Rb: normadressaat van art. 344 Sr (oud) maakt het onmogelijk dat de failliet als (mede)pleger van het misdrijf van dit wetsartikel kan worden aangemerkt en veroordeeld

Rechtbank Amsterdam 6 april 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:2553

Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat zij zich tezamen en in vereniging met haar echtgenoot medeverdachte, die op 2 november 2010 in staat van faillissement was verklaard, heeft schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 344 van het Wetboek van Strafrecht door schuldeisers in het faillissement van haar echtgenoot te benadelen.

Subsidiair wordt verdachte verweten dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan medeplichtigheid tot bedrieglijke bankbreuk, die door haar echtgenoot is begaan. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of deze dagvaarding geldig is.

Geldigheid dagvaarding

De rechtbank overweegt dat het normadressaat van artikel 344 van het Wetboek van Strafrecht ziet op personen die buiten een faillissement staan en die profijt hebben getrokken uit het faillissement van een ander of voordeel hebben genoten boven andere schuldeisers in dat faillissement.

Deze omstandigheid maakt het onmogelijk dat de failliet als (mede)pleger van het misdrijf van dit wetsartikel kan worden aangemerkt en veroordeeld. Dit is echter wel ten laste gelegd. De nadere uitwerking van de aan verdachte verweten gedraging heeft bovendien (grotendeels) betrekking op handelingen die door de failliet zouden zijn begaan. Naar het oordeel van de rechtbank is de tenlastelegging daardoor innerlijk tegenstrijdig en is onvoldoende duidelijk op welke feitelijke handelingen van verdachte het primair ten laste gelegde betrekking heeft. De rechtbank zal de dagvaarding daarom nietig verklaren voor zover het betreft het primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde voldoet de dagvaarding wel aan alle wettelijke vereisten. Dit deel van de dagvaarding is daarom geldig.
 

Waardering van het bewijs

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het subsidiair ten laste gelegde acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken en overweegt als volgt.

Op basis van de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat medeverdachte (hierna: medeverdachte) tijdens zijn faillissement niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht bij faillissement. Medeverdachte heeft bewust voor de curator verzwegen dat hij in de jaren 2013 en 2014 uit werkzaamheden voor verschillende rechtspersonen inkomsten heeft ontvangen. Deze baten heeft hij niet verantwoord. In het jaar 2013 ontving medeverdachte giraal een geldbedrag van €61.538,12 aan baten. In het jaar 2014 ging het om een geldbedrag van €37.596,53, bestaande uit een giraal ontvangen bedrag van €35.796,53 en een contante betaling van €1.800,-. Medeverdachte heeft ook geldbedragen aan de boedel onttrokken. De rechtbank is, met de raadsman, van oordeel dat zij de hoogte van deze geldbedragen niet kan vaststellen, aangezien het dossier alleen een opgave bevat van de bruto omzet die medeverdachte heeft gemaakt en niet het netto bedrag dat medeverdachte onderaan de streep heeft verdiend. De rechtbank zal daarom in de bewezenverklaring vermelden dat medeverdachte ‘geldbedragen’ heeft onttrokken.

Medeverdachte heeft met medeweten van zijn echtgenote Verdachte zijn werkzaamheden verricht namens haar eenmanszaak naam eenmanszaak en zijn inkomsten laten storten op haar bankrekening. Op deze manier werd een bedrieglijk voorkomen gecreëerd, waarbij het voor de curator leek alsof medeverdachte niet over geld beschikte om de schuldeisers in het faillissement af te betalen. Daardoor zijn deze schuldeisers benadeeld. Verdachte heeft haar eenmanszaak en bankrekening hiervoor ter beschikking gesteld. Zij heeft gezien dat er bedragen op de rekening werden gestort. Zij wist dus dat haar man inkomsten had uit werkzaamheden en dat die inkomsten niet bij de curator bekend waren. Zodoende is zij medeplichtig aan de door medeverdachte begane strafbare gedragingen.

Dit alles leidt ertoe dat het subsidiair laste gelegde feit is bewezen, namelijk dat Verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan bedrieglijke bankbreuk, die door medeverdachte is begaan.

De rechtbank acht niet bewezen dat medeverdachte schuldeisers heeft bevoordeeld (eveneens subsidiair ten laste gelegd) en zal Verdachte hiervan vrijspreken. Naar het oordeel van de rechtbank kan een verdachte overeenkomstig artikel 341 van het Wetboek van Strafrecht zich aan bedrieglijke bankbreuk schuldig maken als hij schuldeisers in het faillissement bevoordeeld, door deze schuldeisers meer te gunnen of geven dan zij bij een evenredige verdeling van het vermogen zouden hebben gekregen. In deze zaak gaat het echter niet om betalingen van medeverdachte aan schuldeisers in het faillissement met een opeisbare schuld, maar om betalingen aan schuldeisers voor na het faillissement aangegane schulden.
 

Bewezenverklaring

Medeplichtigheid aan bedrieglijke bankbreuk.
 

Strafoplegging

Voorwaardelijke taakstraf van 120 uur met een proeftijd van 2 jaar.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF