Vrijspraak niet voldoen aan administratieplicht

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14 december 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:5517

De rechtbank heeft:

  • de verdachte vrijgesproken van hetgeen bij inleidende dagvaarding aan hem ten laste is gelegd onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 5 en 6, eerste onderdeel (onttrekking aan de boedel van een geldbedrag van € 1.500,00);
  • bewezen verklaard hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair, 4 primair en 6, tweede onderdeel;
  • de verdachte ter zake van, kort gezegd, eenvoudige bankbreuk (feiten 1, 2 en 3) en bedrieglijke bankbreuk (feiten 4 en 6) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
 

Beoordeling van de feiten onder 1, 2 en 3

De advocaat-generaal heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de verdachte overeenkomstig de beslissing van de rechtbank van het onder 1, 2 en 3 telkens primair ten laste gelegde vrijgesproken dient te worden omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte als bestuurder van de onder 1, 2 en 3 genoemde vennootschappen heeft nagelaten een behoorlijke bedrijfsadministratie te voeren met het oog op de benadeling van schuldeisers.

Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 telkens subsidiair ten laste gelegde meent de advocaat-generaal primair dat het hof kan komen tot dezelfde bewezenverklaring als de rechtbank. Subsidiair meent de advocaat-generaal, gelet op de in de tenlastelegging onder 1, 2 en 3 genoemde pleegperiode, dat het hof in ieder geval bewezen kan verklaren dat het aan de verdachte te wijten is dat de administraties van de betreffende vennootschappen, nadat zij in staat van faillissement waren verklaard, niet behoorlijk tevoorschijn zijn gebracht.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van het aan het hof voorgelegde dossier staat vast dat de in de tenlastelegging onder 1, 2 en 3 genoemde besloten vennootschappen naam Holding B.V, naam International B.V. en naam Nederland B.V. in staat van faillissement zijn verklaard op respectievelijk 4 augustus 2009, 18 augustus 2009 en 17 maart 2010. De verdachte was in ieder geval vanaf eind 2005 tot en met 28 oktober 2010 enig bestuurder/aandeelhouder van naam Beheer B.V. en via die laatste vennootschap indirect formeel bestuurder van deze drie vennootschappen.

Zowel in het primair als subsidiair onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wordt aan de verdachte allereerst het verwijt gemaakt dat hij - al dan niet ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de desbetreffende vennootschap - als bestuurder van die vennootschap niet heeft zorggedragen voor de nakoming van de in de artikelen 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek omschreven verplichtingen tot het voeren en bewaren van een behoorlijke administratie, alsmede dat hij de gevoerde en bewaarde administratie niet ongeschonden aan de curator heeft afgegeven. De eerstgenoemde verplichting tot het voeren van een deugdelijke administratie uit de artikelen 2:10 en 3:15i BW ziet op de periode tot datum faillissement, terwijl de in die bepalingen opgenomen verplichting om de gevoerde administratie deugdelijk te bewaren zich vervolgens ook uitstrekt tot het moment dat de gevoerde en bewaarde administratie in het faillissement aan de curator ter beschikking wordt gesteld. Tot dit laatste was de verdachte als (in)direct bestuurder van de vennootschappen gehouden op grond van de Faillissementswet.

Uit het voorliggende dossier blijkt dat binnen elk van de genoemde drie vennootschappen in de periode tot aan de datum van het faillissement onder de verantwoordelijkheid van de verdachte niet is voldaan aan de verplichting tot het voeren van een deugdelijke admini-stratie uit de artikelen 2:10 en 3:15i BW. Met betrekking tot deze drie vennootschappen ontbreekt het wettig en overtuigend bewijs dat tevens niet is voldaan aan de verplichting tot het bewaren van de gevoerde administratie en/of dat de aldus gevoerde en bewaarde administratie niet volledig en ongeschonden aan de curator ter beschikking is gesteld.

Het verwijt dat de verdachte in de eerste drie ten laste gelegde feiten, zowel primair als subsidiair, wordt gemaakt, is dat verdachte als bestuurder van die vennootschappen vanaf datum faillissement tot 28 oktober 2010 niet heeft voldaan aan de in de artikelen 2:10 en 3:15i BW omschreven verplichtingen tot het voeren van een administratie. Nu de ten laste gelegde periode enkel ziet op de periode vanaf faillissement en de op verdachte als indirect bestuurder van de drie vennootschappen rustende verplichtingen tot het voeren van een deugdelijke administratie beperkt zijn tot de periode tot aan het faillissement, dient vrijspraak te volgen.

Hier komt nog bij dat, nu de verdachte de (soms ook weer indirecte) bestuurder is van de directe rechtspersoon-bestuurder van de verschillende failliete vennootschappen, alleen de directe rechtspersoon-bestuurders van de failliete vennootschappen als bestuurder in de zin van de ten laste gelegde artikelen 342 en 343 Sr (oud) kunnen worden aangemerkt (HR 8 maart 1988, NJ 1989/839). Dat de verdachte ook feitelijk als bestuurder van deze drie vennootschappen kon worden betiteld, doet daar in die specifieke gevallen dan niet aan af. Ook om deze reden had derhalve vrijspraak moeten volgen.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 4: Als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
  • Feit 6: Als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon enig goed aan de boedel onttrekken.
     

Strafoplegging

Voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk doordat hij met het opzet van benadeling van de schuldeisers van de in staat van faillissement verklaarde besloten vennootschap naam Beheer B.V. in strijd met de op hem als bestuurder van die vennootschap rustende verplichtingen heeft nagelaten administratieve bescheiden, aan de hand waarvan te allen tijde de rechten en verplichtingen van de betreffende rechtspersoon kunnen worden gekend, tevoorschijn te brengen. Voorts heeft de verdachte een auto aan de boedel van de failliete vennootschap onttrokken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF