Veroordeling directeur van failliete zorgorganisatie uit Lichtenvoorde voor faillissementsfraude

Rechtbank Overijssel 30 oktober 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:4031

Een directeur van een failliete zorgorganisatie uit Lichtenvoorde is voor faillissementsfraude veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. In het zicht van het faillissement onttrok hij ongeveer 170.000 euro aan de boedel en bevoordeelde zo zichzelf als schuldeiser, ten koste van de rechten van andere schuldeisers.
 

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Hiertoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat het faillissement van bedrijf 1 BV op 19 december 2012 voor verdachte in zicht kwam. Op die datum heeft verdachte, als bestuurder van bedrijf 1, een melding van betalingsonmacht aan de Belastingdienst gedaan. Hoewel na deze melding met behulp van bedrijf 4, door middel van een factoringovereenkomst, kapitaal beschikbaar kwam, heeft verdachte dit geld gebruikt voor betalingen aan zichzelf in privé en aan bedrijf 2 Holding BV (bedrijf 2), ter aflossing van leningen, terwijl verdachte zelf en bedrijf 2 niet staan vermeld op de crediteurenlijst van bedrijf 1. Binnen drie maanden na de melding van betalingsonmacht door verdachte is bedrijf 1 op 9 april 2013 failliet verklaard.

Volgens de officier van justitie zijn alle in de tenlastelegging onder A, B, C en D opgenomen overboekingen en contante opnames als het onttrekken van geld aan de boedel te kwalificeren, en derhalve als frauduleus te kenmerken. Ten aanzien van het onder E ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat de curator in de aangifte heeft verklaard dat hij verdachte op de wettelijke bewaarplicht ten aanzien van de administratie voor bedrijf 1 heeft gewezen en dat de curator heeft vastgesteld dat delen van de administratie, met name zorgovereenkomsten met cliënten, zorgplannen en bankafschriften, niet zijn aangetroffen en dat deze ontbrekende delen, ondanks aanmaningen aan het adres van verdachte, ook niet zijn aangeleverd, waardoor niet kan worden aangetoond welke werkzaamheden voor welke cliënten zijn verricht en een aanzienlijk deel van het debiteurenbestand oninbaar is.
 

Het standpunt van de verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard – zakelijk weergegeven – dat hij bestuurder was van bedrijf 1, een bedrijf met 80 cliënten en ongeveer 40 parttime medewerkers in dienst, met contracten variërend van 28 tot 36 uur per week. Verdachte heeft verder verklaard dat op zijn verzoek op 9 april 2013 het faillissement van bedrijf 1 is uitgesproken. De reden voor de aanvraag van het faillissement was gelegen in de ontvangst op 8 april 2013 van meerdere opzegbrieven van cliënten, aldus verdachte. Volgens verdachte was er vóór deze datum nog geen zicht op het faillissement. Verdachte heeft aangevoerd dat hij niet goed was in het financiële deel van de onderneming en dat hij derhalve om advies heeft gevraagd aan de heer naam.

Verdachte heeft verklaard dat bedrijf 2 voor verdachte fungeerde als bank, en dat hij geld leende als hij dat nodig had voor bedrijf 1. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij er bewust voor heeft gekozen om de leningen van bedrijf 2 en van de Triodos bank af te lossen. Volgens verdachte heeft hij fouten gemaakt, maar heeft hij niet opzettelijk bepaalde schuldeisers wel en andere schuldeisers niet betaald. Voor het opschorten van het salaris van zijn medewerkers in maart 2013 heeft verdachte bewust gekozen, omdat hij er vanuit ging dat hij zou kunnen doorwerken.

Met betrekking tot de administratie heeft verdachte verklaard dat hij ingevolge de voor zijn bedrijf geldende ISO-normen zijn cliëntdossiers vulde en dat alle vereiste gegevens aanwezig waren, maar dat er in de dossiers is geplukt.

Voorts heeft verdachte aangevoerd dat hij na 9 april 2013 nog een bedrag van € 1.900 aan kantoorkosten heeft gemaakt, welk bedrag hij in overleg met de curator van de rekening van bedrijf 1 heeft opgenomen. De bedragen die hij voorafgaand aan het faillissement heeft opgenomen zijn vermoedelijk besteed aan het voorschieten van geld aan cliënten in verband met uitgaven voor voeding, kleding of hun woning.
 

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Het bedrijf 1 is gevestigd op 20 oktober 2010 en vanaf 23 november 2010 is bedrijf 1 actief geweest (activiteiten: maatschappelijke opvang voor volwassenen met verblijfsaccommodatie / opvang voor volwassenen in crisissituaties). Verdachte was enig aandeelhouder van bedrijf 1 (dat handelde onder de naam zorgorganisatie) en tevens bestuurder/directeur.

bedrijf 1 is op 9 april 2013 op verzoek van verdachte door de rechtbank Zutphen in staat van faillissement verklaard, waarbij mr. B.H.M. Harbers als curator is benoemd.

Verdachte is eerder bestuurder geweest van bedrijf 3 BV, welke BV op 12 juni 2012 failliet is verklaard. Na dit faillissement zijn de activiteiten van bedrijf 3 overgedragen aan bedrijf 1.

Relevante feiten en omstandigheden

In 2009 zijn bedrijf 3 en de Triodos bank een leningovereenkomst overeengekomen , waarbij verdachte in privé een zekerheidsstelling van € 37.5007 aan de bank heeft afgegeven. Na het faillissement van bedrijf 3 heeft verdachte het nog openstaande bedrag van de lening voldaan door van de rekening van bedrijf 1 bedragen over te maken naar de Triodos bank. De laatste overboeking, ter grootte van een bedrag van € 2.391,33, heeft plaatsgevonden op 26 maart 2013.

Op 22 november 2012 heeft verdachte de heer naam van bedrijf 4 Ltd ingeschakeld voor advieswerkzaamheden met betrekking tot het structureren van bedrijf 1 en ter vergroting van de solvabiliteit, naam heeft bedrijven benaderd om tot een factoringovereenkomst te komen, hetgeen kostenbesparend zou zijn voor bedrijf 1 aangezien op die wijze nog maar één debiteur zou overblijven. Volgens naam draaide bedrijf 1 met verlies en was de situatie niet heel beroerd maar wel zorgelijk. Er moest binnen bedrijf 1 wat gebeuren omdat het anders in het komende jaar mis zou gaan. Dit heeft geresulteerd in een factoringovereenkomst met bedrijf 5, gedateerd 15 januari 2013.

Verdachte heeft reeds op 19 december 2012 namens bedrijf 1 een brief aan de Belastingdienst geschreven inhoudende een melding van onmacht van betaling en de mededeling dat een financieel adviseur was aangetrokken ter verbetering van de financiële situatie.

Verdachte heeft in privé meerdere leningovereenkomsten gesloten met bedrijf 2. In het dossier bevinden zich twee overeenkomsten, te weten een overeenkomst van 4 maart 2013 betreffende een lening van € 52.000 met daarbij een overeengekomen aflossingstabel en een overeenkomst van 31 oktober 2011 betreffende een lening van € 100.000. Beide overeenkomsten betreffen een lening van bedrijf 2 aan verdachte in privé. In verband met de lening van € 100.000 heeft bedrijf 2 als zekerheidsstelling een hypotheek gevestigd op de woning van verdachte.

Verdachte heeft de door hem in privé geleende € 100.000 op 1 november 2011 weer doorgeleend aan bedrijf 1.

Uit afschriften van de bankrekening ten name van zorgorganisatie volgt dat in verband met voornoemde factoringovereenkomst door bedrijf 5 een viertal bedragen is overgemaakt aan zorgorganisatie / bedrijf 1, te weten;

- op 25 januari 2013 een bedrag van € 120.000;

- op 12 februari 2013 een bedrag van € 116.368,71;

- op 25 maart 2013 een bedrag van € 68.685,71;

- op 28 maart 2013 een bedrag van € 100.195.

Op 28 februari 2013 is door de Belastingdienst beslag gelegd bij bedrijf 1.

In de periode van 25 maart 2013 tot en met 30 maart 2013 is in totaal € 170.000 overgeboekt van de rekening van bedrijf 1 naar de rekening van verdachte in privé. Dit betreffen de volgende bedragen: € 62.500, € 2.000, € 90.000, € 8.000 en € 7.500.

Van deze € 170.000 is een bedrag van in totaal € 120.000 overgeboekt van de rekening van verdachte in privé naar de rekening van bedrijf 2.

In de periode van 1 januari 2013 tot en met 24 juni 2013 heeft verdachte verschillende bedragen contant opgenomen van de bankrekening van bedrijf 1 voor in totaal € 5.100.

Verdachte heeft verklaard dat hij heeft besloten om de salarissen van de medewerkers van bedrijf 1 over de maand maart 2013 niet uit te betalen en de betaling hiervan op te schorten.

De curator mr. B.H.M. Harbers heeft een crediteurenlijst verstrekt met daarop verschillende schuldeisers van bedrijf 1, waaronder partijen als de Belastingdienst en het UWV. Verdachte en bedrijf 2 komen op deze lijst niet voor.

Juridisch kader

In geval van faillissement is bevoordeling van een schuldeiser strafbaar in de zin van de wet indien deze handelingen zijn gepleegd in het zicht van het faillissement. Voor de beantwoording van de bewijsvraag in onderhavige zaak moet dus worden vastgesteld vanaf welk moment het faillissement van bedrijf 1 voor verdachte voorzienbaar is geweest. Een faillissement is voorzienbaar vanaf het moment dat verdachte zeker weet dat het faillissement – afgezien van onverwachte toevalligheden – onvermijdelijk is.

Voorts dient de vraag te worden beantwoord of de door verdachte gepleegde handelingen nadat het faillissement van bedrijf 1 in zicht was gekomen – verricht zijn ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’. Daarmee wordt volgens constante jurisprudentie tot uitdrukking gebracht dat de verdachte het (voorwaardelijk) opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers. Voor het bewijs van het opzet is derhalve ten minste vereist dat de handeling van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan, alsmede dat de verdachte door die gedraging die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.

Met betrekking tot de voorzienbaarheid van het faillissement

De rechtbank leidt uit het dossier af dat de financiële situatie van bedrijf 1 in december 2012 zorgelijk was. Verdachte heeft echter door het aantrekken van de heer naam als financieel adviseur (in november 2012) en door de factoringovereenkomst tussen bedrijf 1 en bedrijf 5 (gedateerd 15 januari 2013), belangrijke stappen gezet om de liquiditeits- en solvabiliteitspositie van bedrijf 1 te verbeteren. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op de datum van melding van betalingsonmacht (19 december 2012) het faillissement van bedrijf 1 nog niet voorzienbaar was.

De rechtbank stelt voorts vast dat op het moment dat bedrijf 5 op 25 maart 2013 een bedrag van € 68.500 op de rekening van bedrijf 1 heeft gestort. Op diezelfde datum heeft verdachte een bedrag van € 62.500 overgeboekt van de rekening van bedrijf 1 naar zijn eigen privé rekening. Op dat moment wist verdachte van de financiële problemen van bedrijf 1, hetgeen de rechtbank mede afleidt uit het feit dat verdachte op 4 maart 2013 nog € 52.000 heeft geleend van bedrijf 2, welk bedrag door bedrijf 2 rechtstreeks is overgemaakt naar de rekening van bedrijf 1 en uit het feit dat de Belastingdienst op 28 februari 2013 beslag heeft gelegd.

Op grond van deze wetenschap van de penibele financiële situatie van bedrijf 1, als ook het feit dat verdachte door die financiële situatie de salarissen van de werknemers van bedrijf 1 over de maand maart 2013 niet heeft uitbetaald, is de rechtbank van oordeel dat het faillissement van bedrijf 1 vanaf 25 maart 2013 voor verdachte voorzienbaar was.

Met betrekking tot het opzet op de verkorting van de rechten van de schuldeisers

Voorts ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of de in de tenlastelegging genoemde handelingen verricht zijn ‘ter verkorting van de rechten van de schuldeisers’.

- het tenlastegelegde onder A

Nu de rechtbank zoals hiervoor reeds is uiteengezet van oordeel is dat het faillissement van bedrijf 1 niet eerder dan op 25 maart 2013 voor verdachte voorzienbaar was, kan niet worden bewezen dat de onder A genoemde overschrijvingen van verschillende geldbedragen in de periode van 14 januari tot en met 28 januari 2013 zijn gedaan in het zicht van het faillissement van bedrijf 1.

De rechtbank zal verdachte dan ook van het onder A ten laste gelegde vrijspreken.

- het tenlastegelegde onder B

De onder B ten laste gelegde overboekingen van de rekening van bedrijf 1 naar verdachtes privérekening van in totaal € 170.000, hebben alle plaatsgevonden in de periode tussen 25 maart 2013 en 30 maart 2013, dus in een periode waarin het faillissement van bedrijf 1 voor verdachte voorzienbaar was. Een groot deel van deze door verdachte naar zijn privérekening overgeboekte bedragen heeft verdachte vervolgens doorgeboekt naar een rekening van bedrijf 2.

Deze overboekingen zijn strafbaar als door die overboekingen ten minste de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers is ontstaan en verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.

Door vanaf 25 maart 2013 de op de rekening van bedrijf 1 staande en bijgeboekte bedragen niet te gebruiken om lonen van de werknemers van bedrijf 1 te betalen en bestaande schuldeisers als de Belastingdienst te betalen, maar in plaats daarvan deze bedragen naar zijn privérekening over te maken, heeft verdachte zichzelf bevoordeeld en een aanmerkelijke verkorting van de verhaalsmogelijkheden voor andere schuldeisers van bedrijf 1 doen ontstaan. De rechtbank acht eveneens bewezen dat verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van schuldeisers van bedrijf 1 ook bewust heeft aanvaard.

- het tenlastegelegde onder C

Met betrekking tot de betalingen aan Triodos bank is de rechtbank van oordeel dat de laatste overboeking, een bedrag van € 2.391,33, die is gedaan op 26 maart 2013, door verdachte is uitgevoerd in het zicht van het faillissement van bedrijf 1.

Onder verwijzing naar hetgeen met betrekking tot het tenlastegelegde onder B is overwogen acht de rechtbank bewezen dat verdachte bij deze overboeking (voorwaardelijk) opzet op de verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft gehad.

- het tenlastegelegde onder D

De rechtbank stelt vast dat verdachte in de periode van 25 maart 2013 tot en met 24 juni 2013 contant geld heeft opgenomen van de rekening van bedrijf 1 voor in totaal € 2.710. De in deze periode gedane opnamen zijn naar het oordeel van de rechtbank, op basis van hetgeen hiervoor reeds is overwogen, gedaan in het zicht van het faillissement.

Uit de aangifte van de curator volgt dat verdachte er niet in is geslaagd om aan de curator aan te tonen waarvoor het opgenomen bedrag is aangewend. De stelling van verdachte dat bedragen die hij voorafgaand aan het faillissement heeft opgenomen vermoedelijk zijn besteed aan het voorschieten van geld aan cliënten in verband met uitgaven voor voeding, kleding of hun woning, is niet op enigerlei wijze met stukken onderbouwd en vindt ook overigens geen steun in het dossier.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, onder de gegeven omstandigheden, de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers van de BV op de koop toe genomen en tevens bewust aanvaard. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat sprake is van het onttrekken van geld aan de boedel ter bedrieglijke verkorting van de rechtbank der schuldeisers.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij de verklaring van verdachte dat de curator aan hem toestemming heeft gegeven om € 1.900 aan contant geld op te nemen in verband met kantoorkosten, zonder dat daarvan in de administratie stukken terug te vinden zijn, ongeloofwaardig acht.

- het tenlastegelegde onder E

De curator heeft verklaard dat hij heeft vastgesteld dat delen van de administratie van bedrijf 1, met name zorgovereenkomsten met cliënten, zorgplannen en bankafschriften, niet zijn aangetroffen. Deze ontbrekende delen zijn, ondanks aanmaningen aan het adres van verdachte, ook niet aangeleverd, waardoor niet kan worden aangetoond welke werkzaamheden voor welke cliënten zijn verricht en een aanzienlijk deel van het debiteurenbestand oninbaar is. De curator heeft verklaard dat hij verdachte meermalen verzocht om de ontbrekende delen van de administratie van bedrijf 1 alsnog te verstrekken.

De rechtbank stelt vast dat verdachte op de hoogte was van de financiële problemen binnen bedrijf 1. Voorts stelt de rechtbank vast dat verdachte, die naar eigen zeggen wist van het belang van deugdelijke dossiers in de administratie van bedrijf 1 en hiertoe de zogenoemde “ISO-normen” hanteerde, derhalve ook wist of behoorde te weten dat door het niet of onvoldoende voeren van de administratie een aanmerkelijke kans bestond dat bij een faillissement onvoldoende inzage bestond in de rechten en plichten van bedrijf 1, waardoor de rechten van de schuldeisers konden worden verkort.

De stelling van verdachte ter zitting dat hij het in een e-mail van de curator opgetekend verzoek om aanvulling van de administratie abusievelijk over het hoofd heeft gezien, kan zo zijn, maar doet er niet aan af dat de curator reeds vlak na het faillissement aan verdachte de verplichting tot het voeren van een volledige administratie kenbaar heeft gemaakt. De stelling van verdachte dat de curator de administratie zou hebben ontvreemd acht de rechtbank ongeloofwaardig.

De conclusie

De rechtbank acht het onder B, C, D en E tenlastegelegde, zoals hiervoor is uiteengezet, wettig en overtuigend bewezen.
 

Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als bestuurder van de besloten vennootschap bedrijf 1 BV (tevens h.o.d.n. zorgorganisatie), welke vennootschap op 9 april 2013 in staat van faillissement is verklaard, in de periode van 25 maart 2013 tot 1 juli 2016 in Nederland, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van bedrijf 1 BV,

1. enig goed aan de boedel heeft onttrokken; en

2. ter gelegenheid van het faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, één van de schuldeisers op enige wijze heeft bevoordeeld; en

3. niet voldaan heeft aan de op hem rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld,

immers hebbende verdachte:

B. in de periode van 25 maart 2013 tot en met 30 maart 2013, EUR 62.500 en/of EUR 2.000 en/of EUR 90.000 en/of EUR 8.000 en/of EUR 7.500 overgemaakt naar de privérekening van verdachte, met als omschrijving "overbr" en/of "Lening" en/of "Lening terug" en/of "Lening aflos" en/of Aflos. lening", en/of

C. op 26 maart 2013 EUR 2.391,33 overgemaakt van de rekening van bedrijf 1 BV en/of zorgorganisatie naar een rekening van de Triodos Bank ten behoeve van de voldoening van een privé schuld van verdachte in verband met de uitwinning van een borgstelling inzake bedrijf 3 BV, en/of

D. in de periode van 25 maart 2013 tot en met 24 juni 2013 contant geld opgenomen van de rekening van bedrijf 1 BV en/of zorgorganisatie, voor een totaal bedrag van EUR 2.710, welk bedrag eveneens niet is verantwoord in een kasboek, en/of

E. niet een volledige administratie gevoerd.
 

Strafoplegging

  • Gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF