Veroordeling bedrieglijke bankbreuk & gewoontewissen

Rechtbank Overijssel 22 januari 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:219

Een 58-jarige vrouw uit Hengelo is veroordeeld tot 9 maanden celstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De vrouw hield zich met haar ex-man gedurende een langere periode samen bezig met faillissementsfraude, gewoontewitwassen en heeft daarnaast de curator niet voorzien van de nodige inlichtingen. Dit alles omdat verdachte en haar ex-man hebben geprobeerd hun levensstijl in stand te houden. Op geen enkele wijze komt naar voren dat zij zich ook maar enigszins bekommerden om de belangen van de betrokken schuldeisers in het (aanstaande) faillissement.

Verdenking

De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

  • feit 1: in de periode van 9 februari 2012 tot en met 26 augustus 2013 samen met anderen bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd dan wel in dezelfde periode medeplichtig is geweest aan bedrieglijke bankbreuk;
  • feit 2: in de periode van 9 februari 2012 tot en met heden samen met anderen zich schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen.

Relevante feiten en omstandigheden

Verdachte was gehuwd met medeverdachte. Op 22 september 2010 is de echtscheiding tussen medeverdachte en verdachte uitgesproken.

Medeverdachte was financieel directeur van bedrijf 5 BV (verder te noemen: bedrijf 5) welke BV was gelieerd aan 22 andere vennootschappen. Deze vennootschappen zijn in mei 2010 failliet verklaard. Op 16 juni 2010 is medeverdachte door de curatoren van bedrijf 5 gedagvaard en aansprakelijk gesteld voor het tekort in de faillissementen van bedrijf 5. Op 27 april 2011 hebben de curatoren een vonnis tegen medeverdachte verkregen tot betaling van ruim € 115.000-(in het faillissement van bedrijf 5) en ruim € 63.000- (in het faillissement van bedrijf 6 BV).

Daarnaast is medeverdachte op 8 februari 2012 wegens onbehoorlijke taakvervulling veroordeeld tot betaling van het tekort in de faillissementen van de voornoemde besloten vennootschappen die gelieerd waren aan bedrijf 5. Dat tekort werd geschat op ruim 100 miljoen euro. Betaling van beide bedragen bleef uit. De curatoren hebben op 17 juli 2012 het faillissement van medeverdachte aangevraagd.

Het faillissement van medeverdachte is op 26 september 2012 uitgesproken waarbij mr. F. Kolkman is aangesteld tot curator.

medeverdachte heeft de curator bericht dat hij per 1 oktober 2012 via bedrijf 3 BV voor 40 uur per week als administratieve kracht bij installatiebedrijf bedrijf 7 BV werkte.

Bedrijf 7 is per 10 juni 2013 failliet verklaard waarna er een onderzoek binnen het bedrijf is gedaan. Tijdens dit onderzoek zijn negen facturen aangetroffen die betrekking hebben op werkzaamheden die medeverdachte bij het installatiebedrijf heeft verricht. De facturen zijn opgemaakt door bedrijf 1 BV  in de periode van 1 februari 2012 tot en met 21 september 2012. medeverdachte is sinds 7 april 2006 bestuurder en enig aandeelhouder van bedrijf 1. De door bedrijf 1 gefactureerde bedragen ad € 155.295- zijn naar het bankrekeningnummer bankrekening 1 ten name van verdachte overgemaakt.

Ook zijn er drie facturen bij bedrijf 7 aangetroffen, opgemaakt door bedrijf 2 BV over de periode 2 februari 2013 tot en met 11 maart 2013. Verdachte is sinds 4 maart 2013 bestuurder en enig aandeelhouder van bedrijf 2. De door bedrijf 2 gefactureerde bedragen ad € 30.250- zijn door bedrijf 7 betaald op de bankrekening van bedrijf 2.

Op 30 maart 2012 is er een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de verkoop van de woning aan de adres te Hengelo van medeverdachte en verdachte aan de heer naam 1 en mevrouw naam 2 voor een bedrag van € 350.000-. Op 1 oktober 2012 is de woning teruggekocht voor € 357.000 door verdachte.

De curator heeft op 24 januari 2014 aangifte gedaan bij de FIOD onder meer van het feit dat medeverdachte zich vermoedelijk schuldig heeft gemaakt aan het plegen van faillissementsfraude.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd gelet op de inhoud van het dossier en de daarin opgenomen getuigenverklaringen en stukken dat het onder de feiten 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen wordt verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat er geen (voorwaardelijk) opzet op benadeling van de schuldeisers in het faillissement van medeverdachte is geweest. Verdachte zou het faillissement van medeverdachte niet hebben zien aankomen. Nu medeverdachte zelf niet over een bankrekening kon beschikken, heeft verdachte meegewerkt door haar bankrekening ter beschikking te stellen enkel met het doel om zo haar ex uit de brand te helpen. Daarnaast betrof een deel van de overgemaakte bedragen, zijnde € 150.000-, een afwikkeling van de echtscheiding en had verdachte recht op voornoemd bedrag. Ten aanzien van bedrijf 2 heeft de raadsvrouw gesteld dat verdachte met deze BV helemaal geen bemoeienis heeft gehad en niet wist wat er in voornoemde BV omging. Van een opzettelijke gedraging van verdachte om geld te verhullen of te verbergen of van een gedraging die anderszins zou kunnen worden gekwalificeerd als witwassen, is geen sprake, aldus de raadsvrouw.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Juridisch kader

Ingevolge artikel 341 Sr (oud) is sprake van bedrieglijke bankbreuk indien diegene die in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers onder meer enig goed aan de boedel onttrokken heeft of onttrekt.

Voor de beantwoording van de bewijsvraag in onderhavige zaak moet worden vastgesteld of en wanneer verdachte goederen aan de boedel heeft onttrokken, al dan niet als medepleger. Gelet op het arrest van de Hoge Raad d.d. 13 januari 1987 (NJ 1987/863) vallen onttrekkingen aan de boedel voordat het faillissement is uitgesproken ook onder artikel 341 van het Wetboek van Strafrecht.

Voorts dient de vraag te worden beantwoord of de door verdachte en/of haar medepleger(s) gepleegde handelingen zijn verricht ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’. Daarmee wordt volgens constante vaste jurisprudentie tot uitdrukking gebracht dat de verdachte het (voorwaardelijk) opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers. Voor het bewijs van het opzet is derhalve ten minste vereist dat de handeling van de verdachte(n) de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan, alsmede dat de verdachte(n) door die gedraging die aanmerkelijke kans bewust heeft(/hebben) aanvaard.

Onttrekken van goederen aan de boedel (het tenlastegelegde onder A)

Vaststaat dat medeverdachte zowel in de periode voorafgaand aan het faillissement als na het faillissement inkomsten heeft genoten die hij niet heeft opgegeven bij de curator en/of zijn gemachtigde.

Uit het dossier blijkt dat de negen facturen die zijn opgemaakt door bedrijf 1 in de periode van 1 februari 2012 tot en met 21 september 2012 door bedrijf 7 zijn betaald. De door bedrijf 1 gefactureerde bedragen zijn naar het bankrekeningnummer bankrekening 1 ten name van verdachte overgemaakt. medeverdachte kon die gelden naar zijn zeggen niet ontvangen op zijn eigen bankrekening, omdat daar beslag op lag. Uit bankafschriften blijkt dat bedrijf 7 in totaal € 154.987,90 op de bankrekening van verdachte heeft overgemaakt. medeverdachte heeft deze inkomsten niet opgegeven bij de curator en/of zijn gemachtigde.

Ten tweede heeft medeverdachte salarissen die hij ontving voor werkzaamheden bij bedrijf 7 in de periode van 9 februari 2012 tot en met 4 januari 2013 via bedrijf 3 gedeclareerd en laten uitbetalen op de bankrekening van verdachte. Uit de bankafschriften blijkt dat bedrijf 3 in totaal € 45.761,36 heeft uitbetaald. medeverdachte heeft aan de curator bericht dat hij per 1 oktober 2012 via bedrijf 3 bij bedrijf 7 werkte. De salarisspecificaties van week 41 tot en met week 52 van 2012 (tot een totaalbedrag van € 3.511,90) heeft medeverdachte wel aan de curator verstrekt. medeverdachte heeft de overige inkomsten ad € 42.249,46 niet bij de curator en/of zijn gemachtigde opgegeven.

Ten derde zijn drie facturen tijdens het onderzoek aangetroffen gericht aan bedrijf 7 en opgemaakt door bedrijf 2 in de periode 2/2/2013 t/m 11/3/2013. De door bedrijf 2 gefactureerde bedragen ad € 30.250- zijn betaald op de bankrekening van bedrijf 2. Ook deze inkomsten heeft medeverdachte niet opgegeven.

Verdachte stelt dat zij recht had op een bedrag van € 150.000- uit hoofde van de afwikkeling van de echtscheiding. De rechtbank stelt deze verklaring van verdachte als ongeloofwaardig terzijde. Uit het echtscheidingsconvenant blijkt immers niet van een dergelijke betalingsverplichting van medeverdachte aan verdachte. In het onderhavige strafdossier is van enige onderbouwing voor een dergelijke betalingsverplichting evenmin sprake. Verdachte heeft ter zitting nader gesteld dat deze betalingsverplichting samenhangt met een hoofdelijke aansprakelijkstelling voor een restschuld, doch ook daarvoor is geen enkele overtuigende onderbouwing gegeven. De rechtbank stelt vast dat verdachte heeft gedaan alsof medeverdachte een schuld van € 150.000- aan haar had en alsof die werd afgelost met de stortingen op haar bankrekeningen.

Verder stelt verdachte dat zij geen bemoeienis had met bedrijf 2. Nadat verdachte al haar privé-bankrekening ter beschikking had gesteld aan medeverdachte om het beslag op diens rekening te omzeilen en nadat het faillissement van medeverdachte was uitgesproken, is verdachte op verzoek van medeverdachte enig aandeelhouder en bestuurder van bedrijf 2 geworden. medeverdachte heeft vervolgens via bedrijf 2 facturen opgemaakt en inkomsten gegenereerd.

In samenhang bezien met hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ook voor wat betreft de betalingen op de rekening van bedrijf 2 nauw en bewust met onder meer medeverdachte heeft samengewerkt om ervoor te zorgen dat gelden buiten het zicht van de curator bleven.

Op grond van vorenstaande overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met onder meer medeverdachte € 154.987,90 en € 42.249,46 en € 30.250- aan de boedel heeft onttrokken.

Bevoordelen van schuldeiser (het tenlastegelegde onder B)

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte naam 1 en naam 2 heeft bevoordeeld ten opzichte van de andere schuldeisers van medeverdachte nu niet – zoals ten laste is gelegd – is gebleken dat medeverdachte een schuld is aangegaan met deze personen. Uit de verklaring van de getuige naam 1 en de opgestelde koopovereenkomst van 25 oktober 2012 en de daarin opgenomen hypothecaire lening blijkt slechts dat verdachte een schuld heeft aan voornoemde betrokken personen en niet medeverdachte. De rechtbank zal verdachte dan ook van het onder B ten laste gelegde vrijspreken.

Ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn ( medeverdachte) schuldeisers

Bij vonnis van 27 april 2011 en bij vonnis van 8 februari 2012 is medeverdachte veroordeeld tot betaling van respectievelijk € 115.000- en 100 miljoen euro. medeverdachte is niet overgegaan tot betaling. Daarnaast was beslag gelegd op de bankrekening van medeverdachte bij de ABN AMRO bank.

Verdachte stelt thans dat het persoonlijk faillissement van medeverdachte voor haar geenszins voorzienbaar was. De rechtbank stelt die verklaring als ongeloofwaardig terzijde. Gelet op de financiële problemen van medeverdachte, het nog steeds voortdurende contact tussen medeverdachte en verdachte zoals dat uit het dossier blijkt, de media-aandacht en het gegeven dat verdachte haar bankrekeningen ter beschikking stelde aan medeverdachte omdat er beslag op diens eigen rekeningen lag, kán het niet anders dan dat ook verdachte vanaf 1 februari 2012 wist dat het persoonlijk faillissement van medeverdachte – afgezien van onverwachte toevalligheden – onvermijdelijk was.

Door vanaf 1 februari 2012 grote sommen geld op haar rekeningen te laten storten en die bijgeboekte bedragen niet te gebruiken om de bestaande schuldeisers van medeverdachte te betalen, maar in plaats daarvan onder meer gelden over te boeken naar andere bankrekeningen van haarzelf en gelden contant op te nemen, heeft verdachte samen met onder meer medeverdachte zichzelf en medeverdachte bevoordeeld. Daarmee heeft ook verdachte de aanmerkelijke verkorting van de verhaalsmogelijkheden voor schuldeisers van medeverdachte bewust aanvaard.

De rechtbank acht op grond van het hiervoor overwogene het onder feit 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Op basis van hetgeen hiervoor reeds is uiteengezet onder feit 1 is de rechtbank gebleken dat verdachte tezamen en in vereniging met medeverdachte, bedrijf 1 en bedrijf 2 gedurende een aanzienlijke periode inkomsten van medeverdachte aan de boedel heeft onttrokken, waardoor ten minste een aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers is ontstaan. Hieruit volgt dat de geldbedragen genoemd in feit 2 uit misdrijf afkomstig zijn.

Uit onderzoek naar de diverse bankrekeningen die op naam van verdachte staan, komt naar voren dat, kort nadat bedrijf 7 de facturen van bedrijf 1 (periode facturen 1 februari 2012 t/m 21 september 2012) op haar eigen rekeningnummer en de facturen van bedrijf 2 (periode facturen 2 februari 2013 t/m 11 maart 2013) en die van bedrijf 3 (periode 9 februari 2012 t/m week 41) op het rekeningnummer van bedrijf 2 had betaald, overboekingen van zowel haar Nederlandse bankrekening en het bankrekeningnummer van bedrijf 2 naar haar Duitse bankrekeningen en vice versa en opnames/ stortingen met betrekking tot haar bankrekeningnummers hebben plaatsgevonden.

Uit het dossier blijkt verder dat verdachte na de echtscheiding in de echtelijke woning bleef wonen aan de adres te Hengelo. Toen de ABNAMRO bank deze woning openbaar wilde verkopen ter inning van haar vorderingen, heeft verdachte contact gezocht met de heer naam 1 en mevrouw naam 2 met het verzoek of zij de woning wilden kopen. Op 30 maart 2012 is er een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de verkoop van de voornoemde woning aan naam 1 en naam 2 voor € 350.000-. Verdachte is in de woning blijven wonen na de verkoop. Op 1 oktober 2012 is de woning door verdachte teruggekocht voor € 357.000-. Een deel van dat bedrag, groot € 81.000-, is reeds vóór 1 oktober 2012 door verdachte aan naam 1 en naam 2 voldaan. Een bedrag van € 276.000- is via een hypothecaire lening van naam 1 en/of naam 2 aan verdachte gefinancierd. Verdachte heeft in de periode van 4 juni 2012 t/m 29 november 2012 een bedrag van € 12.233,26 aan naam 1 betaald en in de periode van 31 december 2012 t/m 23 april 2014 een bedrag van € 14.160- aan rente betaald aan (de onderneming van) naam 1. Volgens de getuige naam 1 hebben die betalingen te maken met de aflossing van de hypotheek. Verdachte had in de periode een netto inkomen van € 1400- per maand, zodat zij op basis van haar inkomsten niet in staat kan zijn geweest om € 81.000- in zes maanden te sparen en iedere maand een zo hoge hypotheekaflossing te voldoen.

Uit deze gang van zaken blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het door medeverdachte gefactureerde geld met betrekking tot bedrijf 1, bedrijf 3 en bedrijf 2 gestort en/of doorgeboekt is op de diverse bankrekeningen van verdachte, om genoemde bedragen buiten de boedelrekening te houden, de herkomst van dit uit misdrijf verkregen geld te verhullen en met genoemd geld onder meer de woning terug te laten kopen door verdachte, met de bedoeling de woning veilig te stellen voor verhaal van schuldeisers van medeverdachte.

Voorts blijkt uit het dossier van een veelvuldige herhaling in verhullingshandelingen dan wel gedragingen tot het verwerven, het voorhanden hebben, het overdragen van, de omzetting en het aanwenden van de verzwegen gelden. Aldus acht de rechtbank het maken van een gewoonte van witwassen door verdachte wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF