Vrijspraak wegens een te beperkte ten laste gelegde periode

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 17 januari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:125

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte voor feit 1 primair en feit 2 zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis, waarvan voorwaardelijk 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaar.

De verdediging heeft bepleit dat:

  • verdachte integraal zal worden vrijgesproken;
  • indien het hof toch komt tot een bewezenverklaring van feit 1 subsidiair, verdachte daarvoor zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging
  • indien het hof komt tot een strafoplegging, de verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke straf, dan wel een onvoorwaardelijke taakstraf van maximaal 100 uren.
     

Vrijspraak

Het hof komt, anders dan de advocaat-generaal maar met de verdediging, tot de conclusie dat verdachte van het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe als volgt.

De curator van B.V. A, curator, heeft tegenover de politie verklaard (aangifte, p. 28) dat ‘de bestuurder van de rechtspersoon zich schuldig heeft gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk omdat hij niet heeft voldaan aan de op hem rustende wettelijke verplichting tot het voeren van een administratie en/of het in ongeschonden staat tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en geschriften waardoor ik niet heb kunnen controleren of er (meer) baten in dit faillissement zijn en meer in het algemeen de waarde van de inventaris en omgang van de debiteuren niet heb kunnen vaststellen zodat de rechten van de schuldeisers kunnen zijn of worden verkort’.

Uit het dossier blijkt dat dit is te wijten aan het feit dat verdachte als bestuurder:

  • niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen tot het voeren van een fatsoenlijke administratie zoals bedoeld in artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 15i, eerste lid van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Deze administratieplicht betreft de periode tot het faillissement;
  • en/of niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen om de ingevolge voornoemde bepalingen wèl gevoerde administratie op een fatsoenlijke manier te bewaren conform de artikelen 2:10 en 3:15i BW. Deze bewaarverplichting omvat een zevenjaarsperiode en eindigt op het moment waarop de administratie in het faillissement aan de curator wordt afgegeven. Verdachte heeft terechtzitting in hoger beroep verklaard dat B.V. A in augustus 2010 uit het pand aan de straat te Roosendaal is vertrokken en dat sindsdien een andere rechtspersoon, B.V. B (verder: B.V. B ), de activiteiten van B.V. A met de oude inventaris van B.V. A in dezelfde ruimten aan de straat te Roosendaal heeft voortgezet en dat verdachte bij het vertrek uit dit pand de administratie van B.V. A daar heeft achtergelaten. In dit kader merkt het hof op dat indien het al zo zou zijn geweest dat verdachte administratie van B.V. A heeft achtergelaten in het pand dat toen door B.V. B werd gehuurd, verdachte hiermee niet heeft voldaan aan deze op hem rustende bewaarverplichting;
  • en/of voor zover verdachte als bestuurder ingevolge de artikelen 2:10 en 3:15i BW administratie heeft gevoerd en bewaard, deze niet na de vordering daartoe van de curator (terstond) ongeschonden aan deze ter beschikking heeft gesteld.

Op 28 augustus 2012 verklaart de curator dat een deel van de administratie van B.V. A later door de Belastingdienst aan hem is overhandigd. De Belastingdienst had die bij een administratiekantoor in beslag genomen. Dit betrof niet de volledige administratie. Verder merkt de curator op dat er geen baten in de boedel zijn aangetroffen en dat de schulden circa 7 ton bedragen (dossier, p. 47).

Daar deze verplichtingen tot het voeren, bewaren en afgeven van de administratie rustten op verdachte als enige bestuurder van de (inmiddels gefailleerde) BV, is het, bij gebreke aan enige contra-indicatie, tenminste aan diens schuld te wijten dat deze verplichting(en) is(/zijn) geschonden. Nu echter de tenlastelegging, zowel in zijn primaire als subsidiaire vorm, is beperkt tot de periode vanaf het faillissement van de BV en niet kan worden vastgesteld of verdachte vanaf de datum van het faillissement de op hem rustende bewaar- en/of afgifteverplichting heeft geschonden, dient vrijspraak te volgen.
 

Feit 2

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door een valselijk opgemaakt stuk aan de curator te overleggen teneinde aan te tonen dat de administratie van zijn failliet verklaarde bedrijf zou zijn weggegooid. Hij heeft hiermee de curator misleid en het werk van de curator ernstig bemoeilijkt c.q. gefrustreerd, hem daardoor (bij een lege boedel) nodeloos op kosten gejaagd en geen recht gedaan aan de belangen van de schuldeisers in het faillissement van B.V. A. Verdachte heeft zich bij het plegen van de feiten evenmin iets aangetrokken van de belangen van de persoon wiens naam valselijk in de brief was vermeld, de heer getuige I.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 2: opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.
     

Strafoplegging

  • Een taakstraf voor de duur van 150 uur.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF