HR: Eigendom goederen gefailleerde vereist voor bedrieglijke bankbreuk

Hoge Raad 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2021

De verdachte is bij arrest van 19 november 2014 door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden met een voorwaardelijk gedeelte van zes maanden met een proeftijd van twee jaren wegens bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl zij tezamen en in vereniging met een ander feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen (feit 1) en valsheid in geschrift (feit 2). 

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 november 2014 heeft de raadsman aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt het volgende in:

"Het verwijt dat (...) aan cliënte wordt gemaakt is dat er goederen aan de boedel zouden zijn onttrokken. Het gaat dan om inventaris die is aangetroffen in de loods van [B] en in het perceel aan de [a-straat]. Deze inventaris had voorheen in andere panden van [A] gestaan, is daar op enig moment in 2008 weggehaald. Op basis daarvan meent de rechtbank dat deze goederen aan de boedel zijn onttrokken.
Bij dit punt moet voorop worden gesteld dat goederen die niet in eigendom toebehoren aan de [A], ook niet aan de boedel onttrokken kunnen worden. Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 5 november 1996, NJ 1997/138, maar blijkt ook uit het feit dat de curator in zijn eigen verklaring aangeeft dat hij cliënte de gelegenheid heeft geboden aan te tonen dat de goederen aan [C] toebehoren.
Cliënte heeft in eerste aanleg bij de rechtbank verklaard dat een groot aantal goederen die zich in de praktijken van [A] bevonden waren geleased of gekocht door [C], omdat het [A] niet lukte om deze leasecontracten zelf af te sluiten. Het is niet bij die enkele stelling gebleven. In eerste aanleg heeft cliënte een groot aantal facturen overlegd als productie 40, welke facturen door de rechtbank aan het dossier zijn toegevoegd. Uit die facturen blijkt dat [C] inderdaad een groot aantal goederen ten behoeve van tandartspraktijken heeft aangeschaft. Goederen die zij in ieder geval niet voor zichzelf nodig had, omdat [C] geen tandartspraktijken runt. Probleem waar de verdediging bij deze facturen tegenaan loopt is dat hieruit niet valt af te leiden of de goederen die zijn aangetroffen in de loods van [B] dezelfde goederen waren als de goederen op de in productie genoemde facturen zijn. Daarvoor zijn de facturen en de beschrijving van de goederen in het dossier niet precies genoeg. De verdediging had dan ook verzocht om het horen van de verschillende leveranciers van de goederen, danwel om stukken uit hun administratie te vragen maar dit is er zoals bekend niet van gekomen.
Dat laat onverlet dat uit productie 40 wel volgt dat een groot aantal goederen inderdaad door [C] ten behoeve van [A] werden aangeschaft. In dat kader verkeerde cliënte in de veronderstelling dat de goederen die zich op de vestiging in de [b-straat] te Zoetermeer bevonden in eigendom toebehoorden aan [C]. Cliënte was ook werkzaam bij dit bedrijf en meent zodoende dat zij het recht heeft om over deze goederen te beschikken, nu deze in dat geval buiten de boedel zouden vallen. Ik heb cliënte hierop voorgehouden dat van één aangetroffen tandartsstoel is gebleken dat deze door [A] zelf is aangeschaft. Cliënte is hierover verbaasd en ontkent hier wetenschap van te hebben gehad. Gebrek aan wetenschap op dit moment maakt dat cliënte niet het opzet had op benadeling van de schuldeisers in het faillissement en ik verzoek u namens cliënte dan ook haar op dit punt vrij te spreken."

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"Anders dan de raadsman in zijn pleitnota heeft aangevoerd, is het hof van oordeel dat het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 5 november 1996 (NJ 1997/138) geen toepassing vindt. Het hof is van oordeel dat indien goederen door de [A] B.V. werden geleased en dusdoende niet aan haar in eigendom toebehoorden (wat er verder zij van die stelling), deze goederen evenwel vanwege de rechten en plichten uit de leaseovereenkomst goederen waren die rechtens onder bereik en beheer van de curator in het faillissement behoorden te komen. Het verweer wordt mitsdien verworpen."

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers goederen zijn onttrokken aan de boedel van A B.V.

Beoordeling Hoge Raad

Art. 341, aanhef en onder 1˚, Sr beoogt te treffen onder meer alle handelingen van de in staat van faillissement verklaarde, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers verricht, waardoor hetgeen rechtens onder het bereik en beheer van de curator in het faillissement behoorde te komen, buiten diens bereik en beheer wordt gehouden. Daarvan kan geen sprake zijn indien de desbetreffende goederen omdat zij aan een derde toebehoren buiten het faillissement blijven. (Vgl. HR 5 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0569, NJ 1997/138.)

Door de verdediging is aangevoerd dat een groot aantal goederen in de praktijken van A was geleased of gekocht door C en derhalve niet aan A in eigendom toebehoorde. Het Hof heeft de juistheid van die stellingen in het midden gelaten. Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is vooropgesteld, is het oordeel van het Hof dat deze goederen rechtens onder bereik en beheer van de curator in het faillissement behoorden te komen niet begrijpelijk.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF