Vrijspraak bedrieglijke bankbreuk: geen sprake van voorwaardelijk opzet

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 juni 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:6187

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat Verdachte het onder feit 1, onderdeel 1 onder a) 3 tenlastegelegde heeft begaan, zodat Verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De in artikel 343 van het Wetboek van Strafrecht gebezigde bewoordingen "ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers” brengen mede tot uitdrukking dat de Verdachte het opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers. Voor het bewijs van dat opzet is minimaal vereist dat de handeling van de Verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan en dat Verdachte die kans bewust heeft aanvaard.

Uit de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting heeft het hof niet de overtuiging bekomen dat Verdachte door het laten betalen van een vordering op een rekening die niet aan Naam BV 2 toebehoorde, de opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers, zodat Verdachte ook van dit onderdeel van de tenlastelegging van feit 1 dient te worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF