Veroordeling wegens bedrieglijke bankbreuk en schenden inlichtingenplicht

Rechtbank Amsterdam 6 april 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:2552

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk en het niet geven van inlichtingen bij faillissement. Hij heeft tijdens zijn faillissement inkomsten gegenereerd, die hij had moeten verantwoorden aan de curator, zodat de schuldeisers in het faillissement daarvan konden worden betaald. Verdachte heeft dit opzettelijk nagelaten.

De echtgenoot van verdachte is haar echtgenoot bij die bedrieglijke bankbreuk behulpzaam geweest. Zij heeft haar eenmanszaak en bankrekening ter beschikking gesteld om de inkomsten van Verdachte buiten het zicht van de curator te houden zodat Verdachte en Echtgenoot verdachte zelf van het verdiende geld gebruik konden maken. Door aldus te handelen heeft Verdachte de op hem rustende verplichtingen in het faillissement niet serieus genomen. Met hun handelwijze hebben Verdachte en Echtgenoot verdachte verder bewust de schuldeisers in het faillissement van Verdachte benadeeld.
 

Achtergrond 

Op basis van de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat verdachte tijdens zijn faillissement niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht bij faillissement. Verdachte heeft bewust voor de curator verzwegen dat hij in de jaren 2013 en 2014 uit werkzaamheden voor verschillende rechtspersonen inkomsten heeft ontvangen. Deze baten heeft hij niet verantwoord. In het jaar 2013 ontving Verdachte giraal een geldbedrag van €61.538,12 aan baten. In het jaar 2014 ging het om een geldbedrag van €37.596,53, bestaande uit een giraal ontvangen bedrag van €35.796,53 en een contante betaling van €1.800,-. Verdachte heeft ook geldbedragen aan de boedel onttrokken. De rechtbank is, met de raadsman, van oordeel dat zij de hoogte van deze geldbedragen niet kan vaststellen, aangezien het dossier alleen een opgave bevat van de bruto omzet die Verdachte heeft gemaakt en niet het netto bedrag dat Verdachte onderaan de streep heeft verdiend. De rechtbank zal daarom in de bewezenverklaring vermelden dat Verdachte ‘geldbedragen’ heeft onttrokken.

Verdachte heeft met medeweten van zijn echtgenote Echtgenoot verdachte (hierna: Echtgenoot verdachte) zijn werkzaamheden verricht namens haar eenmanszaak naam bedrijf 2 en zijn inkomsten laten storten op haar bankrekening. Op deze manier werd een bedrieglijk voorkomen gecreëerd, waarbij het voor de curator leek alsof Verdachte niet over geld beschikte om de schuldeisers in het faillissement af te betalen. Daardoor zijn deze schuldeisers benadeeld. Echtgenoot verdachte heeft haar eenmanszaak en bankrekening hiervoor ter beschikking gesteld. Zij heeft gezien dat er bedragen op de rekening werden gestort. Zij wist dus dat haar man inkomsten had uit werkzaamheden en dat die inkomsten niet bij de curator bekend waren. Zodoende is zij medeplichtig aan de door Verdachte begane strafbare gedragingen.

Dit alles leidt ertoe dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zijn bewezen, namelijk dat Verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk (onder 1 ten laste gelegd) en het niet geven van inlichtingen bij faillissement (onder 2 ten laste gelegd).

De rechtbank acht niet bewezen dat Verdachte schuldeisers heeft bevoordeeld (eveneens onder 1 ten laste gelegd) en zal Verdachte hiervan vrijspreken. Naar het oordeel van de rechtbank kan een verdachte overeenkomstig artikel 341 van het Wetboek van Strafrecht zich aan bedrieglijke bankbreuk schuldig maken als hij schuldeisers in het faillissement bevoordeeld, door deze schuldeisers meer te gunnen of geven dan zij bij een evenredige verdeling van het vermogen zouden hebben gekregen. In deze zaak gaat het echter niet om betalingen van Verdachte aan schuldeisers in het faillissement met een opeisbare schuld, maar om betalingen aan schuldeisers voor na het faillissement aangegane schulden.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 1: bedrieglijke bankbreuk;
  • Feit 2: in staat van faillissement verklaard, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen opzettelijk verkeerde inlichtingen geven.
     

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 180 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF