Benadeling van schuldeisers door afkoop pensioenpolis en verzwijgen inkomsten na faillissement

Rechtbank Oost-Brabant 31 juli 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:4035

Verdachte heeft zich met haar partner medeverdachte schuldig gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift en het gebruik maken van dit valse geschrift. Ter verkrijging van het afkoopbedrag van de lijfrentepolis van medeverdachte hebben verdachte en haar medeverdachte op het afkoopverzoek in strijd met de waarheid verklaard dat medeverdachte niet in staat van faillissement verkeerde. Zij hebben het afkoopbedrag laten uitkeren op de bankrekening van hun zoon en zij hebben een ander correspondentieadres opgegeven om de - op hun eigen adres rustende - faillissementsrechtelijke postblokkade te omzeilen.

Hiermee hebben zij opzettelijk baten aan het zicht van de curator onttrokken, waardoor zij zich tevens schuldig hebben gemaakt aan faillissementsfraude. Door het valselijk opmaken van het geschrift en het gebruik maken van dit valse geschrift hebben zij schade toegebracht aan het vertrouwen dat men in het maatschappelijk verkeer moet kunnen stellen in de juistheid van tot bewijs bestemde geschriften. En door het opzettelijk niet verantwoorden van de baten uit de afkoop van de lijfrentepolis hebben zij de schuldeisers mogelijk nadeel berokkend doordat deze baten aan verhaal voor hun vorderingen in het faillissement zijn onttrokken.
 

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich - op de gronden genoemd in het op schrift gestelde en aan dit vonnis gehechte requisitoir - op het standpunt gesteld dat feit 1, feit 2, feit 3 primair ad.1 en feit 4 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden en dat verdachte hiervoor veroordeeld dient te worden. Verdachte dient partieel te worden vrijgesproken van feit 3 primair ad. 2 en ad. 3. Hiertoe is onder meer het navolgende aangevoerd.

Feit 1, feit 2

Er kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte en tezamen en in vereniging een afkoopverzoek d.d. 23 augustus 2011 valselijk hebben opgemaakt feit 2 en gebruikt feit 1 ter verkrijging van een afkoopbedrag van €5.276,31 van N.V. ter zake de polis onder polisnummer 3.

Feit 3 primair

Daarnaast kan wettig en overtuigend bewezen worden dat medeverdachte en verdachte zich, tezamen en in vereniging, schuldig hebben gemaakt aan faillissementsfraude doordat zij baten niet hebben verantwoord aan de curator van de in staat van faillissement verklaarde medeverdachte. (ad. 1)

Hoewel er sterke aanwijzingen zijn dat medeverdachte en verdachte ook goederen hebben onttrokken aan de failliete boedel van medeverdachte (ad. 2) en zij niet hebben voldaan aan de op hen rustende verplichtingen tot het voeren, bewaren en zo nodig tevoorschijn brengen van de administratie ad. 3, vindt de aangifte van de curator met betrekking tot die feiten, uitgezonderd het onttrekken van de Volvo met kentekennummer 3 en de Renault Laguna met kentekennummer 1, geen steun in ander bewijs. Verdachte dient dan ook partieel vrijgesproken te worden van het tenlastegelegde feit 3 primair onder 2 en 3. De officier van justitie acht wel bewezen dat genoemde Volvo en Renault door medeverdachte aan de boedel zijn onttrokken door deze voertuigen op naam van verdachte te zetten nadat hij door de curator tot afgifte ervan was aangesproken. Omdat verdachte actief betrokken is geweest bij deze gedragingen heeft zij bewust en nauw samengewerkt met medeverdachte en moet zij als medepleger van dit feit worden gezien.

Feit 4

Voorts kan wettig en overtuigend bewezen worden dat medeverdachte en verdachte tezamen en in vereniging met elkander de faillissementsrechtelijke inlichtingenplicht, zoals geformuleerd en strafbaar gesteld in artikel 194 van het Wetboek van Strafrecht, hebben geschonden.
 

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich - op de in de overgelegde en aan dit vonnis gehechte pleitnota genoemde gronden - op het standpunt gesteld dat verdachte integraal vrijgesproken dient te worden van de vier ten laste gelegde feiten. Hiertoe is - kort samengevat - het navolgende aangevoerd.

Feit 1 en 2

Feit 1 en feit 2 kunnen niet wettig en overtuigend bewezen worden. Onder verwijzing naar het bepaalde in de artikelen 21a en 22a van de Faillissementswet (Fw) stelt de verdediging zich op het standpunt dat de polis en de afkoopsom buiten de faillissementsboedel viel. De verklaring van verdachte, inhoudende dat zij niet failliet was ten tijde van de ondertekening van het verzoek, was niet vals. Haar handtekening ziet slechts op het afzien van haar voorwaardelijk recht op een uitkering en zulks stond haar vrij nu zij niet failliet was. Zij heeft alleen voor zichzelf getekend en daarmee slechts verklaard dat zij als ondergetekende niet failliet is verklaard. verdachte verkeerde in de veronderstelling dat de verzekering door medeverdachte afgekocht mocht worden en dat deze niet in de boedel viel. De voorgedrukte verklaring kan naar aard en strekking worden begrepen als verklaring dat de af te kopen polis niet in de faillissementsboedel viel.

Feit 3 primair

Feit 3 kan niet wettig en overtuigend bewezen worden. Ten aanzien van ad. 1 (het niet-verantwoorden van baten) heeft de verdediging het navolgende aangevoerd. Medeverdachte had na de datum van het faillissement geen baten en kon deze dus ook niet verantwoorden. Verdachte had wel baten, zoals de baten uit hoofde van haar onderneming eenmanszaak. Zij was echter niet gehouden deze baten aan de curator van medeverdachte te verantwoorden, nu zij niet in staat van faillissement verkeerde noch in gemeenschap van goederen gehuwd was met medeverdachte. Bovendien was eenmanszaak de onderneming van verdachte, waardoor de baten die voortvloeiden uit deze onderneming buiten de boedel vielen van medeverdachte. Onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 21 van de Faillissementswet stelt de verdediging zich bovendien op het standpunt dat de afkoopbedragen van de lijfrentepolissen buiten de boedel vielen en dus niet als baten aangemerkt kunnen worden.

Ten aanzien van het onder feit 3 primair sub 2 tenlastegelegde heeft de verdediging het navolgende aangevoerd. Verdachte heeft na de datum van het faillissement van medeverdachte een aantal oudere auto’s en andere zaken in haar bezit gehad. Deze goederen heeft zij betaald uit eigen loon en uit inkomsten uit de onderneming eenmanszaak. De catamaran was eigendom van zoon betrokkene. Aangezien deze catamaran op de voormalige ligplaats van de zeilboot van medeverdachte lag, is het liggeld - ten onrechte - gefactureerd aan medeverdachte.

Ten aanzien van feit 3 primair onder 3 heeft de verdediging betoogd dat ook voor dit deel van de tenlastelegging geen bewezenverklaring kan volgen nu er op verdachte geen faillissementsrechtelijke verplichting rustte de curator de - op grond van artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek bijgehouden - administratie van eenmanszaak over te leggen. Verdachte was niet degene die in staat van faillissement verkeerde en zij was ook niet in gemeenschap van goederen gehuwd met haar in staat van faillissement verklaarde partner medeverdachte.

Feit 4

Feit 4 kan niet wettig en overtuigend bewezen worden. Onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 105, tweede lid, van de Fw, stelt de verdediging zich op het standpunt dat de inlichtingenplicht niet geldt ten aanzien van verdachte nu zij niet degene is die failliet verklaard is noch met de wel failliet verklaarde medeverdachte in gemeenschap van goederen is gehuwd.
 

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 4

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 4 is tenlastegelegd en zal haar daarvan vrijspreken.

Gelet op de tekst van artikel 194 van het Wetboek van Strafrecht rustte er op verdachte geen zelfstandige rechtsplicht tot het verstrekken van inlichtingen. Verdachte was, anders dan medeverdachte, niet in staat van faillissement verklaard en zij was evenmin in gemeenschap van goederen gehuwd met medeverdachte. Dit laat onverlet dat sprake kan zijn van feiten en omstandigheden die met zich brengen dat verdachte een dergelijk feit tezamen en in vereniging pleegt met medeverdachte, op wie een dergelijke rechtsplicht wel rust. De rechtbank heeft in het dossier evenwel onvoldoende aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat daar in het onderhavige geval sprake van is geweest, zodat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken. De enkele omstandigheid dat verdachte in het op 18 november 2013 gehouden faillissementsverhoor ten overstaan van de rechter-commissaris en in aanwezigheid van de curator wellicht onware uitlatingen heeft gedaan acht de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat zij dit in bewuste en nauwe samenwerking met medeverdachte heeft gedaan en dat zij daarmee als medepleger kan worden aangemerkt.

Feit 2

De rechtbank is van oordeel dat feit 2 (het valselijk opmaken van het afkoopformulier ter zake de polis bij N.V. onder polisnummer 3) wettig en overtuigend bewezen kan worden. Door ondertekening van het afkoopverzoek op 23 augustus 2011 heeft medeverdachte verklaard niet in staat van faillissement te verkeren, terwijl hij wist dat hij op datum 2009 in staat van faillissement was verklaard en dit faillissement ten tijde van het opmaken en ondertekenen van het verzoek nog niet was geëindigd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaring van medeverdachte in het afkoopverzoek in zoverre is afgelegd in strijd met de waarheid. Verdachte heeft het afkoopverzoek, mede inhoudende de verklaring dat de ondergetekende medeverdachte niet in staat van faillissement is verklaard, ondertekend in haar hoedanigheid van echtgenote van verzekeringnemer, medeverdachte. Deze handtekening van verdachte was kennelijk nodig om tot afkoop van de polis te kunnen geraken, nu hier door de verzekeraar specifiek en uitdrukkelijk om werd gevraagd. Verdachte wist op het moment dat zij het verzoek ondertekende dat medeverdachte in staat van faillissement verkeerde en dat het verzoek in zoverre een evident onware opgave inhield, namelijk dat medeverdachte niet failliet was. Door desondanks dit verzoek mede te ondertekenen heeft verdachte actief en significant bijgedragen aan de schijn dat medeverdachte niet in staat van faillissement verkeerde. Aangezien het afkoopbedrag voorts – mede op aangeven van verdachte, getuige het separaat ook door haar daartoe getekende verzoek – werd overgemaakt op een door hen opgegeven bankrekeningnummer is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking tussen medeverdachte en verdachte ter zake het in strijd met de waarheid opmaken van het afkoopverzoek dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met medeverdachte heeft gepleegd.

Feit 1

De rechtbank is van oordeel dat ook feit 1 wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Zoals hiervoor reeds overwogen hebben zowel medeverdachte als verdachte een tweede handtekening gezet op het gedeelte van het afkoopverzoek waarmee zij verzochten om het afkoopbedrag uit te betalen op een door hen opgegeven bankrekeningnummer. Vast is komen te staan dat dit rekeningnummer op naam staat van de zoon van verdachte en medeverdachte. De rechtbank concludeert dat deze tweede handtekening van verdachte kennelijk ook nodig was voor de verzekeraar om tot daadwerkelijke uitbetaling van het afkoopbedrag over te kunnen gaan, nu hier door de verzekeraar wederom specifiek om gevraagd werd. Medeverdachte en verdachte waren beiden – zo verklaarden zij ter terechtzitting - gemachtigd te beschikken over het door hen opgegeven bankrekening. Medeverdachte heeft vervolgens het verzoek feitelijk ingediend bij de verzekeraar ter verkrijging van het afkoopbedrag waarna dit bedrag ad €5.276,31 ook daadwerkelijk is uitgekeerd op de door medeverdachte en verdachte opgegeven bankrekening.

De rechtbank is van oordeel dat de door medeverdachte en verdachte gegeven instructie aan de verzekeraar met betrekking tot de uitbetaling van de afkoopsom zozeer is gericht en preludeert op het daadwerkelijk gebruik maken van het – in strijd met de waarheid ingevulde – afkoopverzoek dat gesproken moet worden van een nauwe en bewuste samenwerking tussen medeverdachte en verdachte, gericht op het gebruik van dit afkoopverzoek.

Verwerping verweren t.a.v. feit 1 en 2

De verdediging heeft aangevoerd dat de handtekening van verdachte slechts ertoe strekte om afstand te doen van haar (voorwaardelijk) recht op uitkering in geval van vooroverlijden van medeverdachte. De rechtbank is van oordeel dat dit verweer, gezien de tekst van het door verdachte ondertekende afkoopverzoek, feitelijke grondslag ontbeert. Op dezelfde grond wordt ook het verweer dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat de polis niet in de boedel viel verworpen. Deze uitleg is onverenigbaar met de duidelijke en ondubbelzinnige tekst van het door verdachte ondertekende verzoek tot afkoop. Bovendien kan dit niet afdoen aan het feit dat medeverdachte en verdachte dit verzoek, voor zover inhoudende de verklaring dat medeverdachte niet in staat van faillissement verkeert, hebben opgesteld in strijd met de waarheid. Op de door de verdediging opgeworpen stelling dat de polis respectievelijk het afkoopbedrag buiten de boedel viel zal de rechtbank hierna ingaan.

De overige door de verdediging gevoerde verweren ten aanzien van deze feiten merkt de rechtbank aan als bewijsverweren. Deze verweren worden weerlegd door de inhoud van de - in de bijlage opgenomen - bewijsmiddelen.

Feit 3 primair ad 1., gedachtestreepje 1

De rechtbank is van oordeel dat het medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, zoals ten laste gelegd onder feit 3 primair onder 1., gedachtestreepje 1, wettig en overtuigend bewezen kan worden. Medeverdachte is op datum 2009 in staat van faillissement verklaard. Uit hoofde van zijn faillissement rustte op medeverdachte onder meer de faillissementsrechtelijke verplichting de hem toekomende baten te verantwoorden aan de curator. Bij deze verplichting gaat het niet alleen om de baten die op de datum van faillissement reeds in de boedel vallen, maar ook om baten die de gefailleerde medeverdachte na de datum van faillissement verwerft, vide artikel 20 Fw. Verdachte was van het faillissement van medeverdachte op de hoogte en moet ook geacht worden bekend te zijn de uit dien hoofde op hem rustende faillissementsrechtelijke verplichtingen. Medeverdachte en verdachte hebben op 23 augustus 2011 gezamenlijk een verzoek gedaan tot afkoop van de lijfrentepolis die op naam stond van medeverdachte. Zij hebben – zonder dat medeverdachte de curator daarvan in kennis stelde - de verzekeraar verzocht het afkoopbedrag van €5.276,31 uit te keren op een bankrekening waarop de curator uit hoofde van het faillissement geen zicht had, te weten: de bankrekening van hun zoon betrokkene. Verder hebben zij de verzekeraar gevraagd om correspondentie ter zake deze kwestie te richten aan een postadres dat niet onder het bereik viel van de ingevolge art. 99 Fw ingestelde postblokkade. Zowel verdachte als medeverdachte konden over de door hen opgegeven bankrekening beschikken. De curator was ook hiervan niet op de hoogte. Het afkoopbedrag is op 8 september 2011 door de verzekeraar, conform de door medeverdachte en verdachte verstrekte betalingsinstructie, overgemaakt op de bankrekening van betrokkene medeverdachte. Ook van de ontvangst van deze betaling is de curator niet op de hoogte gebracht. Door het afkoopbedrag van de verzekering op de bankrekening van hun zoon te laten uitkeren en de postblokkade te omzeilen, zijn deze baten door medeverdachte opzettelijk niet verantwoord noch afgedragen. Hierdoor kunnen de schuldeisers van medeverdachte zijn benadeeld.

Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat uit artikel 22a van de Faillissementswet volgt dat het afkoopbedrag buiten de boedel valt overweegt de rechtbank dat deze stelling niet juist is. Artikel 22a van de Faillissementswet bepaalt immers dat het recht op afkoop van het pensioen (en dus niet het afkoopbedrag) van de gefailleerde buiten het faillissement blijft indien en voor zover de rechter-commissaris zulks bepaalt. Dát medeverdachte door het afkopen van de polis niet onredelijk in zijn belang bij een adequate pensioenvoorziening wordt getroffen vloeit reeds voort uit het feit dat medeverdachte (nota bene) zelf is overgegaan tot afkoop van de polis. Dit verweer wordt daarom verworpen.

Hoewel de delictsomschrijving van artikel 341 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) een kwaliteitsdelict betreft en verdachte – anders dan medeverdachte – de voor vervulling van die delictsomschrijving vereiste kwaliteit ontbeert en om die reden de plicht om baten te verantwoorden in beginsel alleen op medeverdachte rustte, is de rechtbank van oordeel dat medeverdachte dit feit tezamen en in vereniging met verdachte heeft gepleegd. Vast staat immers, het is hiervoor reeds overwogen, dat verdachte ermee bekend was dat medeverdachte in staat van faillissement verkeerde en dat zij bekend moet worden verondersteld met de als gevolg daarvan op haar echtgenoot rustende verplichtingen ingevolge de Faillissementswet. Uit de hiervoor geschetste gang van zaken rondom het opmaken, ondertekenen en gebruiken van het afkoopverzoek aan N.V. en de naar het oordeel van de rechtbank onmisbare en zwaarwegende bijdrage van verdachte daaraan volgt dat verdachte zich ook bewust moet zijn geweest van het feit dat zij door haar gedragingen een bijdrage leverde aan het door medeverdachte in zijn kwaliteit van gefailleerde verzaken van zijn verantwoordings- en informatieplicht jegens de curator. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat medeverdachte, terwijl hij in staat van faillissement was verklaard, tezamen en in verenging met verdachte ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers genoemde bate niet heeft verantwoord.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte tezamen en in vereniging met medeverdachte een totaalbedrag van €5.276,31 aan baten niet heeft verantwoord aan de curator van medeverdachte.

De overige door de verdediging gevoerde verweren ten aanzien dit deel van de tenlastelegging merkt de rechtbank aan als bewijsverweren. Deze verweren worden weerlegd door de inhoud van de - in de bijlage opgenomen - bewijsmiddelen.

Feit 3 primair ad. 1., gedachtestreepje 2

De rechtbank is van oordeel dat het medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, zoals ten laste gelegd onder feit 3 primair ad 1., gedachtestreepje 2, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Naar het oordeel van de rechtbank geeft het dossier geen blijk van enige betrokkenheid van verdachte bij dit deel van de tenlastelegging. De rechtbank zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken.

Feit 3 primair ad. 1, gedachtestreepje 3 tot en met 6

De rechtbank is van oordeel dat het medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, zoals ten laste gelegd onder feit 3 primair ad 1., gedachtestreepje 3 tot en met 6, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden nu het dossier geen blijk geeft van de vervulling van een voldoende wezenlijke en materiële rol door verdachte bij dit deel van het ten laste gelegde feit. De rechtbank licht dit toe als volgt.

Medeverdachte is op datum 2009 door de rechtbank Breda in staat van faillissement verklaard, waardoor op hem - op grond van de faillissementswet - de plicht rustte zijn baten te verantwoorden. Zoals hiervoor reeds overwogen gaat het bij deze plicht niet alleen om de baten die op de datum van faillissement in de boedel vallen, maar ook om baten die na de datum van het faillissement worden verworven.

Medeverdachte dreef voor de datum van zijn faillissement de V.O.F. 2, tevens handelend onder de naam V.O.F.. Deze onderneming hield zich bezig met werkzaamheden. Medeverdachte verzorgde in dit verband trainingen aan bedrijven. Na het faillissement van medeverdachte en – als gevolg hiervan - de opheffing van genoemde VOF is drie weken later, op 15 december 2009, de eenmanszaak door verdachte ingeschreven in het Handelsregister. Eenmanszaak ging gebruik maken van het bankrekeningnummer waarvan eerder genoemde VOF tot het moment van opheffing gebruik had gemaakt. Eenmanszaak is een onderneming die volgens de bedrijfsomschrijving - net als voorheen V.O.F. 2 – is gericht op werkzaamheden. Medeverdachte is na de datum van zijn faillissement werkzaam geweest binnen eenmanszaak. Het verzorgen van trainingen is - net als voorheen bij V.O.F. 2 – het kernproduct van deze onderneming, waarvan de kernprestatie ook steeds door medeverdachte werd geleverd. Zijn partner verdachte verrichtte na het faillissement - naast haar werkzaamheden in de zorg - secretariële ondersteuning binnen het bedrijf, net zoals zij dat eerder deed binnen de onderneming V.O.F. 2. Hoewel de onderneming eenmanszaak blijkens de inschrijving in het Handelsregister formeel gezien op naam van verdachte staat, is de rechtbank van oordeel dat medeverdachte degene was die de onderneming - materieel bezien - dreef, zoals hij dat voor de datum van zijn faillissement ook deed bij V.O.F. 2. De manier van werken van V.O.F. 2 werd na de datum van het faillissement voortgezet onder de vlag van eenmanszaak.

Medeverdachte heeft met deze werkzaamheden inkomsten gegenereerd en de rechtbank is van oordeel dat dit baten waren die hij aan de curator had dienen te verantwoorden. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Op een aantal van de aan klanten van eenmanszaak verzonden facturen (waaronder een van 4 januari 2010) stonden de contactgegevens van medeverdachte vermeld. Op deze facturen stond ook een bankrekeningnummer vermeld, met daarbij de naam van medeverdachte. Dit betrof de bankrekening die voorheen door V.O.F. 2 werd gebruikt. Voor zover de onderliggende facturen boven water zijn gekomen betreffen de in rekening gebrachte bedragen telkens ‘trainingsprogramma’s management en communicatie’ of ‘trainingsprogramma’s volgens opgave’. In een geval werd de factuur betaald onder vermelding “vermelding 1 medeverdachte vermelding 2 ”, terwijl uit de bankafschriften verder blijkt dat de opdrachtgever van deze betaling in dezelfde periode meerdere betalingen onder vermelding van dezelfde betalingskenmerken heeft gedaan. Andere rekeningen, zoals die van bedrijf 3 en bedrijf 2 werden betaald op buitenlandse bankrekeningen op naam van verdachte, met het bestaan waarvan de curator evenmin bekend was. Uit de stukken die betrekking hebben de op bedrijf 3 en bedrijf 2 blijkt dat deze opdrachtgevers uitsluitend contact hadden met medeverdachte; met uitzondering van één factuur (DOC 29, p. 233) komt de naam van verdachte in de stukken die zien op de inkomsten van eenmanszaak respectievelijk medeverdachte in het geheel niet voor; de enige andere plaats waar haar naam genoemd wordt is het Handelsregister in verband met de inschrijving van de eenmanszaak. Dat de inkomsten van eenmanszaak niet aan verdachte toekwamen wordt verder gestaafd door de gegevens van de door haar ingediende aangiften inkomstenbelasting. Uit de inkomstengegevens van verdachte van de Belastingdienst blijkt dat zij heeft verklaard geen andere inkomsten te hebben gehad dan de inkomsten uit hoofde van haar werkzaamheden in de zorg. Dit sluit ook aan bij de verklaring die verdachte op voet van artikel 66 Fw heeft afgelegd tegenover de rechter-commissaris in het faillissement van medeverdachte op 18 november 2013. Daar verklaarde zij dat zij na het faillissement van medeverdachte is gaan werken als oproepkracht in een zorginstelling, dat zij daar inkomsten van €500 tot €1.000 per maand uit had en dat zij geen andere inkomsten had. Zij verklaarde verder dat er vanuit het bedrijf eenmanszaak geen geldstromen naar haar waren gevloeid.

De rechtbank is – concluderend – van oordeel dat de formeel – blijkens de inschrijving in het Handelsregister – door verdachte als eenmanszaak gedreven onderneming een schijnconstructie betreft. In werkelijkheid wordt deze onderneming gedreven door medeverdachte. De omstandigheid dat verdachte, gelijk zij ter zitting verklaarde, secretariële ondersteuning bood doet daar niet aan af. De rechtbank voelt zich in dit oordeel gesterkt door het feit dat medeverdachte zich ook zelf – in ieder geval tot september 2011 - in het openbaar, via het zakelijke sociale netwerk LinkedIn, presenteerde als eigenaar van eenmanszaak.

Uit het dossier blijkt niet van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachte bij het niet verantwoorden door laatstgenoemde van de door hem gegenereerde inkomsten, zodat verdachte niet als medepleger van dat feit kan worden gezien. Het dossier geeft geen blijk van een wezenlijke bijdrage van verdachte aan dit alles. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit deel van de tenlastelegging.

Feit 3 primair onder 2

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 3 primair onder 2 is ten laste gelegd. Nu de aangifte van de curator geen steun vindt in de overige bewijsmiddelen in het dossier, is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de goederen zoals vermeld in de tenlastelegging tot de boedel van medeverdachte de gefailleerde behoorden. Het enkele feit dat uit de kentekenregistratie blijkt dat er gedurende korte periodes (enkele dagen) kentekens op naam van medeverdachte hebben gestaan, is onvoldoende om te concluderen dat medeverdachte ook eigenaar is geweest van de voertuigen waarop de kentekens betrekking hebben. Nu niet is komen vast te staan dat de betreffende goederen tot de faillissementsboedel behoorden dient verdachte van het medeplegen van de onttrekking ervan te worden vrijgesproken.

Feit 3 primair onder 3

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 3 primair onder 3 is ten laste gelegd. De rechtbank stelt voorop dat de stelling van de verdediging, inhoudende dat er geen administratieplicht op medeverdachte rustte op grond van artikel 15i van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek omdat hij geen onderneming meer dreef, niet juist is gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het tenlastegelegde onder feit 3 primair onder 1, 3e – 6e gedachtenstsreepje is overwogen. Omdat medeverdachte in de periode na het uitspreken van zijn faillissement feitelijk als ondernemer werkzaam is geweest rustte op hem ingevolge artikel 3:15 i Burgerlijk Wetboek wel de verplichting om dienaangaande een administratie bij te houden en deze desgevraagd te presenteren aan de curator. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de aangifte van de curator evenwel niet worden afgeleid dat de curator medeverdachte heeft verzocht een volledige en deugdelijke administratie over te leggen. Blijkens de aangifte heeft de curator enkel gevraagd drie items aan hem over te leggen, te weten: 1. de bankafschriften van de kinderen, 2. de bankafschriften van Lloyds en 3. de transactieoverzichten van de creditcards. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit verzoek zoals omschreven in de aangifte van de curator bezwaarlijk worden opgevat als een verzoek om de volledige en deugdelijke administratie over te leggen. Aangezien niet kan worden bewezen dat medeverdachte niet heeft voldaan aan verzoeken van de curator om een volledige en juiste administratie uit te leveren kan verdachte evenmin worden veroordeeld voor het medeplegen ervan, zodat zij van dit deel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 1: medeplegen van opzettelijk gebruik maken van het valse of vervalste geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst
  • Feit 2: medeplegen van valsheid in geschrift
  • Feit 3 primair: medeplegen van bedrieglijke bankbreuk
     

Strafoplegging

Taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar.

De rechtbank overweegt dat de gepleegde feiten louter zijn ingegeven door egoïsme en dat verdachten bij het plegen van de feiten uitsluitend hebben gehandeld uit eigen gewin. Zij hebben zich hierbij niets aangetrokken van de belangen van anderen, waaronder de belangen van de schuldeisers. De rechtbank overweegt ook dat ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de ernst van de door haar gepleegde feiten kennelijk niet dan wel onvoldoende inziet.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Zie ook:

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF