Gevangenisstraf 2 jaar en bestuursverbod voor 5 jaar na onttrekken gelden uit noodlijdende stichting

Rechtbank Overijssel 22 november 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:4462


De verdenking komt er, na een wijziging van de tenlastelegging van 1 november 2018, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

  • feit 1: al dan niet samen met anderen feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk door stichting door geldbedragen aan de boedel te onttrekken,

  • dan wel dat verdachte al dan niet samen met stichting en/of anderen bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd door geldbedragen aan de boedel te onttrekken;

  • feit 2: zich al dan niet samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen van € 387.500,--;

  • feit 3: al dan niet samen met anderen feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk door stichting door niet te voldoen aan de verplichting tot het voeren, bewaren en/of te voorschijn brengen van een deugdelijke administratie,

  • dan wel dat verdachte al dan niet samen met stichting en/of anderen bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd door niet te voldoen aan de verplichting tot het voeren, bewaren en/of te voorschijn brengen van een deugdelijke administratie;

  • feit 4: al dan niet samen met anderen feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk door bedrijf 1 door niet te voldoen aan de verplichting tot het voeren, bewaren en/of te voorschijn brengen van een deugdelijke administratie,

  • dan wel dat verdachte al dan niet samen met bedrijf 1 en/of anderen bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd door niet te voldoen aan de verplichting tot het voeren, bewaren en/of te voorschijn brengen van een deugdelijke administratie;

  • feit 5: al dan niet samen met anderen feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk door bedrijf 2 door niet te voldoen aan de verplichting tot het voeren, bewaren en/of te voorschijn brengen van een deugdelijke administratie,

  • dan wel dat verdachte al dan niet samen met bedrijf 2 en/of anderen bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd door niet te voldoen aan de verplichting tot het voeren, bewaren en/of te voorschijn brengen van een deugdelijke administratie;

  • feit 6: al dan niet samen met anderen valse facturen heeft opgemaakt, dan wel opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse facturen;

  • feit 7: al dan niet samen met anderen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse inschrijvingsformulieren van de Kamer van Koophandel voorzien van een vervalste handtekening.

De geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank stelt vast dat onder 1 aan verdachte ten laste is gelegd dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan bedrieglijke bankbreuk door stichting (hierna: stichting), althans dat hij samen met stichting en/of anderen bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd. Dit verwijt is zowel primair als subsidiair nader feitelijk uitgewerkt in twee gedachtestreepjes betreffende overboekingen vanaf de rekening van stichting naar bedrijf 2 (hierna: bedrijf 2) en overboekingen vanaf de rekening van stichting naar bedrijf 3 (hierna: bedrijf 3). Die weergave wordt voorafgegaan door de woorden ‘onder meer’.

De rechtbank is van oordeel dat de woorden ‘onder meer’ een uitbreiding van de daarna genoemde overboekingen inhoudt, als gevolg waarvan niet meer duidelijk is waartegen de verdediging zich moet verweren en waarover de rechtbank een oordeel moet vellen. De tenlastelegging is dan ook partieel nietig voor wat betreft de woorden ‘onder meer’.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding voor het overige geldig is.

Feiten 1, 2 en 3: stichting

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk door stichting door geldbedragen aan de boedel te onttrekken (feit 1 primair) en niet aan de administratieplicht te voldoen (feit 3 primair), dan wel dat hij samen met stichting op deze wijze bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd (feiten 1 en 3 subsidiair) en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen van € 387.500,-- (feit 2).


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 primair ten laste gelegde tezamen en in vereniging met medeverdachte heeft begaan. Daartoe heeft de officier van justitie gesteld dat verdachte en medeverdachte goederen aan stichting hebben onttrokken door gelden over te boeken vanaf de bankrekening van stichting naar de bankrekeningen van bedrijf 2 en bedrijf 3, op een moment dat stichting afstevende op een faillissement, en dat zij hebben nagelaten om een deugdelijke administratie te voeren op een moment dat stichting afstevende op een faillissement. Verdachte en medeverdachte hebben bovendien door gebruik te maken van de bankrekeningen van bedrijf 2 en bedrijf 3 en de gebruikte omschrijvingen bij de overboekingen getracht te verhullen dat die overboekingen ten onrechte plaatsvonden.


Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat met de overboekingen van gelden van de rekening van stichting naar de rekeningen van bedrijf 2 en bedrijf 3 geen sprake is van een onttrekking aan de boedel, aangezien met die gelden crediteuren van stichting zijn betaald. Bovendien wordt niet voldaan aan de vereisten voor strafbaarheid van de rechtspersoon, omdat de gedragingen niet kunnen worden toegerekend aan stichting. Subsidiair kunnen de in de tenlastelegging genoemde bedragen niet worden bewezen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging primair aangevoerd dat de overboekingen niet als onttrekking kunnen worden aangemerkt. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het enkele voorhanden hebben van uit misdrijf afkomstige gelden in casu niet als witwassen kan worden gekwalificeerd, omdat verdachte wordt verweten zelf het gronddelict te hebben begaan en geen sprake is van handelingen die (kennelijk) ook gericht zijn geweest op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld.

Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte en medeverdachte een ondeugdelijke administratie van voormalig bestuurder naam 1 overgedragen hebben gekregen, dat een administratieverzuim niet zonder meer de aanmerkelijke kans op verkorting van de schuldeisers doet ontstaan en dat verdachte, indien van zo’n kans sprake is geweest, zich daarvan niet bewust is geweest.


Het oordeel van de rechtbank

Stichting is een in 2004 opgerichte stichting die zich voornamelijk bezig hield met het verlenen van thuiszorg, vrouwenhulpverlening, uitzendzorg en kinderopvang. Tot 8 augustus 2011 was mevrouw naam 1 bestuurder van de stichting. Van 8 augustus 2011 tot 30 december 2011 waren verdachte en medeverdachte bestuurders van de stichting.

Op 8 mei 2012 is stichting door de rechtbank Amsterdam in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. N. Wilderink tot curator.

Met betrekking tot de onttrekkingen aan de boedel

De rechtbank stelt voorop dat van onttrekking van een goed aan de boedel sprake is indien een vermogensbestanddeel dat rechtens onder bereik en beheer van de curator in het faillissement behoort te komen, voorafgaand aan of tijdens het faillissement buiten diens bereik en beheer wordt gesteld.

Uit het dossier blijkt dat vanaf de bankrekening met nummer rekeningnummer 3 ten name van stichting de volgende spoedoverboekingen naar het bankrekeningnummer rekeningnummer 1 ten name van bedrijf 2 zijn gedaan.

Verdachte was vanaf 27 juni 2008 bestuurder van bedrijf 3.

De rechtbank concludeert gelet op de hiervoor uiteengezette feiten en omstandigheden dat gelden aan het vermogen van stichting zijn onttrokken en daarmee buiten het bereik en het zicht van de curator zijn gesteld. Verdachte is er niet in geslaagd aan te tonen dat de onttrokken bedragen ten behoeve van stichting zijn besteed. Hoewel het dossier wel aanwijzingen bevat dat er crediteuren van stichting zijn betaald met de naar bedrijf 2 en bedrijf 3 vanuit stichting overgeboekte gelden, bevat het dossier ook sterke aanwijzingen dat een deel van de gelden van stichting via de bankrekeningen van bedrijf 2 en bedrijf 3 voor andere (privé) doeleinden is gebruikt.

De rechtbank stelt gelet hierop vast dat enig geldbedrag aan de boedel is onttrokken.

Ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers

De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat de in 341 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr) gebezigde bewoordingen 'ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers' tot uitdrukking brengen dat de verdachte het opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers, dat voorwaardelijk opzet in dat verband voldoende is en dat dus voor het bewijs van het opzet ten minste is vereist dat de handeling van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan. Voorts overweegt de rechtbank dat de gedragingen moeten hebben kunnen leiden tot benadeling van de faillissementsschuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden. Van benadeling is sprake indien als gevolg van de gedraging het actief van het faillissement – de failliete boedel, het onderpand van de faillissementscrediteuren – minder is dan het anders zou zijn geweest, waardoor het ontoereikend of nog meer ontoereikend is geworden om alle schuldeisers in het faillissement daaruit te betalen.

Verdachte heeft verklaard dat uit de eerste contacten met stichting bleek dat stichting een investeerder zocht en een kapitaalinjectie nodig had, omdat het anders om zou vallen. Verdachte heeft voorts verklaard dat de gelden die op de bankrekening van stichting binnenkwamen werden doorgeboekt naar de bankrekeningen van bedrijf 2 en bedrijf 3, omdat er constant beslagen op de bankrekening van stichting werden gelegd. Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij door geld over te boeken naar bedrijf 2 en bedrijf 3 niet ter bedrieglijke verkorting van de schuldeisers heeft gehandeld, omdat hij nog in afwachting was van de opbrengst van een andere zakelijke deal (de verkoop van een jachthaven) en hij de aanmerkelijke kans op een faillissement van stichting en verkorting van de rechten van de schuldeisers derhalve niet heeft aanvaard.

De rechtbank overweegt dat wat er zij van de verklaring van verdachte dat hij de kans op benadeling van de schuldeisers niet heeft aanvaard, verdachtes gedragingen daarmee in strijd waren. Verdachte heeft immers, wetende dat stichting in een financieel penibele situatie zat, de benodigde kapitaalinjectie niet was gedaan en er constant beslagen op de bankrekening werden gelegd, gelden onttrokken aan het vermogen van stichting en die gelden niet aantoonbaar ten behoeve van stichting besteed. Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er vanaf augustus 2011 een aanmerkelijke kans op een faillissement bestond en dat verdachte de aanmerkelijke kans dat een faillissement zou volgen en dat de schuldeisers in het latere faillissement door de gedragingen in hun verhaalsmogelijkheden zouden worden benadeeld bewust heeft aanvaard.

Met betrekking tot de administratie

De rechtbank overweegt dat de in artikel 3:15i BW opgenomen eis dat een ieder die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent, verplicht is om van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn bedrijf of beroep – kort gezegd – een deugdelijke administratie te voeren, op grond van de jurisprudentie aldus moet worden begrepen dat daaraan is voldaan indien de boekhouding van een zodanig niveau is dat men snel inzicht kan krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment en deze posities en de stand van de liquiditeiten, gezien de aard en omvang van de onderneming, een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie. Naast de debiteuren- en crediteurenpositie en de stand van de liquiditeiten kunnen echter ook andere elementen van belang zijn voor het antwoord op de vraag of de boekhouding aan de daaraan te stellen eisen voldoet.

De rechtbank concludeert op grond van de in de bewijsbijlage weergegeven verklaringen van de curator, naam 2 en naam 5 dat stichting geen deugdelijke administratie heeft gevoerd, aangezien niet snel inzicht kon worden verkregen in de debiteurenpositie wegens het ontbreken van de urenadministratie en ook andere voor een onderneming van deze aard en omvang relevante stukken om een redelijk inzicht in de vermogenspositie van de onderneming te kunnen krijgen, ontbraken. De rechtbank overweegt voorts dat wat er ook zij van de stelling van verdachte dat zij een niet deugdelijke administratie van naam 1 overgedragen hebben gekregen, verdachte en medeverdachte op de hoogte waren van het feit dat de administratie gebrekkig was en dat zij hebben nagelaten om maatregelen te treffen om de administratie op orde te brengen, behoudens het bij elkaar zoeken en voegen van papieren. Bovendien is ook over de periode waarin zij zelf (feitelijk) bestuurder waren geen deugdelijke administratie gevoerd. Nu verdachte en medeverdachte vanaf augustus 2011 wisten dat de financiële situatie van de onderneming zo penibel was dat een faillissement dreigde, maar zij desondanks hebben nagelaten om maatregelen te nemen om de administratie en boekhouding op orde te brengen, hebben zij naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat schuldeisers in het faillissement hierdoor zouden worden benadeeld. De curator in het faillissement zou immers zonder deugdelijke administratie niet in staat zijn om de rechten en plichten van de failliete onderneming te kennen.

De rechtbank overweegt voorts dat, voor zover de administratie wel was gevoerd, deze niet in zijn geheel te voorschijn is gebracht, aangezien verdachte en medeverdachte de digitale administratie niet aan de curator hebben verstrekt, terwijl verdachte daar wel over beschikte. De digitale administratie is immers tijdens een doorzoeking bij verdachte thuis aangetroffen.

De strafbaarheid van stichting en het feitelijk leidinggeven

De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor strafbaarheid van stichting is voldaan, aangezien stichting geadresseerde is van de norm en de verboden gedragingen en de opzet aan stichting kunnen worden toegerekend.

De verboden gedragingen hebben in de sfeer van de rechtspersoon plaatsgevonden nu zij zijn verricht door de (enige) twee bestuurders van stichting, de gedragingen (het doen van overboekingen) passen in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon, de (bestuurders van de) rechtspersoon invloed kon(den) uitoefenen op de gedragingen en de gedragingen gelet op de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon zijn aanvaard. Eveneens kan het opzet van verdachte, nu hij formeel en feitelijk bestuurder was, aan stichting worden toegerekend.

De rechtbank acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.

De conclusie

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair en 3 primair ten laste gelegde.


Witwassen

Aan verdachte is onder feit 2 ten laste gelegd dat hij tezamen en in vereniging met een ander geld heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet door geldbedragen van de bankrekening van stichting naar de bankrekeningen van bedrijf 2 en bedrijf 3 over te boeken, terwijl hij wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat deze geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. De officier van justitie heeft derhalve in haar tenlastelegging het onderliggende misdrijf, te weten de onttrekking van geld aan stichting door overboekingen te doen naar bedrijf 2 en bedrijf 3, aangemerkt als de feitelijke witwashandeling. De ten laste gelegde witwashandeling is dus het onderliggende misdrijf zelf.

Naar het oordeel van de rechtbank kan dit niet tot een bewezenverklaring leiden, aangezien aan de ten laste gelegde feitelijke witwashandeling geen misdrijf vooraf is gegaan.

De rechtbank spreekt verdachte derhalve vrij van het onder 2 ten laste gelegde.


Feit 4: bedrijf 1

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk door bedrijf 1 (verder: bedrijf 1 ) door niet te voldoen aan de administratieverplichting, dan wel dat hij samen met bedrijf 1 aldus bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd.


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan bedrijf 1 terzake het niet verstrekken van de tot januari 2013 aanwezige administratie aan de curator en het niet bijhouden van een administratie na januari 2013, terwijl bedrijf 1 afstevende op een faillissement.


Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. De verdediging heeft daarvoor aangevoerd dat, gelet op de verklaringen van naam 2 en naam 6, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat er geen administratie is bijgehouden en dat de administratie niet te voorschijn is gebracht.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat een administratieverzuim niet zonder meer de aanmerkelijke kans op verkorting van de schuldeisers doet ontstaan.


Het oordeel van de rechtbank

bedrijf 1 is een op 1 oktober 2012 opgerichte besloten vennootschap, die op 12 juli 2013 bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in staat van faillissement is verklaard, met benoeming van mr. A.J. Brink tot curator. naam 2 was bestuurder van 1 oktober 2012 tot en met 7 januari 2013. Enig aandeelhouder van bedrijf 1 was bedrijf 5. Vanaf 7 januari 2013 was bedrijf 5 tevens bestuurder van bedrijf 1. Verdachte is enig aandeelhouder en bestuurder van bedrijf 5.

De curator heeft weliswaar verklaard dat er geen deugdelijke administratie is gevoerd, maar uit die verklaring blijkt niet op welke onderdelen de administratie gebrekkig zou zijn. Daartegenover staan verklaringen van naam 2 en naam 6, die hebben verklaard dat de administratie tot januari 2013 door hen op een computer is bijgehouden. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van naam 2 en naam 6, temeer nu er ook anderszins aanwijzingen zijn dat er ten tijde van het faillissement een computer aanwezig was op het adres van bedrijf 1 en onduidelijk is wat de curator met deze computer heeft gedaan.

Verder is niet gebleken dat er na januari 2013 activiteiten in bedrijf 1 hebben plaatsgevonden. De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat bedrijf 1 niet heeft voldaan aan haar verplichtingen tot het voeren van een deugdelijke administratie.

De rechtbank acht evenmin wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aanwezige boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers niet tevoorschijn heeft gebracht. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Tijdens de doorzoeking is bij verdachte een ordner met administratie aangetroffen welke betrekking zou hebben op bedrijf 1. Uit het dossier blijkt niet welke specifieke documenten in deze map zijn aangetroffen. Evenmin blijkt uit het strafdossier welke specifieke delen van de administratie de curator wel aangeleverd heeft gekregen. Zodoende kan niet worden vastgesteld dat de bij verdachte thuis aangetroffen documenten andere documenten zijn dan die de curator heeft ontvangen.

Derhalve kan niet worden bewezen dat verdachte delen van de administratie wel in zijn bezit had, maar niet tevoorschijn heeft gebracht.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder 4 ten laste gelegde.

Feit 5: bedrijf 2

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk door bedrijf 2 door niet te voldoen aan de administratieverplichting, dan wel dat hij samen met bedrijf 2 aldus bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd.


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat er vanaf 2012 geen boekhouding meer is gevoerd, terwijl bedrijf 2 afstevende op een faillissement. Ook is niet voldaan aan de verplichting om de aanwezige administratie te voorschijn te brengen, aangezien tijdens een doorzoeking in de woning van verdachte ordners met administratie van bedrijf 2 zijn aangetroffen.


Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de administratie wel is gevoerd, dat niet buiten twijfel staat dat de curator deugdelijk om de administratie heeft verzocht en, subsidiair, dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de schending van de administratieplicht in het zicht van het faillissement en ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers plaatsvond.


Het oordeel van de rechtbank

bedrijf 2 is een op 30 oktober 2009 opgerichte buitenlandse vennootschap waarvan verdachte sinds 30 augustus 2010 enig bestuurder was. De vennootschap is op 20 januari 2015 door de rechtbank Noord Nederland in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. A.J. Brink tot curator.

De curator heeft verklaard dat aan de van bedrijf 2 aanwezige administratie geen touw is vast te knopen.

De Belastingdienst heeft in haar controlerapport van 10 september 2014 eveneens geconstateerd dat er tot medio 2011 geen administratie aanwezig is en dat de aanwezige administratie vanaf medio 2011 onvolledig is, omdat er facturen ontbreken, de lening overeenkomst met naam 3 niet is aangetroffen en de mutaties van die lening niet in de administratie zijn verwerkt.

De rechtbank komt gelet hierop tot het oordeel dat bedrijf 2 niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting tot het voeren van een deugdelijke administratie, aangezien aan de hand van de gevoerde administratie niet snel inzicht kon worden verkregen in de crediteuren- en debiteurenpositie van de onderneming.

Uit het controlerapport van de Belastingdienst blijkt voorts dat er reeds een aanslag dividendbelasting van € 32.796,-- en naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2009 tot en met 2012 waren opgelegd, alsmede dat er nog forse navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 2009 tot en met 2011 en een vergrijpboete van 50 % zouden volgen. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat de problemen met de Belastingdienst het faillissement van bedrijf 2 hebben ingeluid. De rechtbank komt gelet hierop tot het oordeel dat verdachte in elk geval na de ontvangst van het controlerapport wist dat de gevoerde administratie gebrekkig was en dat bedrijf 2 afstevende op een faillissement. Door desondanks geen maatregelen te treffen om de boekhouding op orde te maken, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat schuldeisers in het faillissement hierdoor zouden worden benadeeld. De curator in het faillissement zou immers zonder deugdelijke administratie niet in staat zijn om de rechten en plichten van de failliete onderneming te kennen.

De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor strafbaarheid van bedrijf 2 is voldaan, aangezien bedrijf 2 geadresseerde is van de norm en de verboden gedragingen en de opzet van verdachte aan bedrijf 2 kunnen worden toegerekend.

Voorts acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.

De rechtbank komt derhalve tot bewezenverklaring van het onder 5 ten laste gelegde, voor zover het de periode vanaf 1 oktober 2014 betreft.

Feit 6: valsheid in geschrift

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij al dan niet samen met anderen valse facturen heeft opgemaakt, dan wel opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse facturen.


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen, met dien verstande dat er sprake is van medeplegen. De officier van justitie heeft haar standpunt gebaseerd op de zich in het dossier bevindende ambtshandelingen betreffende de facturen en de bekennende verklaring van verdachte.


Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, omdat het oogmerk van misleiding niet kan worden bewezen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de brief en de facturen uitsluitend aan de curator zijn gestuurd en de curator door de brief en facturen niet kan zijn misleid, omdat voor haar duidelijk was in welk kader ze werden gestuurd en de wijze waarop verdachte één en ander heeft gedaan ondoordacht en knullig was.


Het oordeel van de rechtbank

Op of omstreeks 18 juli 2014 heeft de curator een envelop met een brief en facturen van verdachte ontvangen.

De curator heeft zestien facturen ontvangen waar als afzender bedrijf 4 (verder: bedrijf 4) staat vermeld en welke gericht zijn aan stichting. De facturen zijn voorzien van de omschrijving ‘huur’ en ‘conform de door u ondergetekende huurovereenkomst factureren wij u hierbij als volgt: huurprijs over de maand’. Daarbij staan op de facturen de maanden september 2011 tot en met december 2012 vermeld. Op al deze facturen staat het btw-nummer nummer 1 vermeld. Dit btw-nummer behoort toe aan bedrijf 6, welke onderneming in 2008 is gestopt met haar activiteiten. Ook staat op al deze facturen een btw-percentage van 21% vermeld. Het standaard-btw-tarief was echter tot 1 oktober 2012 19% en is per die datum verhoogd tot 21%.

Daarnaast heeft de curator zeventien facturen ontvangen waar als afzender bedrijf 1 staat vermeld en welke gericht zijn aan stichting. Op deze facturen staat telkens de omschrijving “administratie” met daarachter een maand vanaf augustus 2011 tot en met december 2012. Zestien van de zeventien facturen zijn gedateerd op 01-11-2012, terwijl één factuur is gedateerd op 01-12-2012. De facturen bedragen samen een totaalbedrag van € 143.990,--. Medewerkers naam 2 en naam 6 van bedrijf 1 hebben ontkend dat bedrijf 1 administratieve werkzaamheden heeft verricht voor stichting.

Ook heeft de curator negentien facturen ontvangen waar als afzender bedrijf 5 staat vermeld en welke zijn gericht aan stichting. De facturen zijn voorzien van de omschrijving ‘huur’ en ‘conform de door u ondergetekende huurovereenkomst factureren wij u hierbij als volgt: huurprijs over de maand’. Daarbij staan op de vanaf 01-01-2013 tot en met 01-07-2014 gedateerde facturen de maanden januari 2013 tot en met juli 2014 vermeld. De facturen bedragen samen een totaalbedrag van € 77.591,25. Op al deze facturen staat het btw-nummer nummer 1 vermeld. Dit btw-nummer behoort toe aan bedrijf 6 welke onderneming in 2008 is gestopt met haar activiteiten.

Verdachte heeft bekend dat de facturen in opdracht van hem valselijk zijn opgemaakt. Verdachte heeft verklaard dat hij de facturen naar de curator heeft gestuurd om te verantwoorden wat er met die € 239.500,-- (de rechtbank begrijpt de door de curator gestelde onttrekking aan de bankrekening van stichting van € 239.500,--) is gebeurd. Verdachte heeft aldus beoogd om de curator, die niet van de valsheid op de hoogte was, te misleiden door valse facturen te verstrekken. De rechtbank acht gelet hierop wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het oogmerk tot misleiding had.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde tezamen en in vereniging met een ander heeft begaan.

Feit 7: opzettelijk gebruik maken van valse documenten

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij al dan niet samen met anderen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse inschrijvingsformulieren van de Kamer van Koophandel voorzien van een vervalste handtekening.


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het ten laste gelegde tezamen en in vereniging met medeverdachte medeverdachte heeft begaan. De officier van justitie heeft haar standpunt gebaseerd op de aangifte door mevrouw naam 1, de verklaring van getuige getuige dat verdachte en medeverdachte hem hebben verteld dat ze de handtekening van mevrouw naam 1 hadden nagemaakt en het feit dat mevrouw naam 1 op het moment dat de wijzigingen bij de Kamer van Koophandel werden doorgevoerd in Suriname verbleef.


Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte enige feitelijke bemoeienis bij de beweerdelijk vervalste handtekening heeft gehad.


Het oordeel van de rechtbank

Verdachte wordt verweten dat hij, al dan niet samen met medeverdachte, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van twee vervalste formulieren van de Kamer van Koophandel voorzien van een vervalste handtekening van mevrouw naam 1.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van mevrouw naam 1 dat de handtekening op de twee ten laste gelegde formulieren niet door haar is gezet onvoldoende door ander bewijs wordt gesteund.

De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Bewezenverklaring

  • feit 1 primair, 3 primair en 5 primair: bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

  • feit 6 primair: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

Strafoplegging

  • Gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;

  • bestuursverbod voor een periode van vijf jaar

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF