle data zou zijn gewist.

Bij de doorzoeking van de privéwoning van verdachte op 26 mei 2015 zijn op de zolder echter wel fysieke administratieve stukken, zoals het ketendossier van Uitzendburo en Industrieservice over het jaar 2012, en een USB-stick met administratie, aangetroffen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het in 2012 duidelijk was dat Uitzendburo en Industrieservice in financieel zwaar weer verkeerden en dat toen met behulp van een financieel adviseur de mogelijkheid is besproken van overdracht van de bedrijfsactiviteiten, activa en de schuld aan de ABN AMRO-bank naar een nieuwe structuur zonder dat sprake zou zijn van benadeling van schuldeisers. Hierover is ook overleg gevoerd met de bank. Verdachte ging er vanuit dat de overdracht van de activa en schulden zou plaatsvinden en dat medeverdachte 1 met de Belastingdienst en de overige schuldeisers een betalingsregeling zou treffen. Verdachte is ook niet betrokken geweest bij de overdracht van de aandelen van Industrieservice (en de poging tot aandelenoverdracht ter zake Uitzendburo) aan medeverdachte 2.

Door dit alles kwam de relatie met medeverdachte 1 onder druk te staan, waardoor het vertrouwen ontbrak om de werkzaamheden voort te zetten en is uiteindelijk – mede ingegeven door de ziekte van verdachtes vrouw en van hemzelf – besloten de relatie te verbreken.

Op verzoek van medeverdachte 1 is de administratie over 2012 nog afgewikkeld en verwerkt in een concept-jaarrekening. Daarna heeft verdachte de bij hem aanwezige administratie van Uitzendburo en Industrieservice teruggegeven aan medeverdachte 1. Verdachte is er daarbij vanuit gegaan dat medeverdachte 1 de administratie daadwerkelijk zou overdragen aan medeverdachte 2. medeverdachte 2 was immers de bevoegde bestuurder van Industrieservice vanaf eind januari 2013. Dit alles heeft verdachte ook medegedeeld aan de curator en de betrokken medewerker van de Belastingdienst. Dat er bij de doorzoeking van verdachtes woning toch administratie van de betrokken bedrijven is aangetroffen, heeft verdachte verbaasd. Deze administratie had volgens hem nooit op de zolder moeten belanden maar direct moeten worden geretourneerd aan medeverdachte 1.
 

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gelet op de inhoud van het dossier en de daarin opgenomen getuigenverklaringen en stukken gevorderd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen wordt verklaard.
 

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde nu hij geen opzet heeft gehad op bedrieglijke bankbreuk. Daarnaast bestaat er volgens de verdediging geen causaal verband tussen het achterhouden van de administratie en de bedrieglijke bankbreuk. Zou de curator de beschikking hebben gehad over deze administratie, dan had de curator nog steeds niet geweten wat er werkelijk was gebeurd met de activa van Uitzendburo en Industrieservice.
 

Het oordeel van de rechtbank

Uit het dossier blijkt niet dat verdachte enig financieel voordeel heeft genoten uit de bedrieglijke bankbreuk die zou zijn gepleegd door Uitzendburo en Industrieservice. Daarnaast bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank geen feiten of omstandigheden op grond waarvan verdachtes verklaring dat hij geen opzet heeft gehad op bedrieglijke bankbreuk, als ongeloofwaardig ter zijde zou moeten worden gesteld. Bij gebrek aan overtuigend bewijs voor een opzettelijk en ter bedrieglijke verkorting handelen door verdachte, zal de rechtbank verdachte derhalve vrijspreken van de tenlastegelegde feiten.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF