Veroordeling gewoontewitwassen na melding curator aan FIOD

Rechtbank Rotterdam 21 september 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:9069

Op 23 november 2015 ontvangt de FIOD een emailbericht van de curator in het faillissement van naam bedrijf 1, waarin staat vermeld dat een natuurlijk persoon aan een installateur een bedrag van € 280.000 contant heeft betaald. De installateur heeft de werkzaamheden en materialen van de gefailleerde vennootschap contant voldaan aan (de bestuurder van) de gefailleerde vennootschap.

Vervolgens legt de curator een offerte over, gedateerd 31 mei 2013, van naam bedrijf 2 aan naam verdachte, met adres verdachte te woonplaats verdachte, voor een totaalbedrag van € 280.350,26. Het betreft een offerte voor het aanleggen van een “compleet nieuwe elektrische installatie voorzien van KNX” in de woning.
 

Start onderzoek

Naar aanleiding daarvan wordt een onderzoek opgestart, omdat wordt geconcludeerd dat er geen legale bron te traceren is die de oorsprong van € 280.000,- contant geld kan rechtvaardigen. De contante transacties staan niet in verhouding tot de bekende legale inkomsten van verdachte en zijn partner. Tevens kunnen de betalingen niet geheel zijn voldaan uit de hypothecaire lening.

Doorzoeking

Op 30 mei 2016 wordt de woning van verdachte en zijn partner doorzocht, waarbij offertes en facturen worden aangetroffen die betrekking hebben op een verbouwing en aanschaf van goederen in 2013. Er zijn bescheiden aangetroffen van onder andere de volgende bedrijven:

  • naam bedrijf 3 (gedateerd 21-10-2013);
  • naam bedrijf 4 (gedateerd 19-04-2013);
  • naam bedrijf 5 (gedateerd 12-11-2013);
  • naam bedrijf 6 (gedateerd 16-01-2014) en
  • naam bedrijf 7 (gedateerd 10-04-2014).

Betalingen

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij ongeveer € 130.000,- contant heeft betaald aan naam 1 en naam 2, de bestuurder van de gefailleerde vennootschap naam bedrijf 1, voor de verbouwing van het huis van hem en zijn partner. Daarnaast heeft hij te kennen gegeven dat de bedragen, genoemd door de overige leveranciers, ook wel kloppen, met uitzondering van het bedrag van € 14.000,- aan naam bedrijf 8, omdat hij dit bedrag heeft voldaan aan naam 1 en dus is meegenomen in het contante bedrag ad € 130.000,- zoals hierboven genoemd. Ook het bedrag van rond de € 60.000,- dat zou zijn betaald aan naam bedrijf 3, klopt.

De contante betalingen aan de overige leveranciers betreffen de volgende bedragen:

  • naam bedrijf 3 : € 58.500,-
  • naam bedrijf 4 : € 30.000,-
  • naam bedrijf 5 : € 7.400,-
  • naam bedrijf 6 : € 15.130,-
  • naam bedrijf 7 : € 22.800,- +
  • TOTAAL € 133.830,-

De vragen die de rechtbank moet beantwoorden

De vraag in deze zaak is of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het (mede)plegen van (gewoonte)witwassen van het aan hem ten laste gelegde geldbedrag.
 

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft hiertoe, zakelijk weergegeven, het volgende naar voren gebracht.

Verdachte heeft ten aanzien van de contante geldbedragen pas in een zeer laat stadium een verklaring gegeven. Zijn verklaring is niet concreet en verifieerbaar en juist wel hoogst onwaarschijnlijk. Verdachte heeft slechts het bestaan van een eventuele bron van inkomsten aangegeven, maar niet de legale herkomst van het geld concreet gemaakt. De uiteindelijke verwijzingen naar onbekende personen met onbekende vastgoedtransacties in Suriname hebben niet te gelden als een concrete verifieerbare verklaring die de herkomst van de gelden inzichtelijk hebben kunnen maken. De verklaring van verdachte bevat daarnaast zeer veel onwaarschijnlijkheden. Het kan daarom niet anders zijn dat de contante geldbedragen, waarmee de verbouwing van de woning is gefinancierd, van enig misdrijf afkomstig zijn.
 

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het hem ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft een concrete, verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd over de herkomst van het bestede geld, namelijk dat hij € 260.000,- contant in Suriname heeft opgehaald en dat dit opbrengsten betreffen uit de verkoop van percelen grond. Doordat koopovereenkomsten met NAW-gegevens zijn verstrekt, de handtekeningen zijn gelegaliseerd door een notaris en is verklaard waar deze koopovereenkomsten zijn opgevraagd, is sprake van een concrete, verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring. Het was aan het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen, maar daarvan is afgezien. Op geen enkele wijze kan worden vastgesteld dat het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Voor het geval de rechtbank tot een andere conclusie komt, doet de raadsman subsidiair het voorwaardelijke verzoek om de behandeling van de zaak aan te houden, zodat de verdediging in de gelegenheid wordt gesteld om haar stellingen nader te onderbouwen.
 

Het oordeel van de rechtbank

Vermoeden van witwassen

Bij de beoordeling van de vraag of verdachte zich aan (gewoonte)witwassen schuldig heeft gemaakt, dient als uitgangspunt te worden genomen dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat het ten laste gelegde geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is. Daarom zal ten eerste moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer van een vermoeden van witwassen sprake is. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende:

  • Verdachte heeft verklaard het totaalbedrag ad € 260.000,- in twee keer contant uit Suriname te hebben meegebracht naar Nederland. Het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld. Daarnaast brengt het fysiek vervoeren van grote bedragen in contanten een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich. Verdachte heeft het contante geld niet bij de douane en de Belastingdienst opgegeven, kennelijk bedoeld om de meldgrens te ontduiken;
  • Verdachte heeft verklaard dit contante bedrag thuis te hebben bewaard, hetgeen eveneens een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich brengt;
  • Uit informatie van de Belastingdienst over het inkomen van verdachte en zijn partner naam partner verdachte, met betrekking tot het jaar 2013, blijkt dat zij een besteedbaar inkomen van € 41.773,- hadden, waarop de kosten levensonderhoud voor een gezin met drie kinderen nog in mindering moeten worden gebracht. Daarmee staan de contante betalingen niet in verhouding tot de inkomsten.

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, zijn van dien aard dat zij het vermoeden van een criminele herkomst van het aan verdachte ten laste gelegde geldbedrag zonder meer rechtvaardigen. Gelet hierop mag van verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van dit geldbedrag. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Verklaring van verdachte over de herkomst van de geldbedragen

In mei 2017 is door de raadsman namens verdachte een verklaring gegeven, namelijk dat de contante gelden afkomstig zijn uit de verkoop van twee percelen grond in Suriname. Naar aanleiding van deze brief van de raadsman en de meegezonden stukken uit Suriname heeft de officier van Justitie verzocht om een verhoor van verdachte. Tijdens dat verhoor door de FIOD in augustus 2017 heeft verdachte verklaard dat de percelen grond door een vriend van de vader van verdachte, naam 3 genaamd, zijn aangekocht met het geld uit de erfenis van de vader van verdachte. Vervolgens zou naam 3 deze percelen na enkele jaren voor een substantieel hoger bedrag weer hebben verkocht. Verdachte verklaarde naam 3 een vrijbrief te hebben gegeven om naar eigen inzicht te beleggen met het geld uit de erfenis. Hij wist dan ook niet welke percelen waren aangekocht en verkocht, en voor welke bedragen, omdat hij daarmee naar eigen zeggen geen bemoeienis heeft gehad. Verdachte heeft naam 3 nooit gezien en maar drie of vier keer telefonisch contact met hem gehad. Ook bij de overhandiging van het geld, dat in twee keer gebeurde omdat de eerste keer ‘slechts een deel voorhanden was’, zoals verdachte ter zitting verklaarde, heeft hij naam 3 beide keren niet gezien. Het geld werd in een plastic zak door een kennis van naam 3, naam 4 genaamd, overhandigd op een afgesproken plaats ergens in Paramaribo. Verdachte heeft dit geld vervolgens mee naar Nederland genomen en thuis bewaard. Later heeft verdachte hiermee meerdere werkzaamheden aan zijn nieuw aangekochte huis contant voldaan.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte niet geloofwaardig is. Verdachte heeft tot enkele maanden geleden geen verklaring gegeven voor de herkomst van de contante gelden waarmee de verbouwing is bekostigd. Aanvankelijk, te weten in mei en juni 2016, verklaarde verdachte juist dat de verbouwing enkel per bank is betaald. Pas een jaar later wordt door de raadsman van verdachte aangegeven dat er contante gelden zijn verkregen uit de verkoop van percelen in Suriname. Daarbij zijn vier koopovereenkomsten gevoegd. Allereerst is niet in te zien waarom verdachte niet eerder met deze verklaring is gekomen.

Op hernieuwde uitnodiging van het Openbaar Ministerie om te komen verklaren, heeft verdachte in augustus 2017 meer in detail verklaard over het overlijden van zijn vader, het contact met naam 3 en het verkrijgen van de contante gelden. Deze verklaring van verdachte is echter op geen enkel punt concreet: verdachte heeft geen telefoonnummer van deze heer naam 3 en weet geen achternaam van naam 4, die het geld in twee delen aan hem zou hebben overhandigd, laat staan dat hij verdere contactgegevens van hem heeft.

Ook is de verklaring van verdachte op punten tegenstrijdig. Verdachte verklaarde ter zitting dat hij de geldbedragen in twee keer is gaan ophalen, omdat de eerste keer ‘slechts een deel beschikbaar was’. Hij verklaarde verder geen risico in dit contante vervoer te hebben gezien. In zijn verklaring van augustus 2017 gaf verdachte echter aan dat hij de geldbedragen in delen ophaalde, omdat hij het wel genoeg vond en niet teveel wilde meenemen in één keer.

Verder zitten in zijn verklaring een aantal onwaarschijnlijkheden:

  • Verdachte heeft verklaard dat hij naam 3 het geld uit de erfenis heeft laten beleggen, zonder enige verdere afspraak, dit terwijl hij naam 3 nooit had ontmoet en hij nu ook geen contactgegevens meer kan aanleveren;
  • Verdachte heeft verder ter zitting verklaard dat zijn vader in Nederland woonde en het niet breed had. In dat licht is het onwaarschijnlijk dat zijn vader in Suriname over een groot geldbedrag beschikte;
  • Bij de verkoop van de twee percelen zou respectievelijk een waardestijging van 858 procent in vijf jaar en 632 procent in twee jaar zijn behaald. Dit acht de rechtbank een onwaarschijnlijk hoge winst voor een dergelijk korte periode;
  • naam 3 zou bij de aankoop van het tweede perceel € 12.000,- aan eigen geld geïnvesteerd hebben van het totaalbedrag van € 25.000,-. Ondanks dit grote aandeel in deze transactie staat de naam van naam 3 in het geheel niet in het koopcontract genoemd;
  • De percelen zijn in 2011 verkocht. In 2012 heeft naam 3 verdachte daarover gebeld, zo verklaart verdachte in augustus 2017. Verdachte heeft het geld pas in 2013 opgehaald. naam 3 zou het bedrag ad € 261.000,- twee jaar lang ergens onder zich hebben gehouden, terwijl verdachte niet wist wie naam 3 was;
  • Verdachte heeft naar eigen zeggen niet aan zijn vriendin, waarmee hij het huis had gekocht en liet verbouwen, meegedeeld dat bij de aan- en verkoop van de percelen in Suriname dergelijk grote winsten zouden zijn behaald. Dit terwijl de hypotheek in het geheel niet toereikend was om de verbouwingskosten te betalen. Verdachte heeft dit niet verteld, zo verklaarde hij ter zitting, omdat hij ‘haar daar niet mee wilde lastigvallen’. Ook dit komt de rechtbank geheel onwaarschijnlijk voor.
  • De juistheid van de door verdachte in het geding gebrachte koopovereenkomsten kan niet worden geverifieerd, nu dit onderhandse akten zijn, waarvan weliswaar de handtekeningen zijn gelegaliseerd, maar door de notaris niet is aangetekend op welk moment dat is gebeurd, zodat noch de inhoudelijke juistheid noch de datum van ondertekening vaststaat. Daar komt bij dat de onderhandse koopakten verplichtingen tot levering respectievelijk betaling doen ontstaan, maar dat bewijsstukken waaruit blijkt dat het ook tot een daadwerkelijke levering en betaling van onroerend goed of grondrente is gekomen ontbreken.

De rechtbank acht, gelet op voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband beschouwd, de verklaring van verdachte hoogst onwaarschijnlijk. Deze behoeft daarom ook geen nader onderzoek. Zijn verklaring kan geen tegenwicht bieden tegen voormeld vermoeden van witwassen. Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de ten laste gelegde geldbedragen – middellijk of onmiddellijk – uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte hiervan wetenschap heeft gehad.

Gewoonte

Blijkens de wetsgeschiedenis is sprake van een gewoonte bij een pluraliteit van feiten die niet slechts toevallig op elkaar volgen, maar onderling in zeker verband staan, zowel voor wat betreft de objectieve aard van de feiten als voor wat betreft de subjectieve gerichtheid van de dader, zijnde de neiging van de dader om het feit steeds weer te begaan. Gelet op de wijze waarop verdachte de contante geldbedragen steeds opnieuw heeft besteed en de langere periode waarbinnen dit herhaaldelijk plaatsvond, is sprake van een gewoonte.
 

Voorwaardelijk aanhoudingsverzoek

Nu de rechtbank tot bovenstaande conclusies komt, wordt het voorwaardelijke verzoek tot aanhouding afgewezen.
 

Verbeurdverklaring woning

Het voorwerp behoort aan verdachte voor de helft toe. Nu het feit met betrekking tot dit voorwerp is begaan, wordt dit voorwerp verbeurd verklaard, en wel tot een waarde van € 263.830,-. Daarbij beveelt de rechtbank dat indien bij de verkoop/veiling de woning na voldoening van hypotheek, kosten, etc. meer oplevert, de helft van de netto meerwaarde aan verdachte wordt vergoed op grond van artikel 33c van het Wetboek van Strafrecht. De andere helft van de netto meerwaarde komt toe aan de medeverdachte.

De rechtbank realiseert zich dat deze straf voor beide verdachten en hun gezin bijzonder ingrijpend is, maar nu het witwassen juist heeft geleid tot waardevermeerdering van de woning en het ook kennelijk de bedoeling is geweest van criminaliteit afkomstig geld wit te wassen door de woning van verdachten grondig en zeer luxueus te verbouwen en te verbeteren acht de rechtbank de verbeurdverklaring passend.
 

Bewezenverklaring

  • Gewoontewitwassen
     

Strafoplegging

Een gevangenisstraf van 8 maanden en een geldboete van € 112.435.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF