HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. het bestanddeel ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’

Hoge Raad 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:166

Verdachte is op 22 mei 2015 door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld tot tien weken gevangenisstraf wegens het meermalen plegen van bedrieglijke bankbreuk.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij in of omstreeks de periode 13 januari 2011 tot en met 24 juni 2012 in Nederland, terwijl verdachte bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 6 december 2011, in staat van faillissement is verklaard, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeiser(s), niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en het bewaren en tevoorschijn brengen van boeken en/of bescheiden en/of gegevensdragers in dat artikel."

Het Hof heeft ten aanzien van deze bewezenverklaring onder meer het volgende overwogen:

"De verdachte heeft niet voldaan aan de wettelijk op hem rustende verplichtingen tot het voeren, bewaren en/of tevoorschijn brengen van boeken en/of bescheiden en/of gegevensdragers van de door hem gedreven ondernemingen. Blijkens de verslagen van de curator beschikte deze slechts over spaarzame fragmenten van de administratie. Aldus heeft de curator geen (adequaat) beeld kunnen krijgen van de bezittingen van de boedel. Het hof acht het evident dat dit kan leiden tot benadeling van de schuldeisers.

Het hof acht voorts aannemelijk dat de verdachte zich hiervan bewust is geweest en, op zijn minst voorwaardelijk, opzet heeft gehad op de verkorting van de rechten van zijn schuldeisers. In verband hiermee wijst het hof op de op 13 september 2011 gepleegde overdracht van de beide ondernemingen van de verdachte, welke transactie door de curator - in rechte onbestreden - als paulianeus is vernietigd, en van welk onderdeel van de tenlastelegging de verdachte louter wegens het ontbreken van wettig bewijs is vrijgesproken."

Tegen deze uitspraak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld.
 

Middel

Het tweede middel klaagt dat het bewezenverklaarde, voor zover inhoudende dat is gehandeld "ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeiser(s)", niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
 

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de in art. 341 (oud) Sr gebezigde bewoordingen "ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers" tot uitdrukking brengen dat de verdachte het opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers, dat voorwaardelijk opzet in dat verband voldoende is en dat derhalve voor het bewijs van het opzet ten minste is vereist dat de handeling van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan (vgl. HR 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BI4691).

Aangezien de bewezenverklaring, voor zover behelzende dat de verdachte heeft gehandeld "ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeiser(s)" niet (zonder meer) uit de gebezigde bewijsvoering kan volgen, is de uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het niet of onvoldoende voeren van een administratie niet zonder meer de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van schuldeisers doet ontstaan en de bewijsvoering voorts de mogelijkheid openlaat dat de verdachte - indien van een dergelijke aanmerkelijke kans sprake zou zijn geweest - zich van die aanmerkelijke kans niet bewust is geweest.

 Het middel is terecht voorgesteld.


Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF