Veroordeling tot taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf voor faillissementsfraude met benadeling van 70.000 euro

Rechtbank Amsterdam 27 september 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:7069

Verdachte maakte zich als bestuurder van een rechtspersoon schuldig aan faillissementsfraude. Verdachte heeft in slechts twee maanden tijd voor iets meer dan 70.000,- euro goederen op krediet besteld zonder mogelijkheden om de openstaande rekeningen te betalen. Verdachte heeft daarnaast onvoldoende een administratie gevoerd, met als belangrijkste gevolg dat niet meer te achterhalen is waar de bestelde goederen zijn gebleven. Daardoor is het voor de schuldeisers onmogelijk om de openstaande rekeningen voldaan te krijgen. Verdachte heeft met zijn handelen de schuldeisers van bedrijf ernstig benadeeld.

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat:

  • Feit 1: hij als bestuurder van bedrijf ter bedrieglijke verkorting van de schuldeisers van bedrijf goederen aan de boedel heeft onttrokken of baten niet heeft verantwoord;
  • Feit 2 primair: hij als bestuurder van bedrijf ter bedrieglijke verkorting van de schuldeisers van bedrijf niet heeft voldaan aan de verplichting om een administratie te voeren, te bewaren en/of te voorschijn te halen;
  • Feit 2 subsidiair: het aan hem als bestuurder van bedrijf te wijten is dat niet is voldaan aan de verplichting om een administratie te voeren, te bewaren en/of te voorschijn te halen.
     

Feit 1

De rechtbank stelt op basis van het dossier en de behandeling op zitting vast dat verdachte van 2 mei 2012 tot en met 10 juli 2012 bestuurder en enig aandeelhouder was van bedrijf. In die tijd is voor meer dan 70.000,- euro aan telefoons en andere elektronica door bedrijf op krediet besteld. Nadat bedrijf op 20 november 2012 in staat van faillissement was verklaard, bleken de bestelde goederen niet meer aanwezig. Wat er met de goederen is gebeurd, is onbekend gebleven. 
De goederen zijn echter niet betaald en niet is gebleken dat de goederen geld hebben opgebracht dat in het vermogen van bedrijf is terecht gekomen.

Voor het antwoord op de vraag of verdachte strafrechtelijk verantwoordelijk is voor het uit de boedel van bedrijf wegraken van de goederen, zijn de volgende omstandigheden van belang.

Verdachte verklaarde dat hij degene is geweest die de telefoons en de andere elektronica heeft besteld. Verdachte was daarbij bewust op zoek naar leveranciers bij wie pas na levering betaald hoefde te worden. Ten tijde van de bestellingen was er geen businessplan vastgesteld hoe de aanschaf van de goederen terugverdiend kon worden. Op dat moment waren er ook geen klanten of afnemers bekend van de bestelde goederen. Zowel de vennootschap als verdachte zelf beschikte niet over de financiële middelen om de aangeschafte goederen te betalen.

Verdachte verklaarde dat hij de goederen na levering aan zijn compagnon heeft meegegeven die de spullen thuis zou hebben bewaard. Deze compagnon, door verdachte ‘ compagnon ’ genoemd, is verder onvindbaar gebleken nu van hem geen adresgegevens bekend zijn geworden. Verdachte beschikte slechts over het telefoonnummer van compagnon. 
Dit betekent dat als verdachte inderdaad de goederen aan compagnon zou hebben meegegeven, hij ze – als bestuurder/enig aandeelhouder – niet terug kon halen. Het gevolg daarvan is dat het enige vermogen waarop schuldeisers bij bedrijf verhaal konden halen – de bestelde goederen – niet meer voorhanden was.

Door in deze situatie voor meer dan 70.000,- euro aan goederen op krediet te bestellen en geleverd te krijgen, had verdachte zonder meer moeten weten dat er een vrijwel niet af te wenden risico bestond dat de goederen nooit betaald konden worden en daarom het faillissement van bedrijf onafwendbaar zou zijn. Het lag op de weg van verdachte, als bestuurder van bedrijf, om in elk geval ervoor te zorgen dat duidelijk was waar de vermogensbestandsdelen van bedrijf zich bevonden. In plaats daarvan heeft verdachte de telefoons en andere elektronica uit het zicht van de vennootschap gebracht. Hij zegt deze te hebben meegegeven aan iemand wiens adres hij niet kende. Daarmee heeft verdachte willens en wetens op de koop toe genomen dat de schuldeisers zouden worden benadeeld. Dit alles bij elkaar betekent dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het als feit 1 ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van de periode die bewezen verklaard kan worden, is het volgende van belang. Verdachte was in de periode van 2 mei 2012 tot en met 10 juli 2012 formeel en feitelijk bestuurder van bedrijf. Na 10 juli 2012 was verdachte formeel geen bestuurder meer nadat hij zijn aandelen van bedrijf had overgedragen. Voor de periode tot aan het faillissement op 20 november 2012 is de vraag van belang of verdachte na de overdacht van de aandelen van bedrijf feitelijk nog wel bestuurder bleef.

Vastgesteld kan worden dat in die periode weinig activiteiten zijn ondernomen vanuit de vennootschap. Wel heeft verdachte op 13 juli 2012, een paar dagen na de aandelenoverdracht, namens bedrijf aan de Belastingdienst verzocht om teruggave van ruim 12.000,- euro aan voorbelastingen. Daarmee was verdachte op die dag nog actief als feitelijk bestuurder van bedrijf. De rechtbank kan niet vaststellen of verdachte ook na 13 juli 2012 actief is geweest als feitelijk bestuurder van bedrijf. Daarom zal bewezen worden verklaard dat verdachte feit 1 in de periode van 2 mei 2012 tot en met 13 juli 2012 heeft begaan.
 

Feit 2

De wet schrijft voor dat het bestuur van een rechtspersoon een administratie voert en bewaart waaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. Wanneer de rechtspersoon in staat van faillissement wordt verklaard, moet de gevoerde administratie ook te voorschijn worden gebracht. Het als feit 2 ten laste gelegde feit houdt het verwijt in dat verdachte niet aan deze verplichtingen heeft voldaan.

De eerste vraag die in dit kader beantwoord moet worden, is of verdachte als bestuurder van bedrijf een dergelijke administratie heeft gevoerd. Bij het beantwoorden van die vraag houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte alleen de eerste twee maanden van het bestaan van bedrijf bestuurder is geweest. In deze korte periode zijn weinig activiteiten ondernomen die geadministreerd moesten worden. Er kan dan ook niet verwacht worden dat sprake was van een uitgebreide en volledig uitgewerkte administratie. Dat neemt niet weg dat wel sprake moet zijn van een administratie waaruit de rechten en plichten van bedrijf gekend kunnen worden.

Uit het dossier blijkt dat met betrekking tot de aanloopkosten van de vennootschap bonnetjes zijn bewaard. Ook lijkt het erop dat de inkoopfacturen aanvankelijk in de e-mailopslag in mappen per leverancier werden bewaard. Dat valt op dit moment echter niet meer vast te stellen doordat de e‑mailberichten op enig moment zijn verwijderd.

Uit het dossier blijkt niet dat de contante geldstromen zijn geadministreerd in bijvoorbeeld een kasboek. Verdachte heeft verklaard dat de borg voor het bedrijfspand contant is betaald. Volgens de notaris is de notarisrekening eveneens contant betaald.

Misschien wel het belangrijkste gedeelte van de administratie dat ontbreekt, heeft betrekking op het voorraadbeheer. Uit de gevoerde administratie blijkt niet hoeveel voorraad is geleverd, waar en door wie die werd beheerd en hoeveel van de voorraad is uitgeleverd en hoeveel nog beschikbaar is.

Daarmee staat vast dat verdachte als bestuurder van bedrijf geen administratie heeft gevoerd waaruit de rechten en plichten van bedrijf gekend kunnen worden. In het bijzonder doordat verdachte niet heeft bijgehouden waar de voorraden van bedrijf waren, heeft verdachte ook de aanmerkelijke kans aanvaard dat de rechten van de schuldeisers benadeeld worden. Daardoor is immers onduidelijk waar het vermogen van bedrijf was, waarop de schuldeisers bijvoorbeeld beslag hadden kunnen leggen.

Dat betekent dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het als feit 2 primair ten laste gelegde feit.

De rechtbank zal alleen bewezen verklaren dat verdachte geen administratie heeft gevoerd waaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon gekend kunnen worden, en niet ook dat verdachte die administratie niet heeft bewaard of te voorschijn gebracht. Uit het niet voeren van de administratie volgt immers per definitie dat die administratie ook niet bewaard of te voorschijn gebracht kan worden.

De rechtbank heeft ten aanzien van feit 1 uiteen gezet dat verdachte van 2 mei 2012 tot en met 13 juli 2012 de formele en/of feitelijke bestuurder is geweest van bedrijf. Daarom zal de rechtbank de bewezen verklaarde periode ten aanzien van feit 2 eveneens beperken tot die periode.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 1: als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon, enig goed aan de boedel onttrokken hebben;
  • Feit 2: als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon, niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk wetboek, artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 5, eerste lid, van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in samenhang met artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
     

Strafoplegging

  • Voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden
  • Taakstraf van 180 uur

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF