Katvanger krijgt werkstraf opgelegd voor medeplegen bedrieglijke bankbreuk

Rechtbank Overijssel 19 februari 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:510

Een 28-jarige katvanger is veroordeeld tot 80 uur werkstraf voor faillissementsfraude met bedrijven uit Delfzijl. Een 60-jarige medeverdachte uit Duitsland is veroordeeld tot een celstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Dit alles omdat de man dacht dat hij door zijn ziekte nog twee jaren te leven had en het daarom financieel nog goed wilde hebben. De boekhouder is vrijgesproken.
 

Verdenking

De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk door Industrieservice BV in de periode van 17 december 2013 tot en met 7 september 2015, doordat de administratie van voornoemd bedrijf niet bewaard is voor de curator en deze administratie ook niet is getoond aan de curator.
 

Achtergrond

Industrieservice BV (verder te noemen: Industrieservice) is volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel op 22 augustus 2008 opgericht. Medeverdachte 1 (verder te noemen: medeverdachte 1 ) was tot 29 januari 2013 enig bestuurder van Industrieservice. Vanaf 29 januari 2013 is verdachte enig aandeelhouder en bestuurder van Industrieservice. Industrieservice is op 17 december 2013 door de rechtbank Noord-Nederland failliet verklaard waarbij mr. R.G.A. Luinstra tot curator is aangesteld.

Curator Luinstra heeft op 8 december 2014 aangifte gedaan van faillissementsfraude, waarbij de curator heeft verklaard dat volgens opgaaf van de bestuurder (verdachte) geen enkele vorm van een administratie aanwezig was. Ook heeft verdachte aan hem aangegeven dat hij geen administratie had gekregen van zijn voorganger medeverdachte 1. Ondanks verzoeken daartoe heeft de curator geen inlichtingen gekregen over de administratie.

Bij de doorzoeking van de privéwoning van de boekhouder van onder meer Industrieservice, de heer medeverdachte 2, zijn op 26 mei 2015 op de zolder fysieke administratieve stukken zoals het ketendossier van Industrieservice over het jaar 2012, en een USB-stick met administratie, aangetroffen.


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gelet op de inhoud van het dossier en de daarin opgenomen getuigenverklaringen en stukken gevorderd dat het ten laste gelegde bewezen wordt verklaard.
 

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde nu hij niet in het bezit was van de gehele administratie van Industrieservice en hij de administratie waarover hij wel beschikte ter beschikking heeft gesteld aan de curator Luinstra.
 

Het oordeel van de rechtbank

Artikel 15i, eerste lid van boek 3 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt: Een ieder die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent, is verplicht van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn bedrijf of beroep, naar de eisen van dat bedrijf of beroep, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde zijn rechten en verplichtingen kunnen worden gekend.

Daarnaast is iedere ondernemer wettelijk verplicht de administratie zeven jaar te bewaren. Bij het voeren van een deugdelijke boekhouding, als bedoeld in de hiervoor weergegeven bepalingen uit het BW, gaat het in ieder geval om basisgegevens als:

- het grootboek;

- de debiteuren- en crediteurenadministratie;

- de voorraadadministratie;

- de in- en verkoopadministratie;

- de loonadministratie (bij personeel).

Degenen die aan deze administratieve verplichtingen zijn onderworpen, worden geacht te weten dat de administratie een leidraad is voor financieel verantwoord handelen en dat, als in geval van een faillissement de curator niet kan beschikken over een deugdelijke administratie, dit benadeling van de (faillissements-)schuldeisers met zich meebrengt.

Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 3 april 2015 blijkt dat verdachte op

29 januari 2013 de aandelen heeft verworven van Industrieservice en dat verdachte eigenaar en enig bestuurder van Industrieservice is geworden. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij Industrieservice bewust op zijn naam heeft gezet en dat hij dit heeft gedaan om van zijn schulden af te komen. Verdachte wist dat er binnen deze BV illegale praktijken zouden gaan plaatsvinden en dat hij als katvanger zou fungeren. Hij heeft dit besproken met medeverdachte 1. In Industrieservice zouden goederen worden besteld die niet betaald gingen worden maar die wel aan anderen zouden worden doorverkocht. Verder heeft verdachte verklaard dat hij op de hoogte was van het feit dat Industrieservice failliet zou worden verklaard.

Nadat Industrieservice in staat van faillissement is verklaard, is verdachte gevraagd om de administratie van Industrieservice aan de curator te verstrekken. Verdachte heeft tegen de curator verklaard dat er geen enkele vorm van een administratie aanwezig was. Evenwel is in de bij de boekhouder aangetroffen administratie een document aangetroffen, gedateerd januari 2013 en ondertekend door verdachte, waarin staat dat verdachte de gehele boekhouding en administratie van onder meer Industrieservice heeft ontvangen. Verdachte heeft erkend dat hij deze verklaring heeft ondertekend, terwijl hij in werkelijkheid helemaal geen administratie van Industrieservice had ontvangen. Uiteindelijk heeft de curator geen administratie van Industrieservice gekregen van verdachte, noch van medeverdachte 1.

Doordat er geen administratie aan de curator is verstrekt, heeft de curator niet kunnen controleren of er (meer) baten in dit faillissement waren, en meer in zijn algemeenheid heeft hij de rechten en verplichtingen van Industrieservice niet kunnen vaststellen, waardoor de rechten van de schuldeisers zijn verkort.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat Industrieservice onder leiding van verdachte en tezamen en in vereniging met medeverdachte medeverdachte 1, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers van Industrieservice niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het BW.
 

Bewezenverklaring

  • Medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.
     

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren.

Verdachte heeft zich samen met medeverdachte 1 schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk. Uit het dossier komt naar voren dat verdachte om van zijn schuldenlast af te komen zich door medeverdachte 1 heeft laten verleiden om bestuurder te worden van Industrieservice, terwijl hij wist dat er illegale praktijken zouden gaan plaatsvinden en Industrieservice uiteindelijk failliet zou worden verklaard. Ondanks het feit dat verdachte niet degene is geweest die het plan heeft bedacht, heeft hij een wezenlijke bijdrage geleverd aan deze faillissementsfraude. Dat neemt de rechtbank hem kwalijk.

 

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF