Vrijspraak: Katvanger naar voren geschoven als opvolgend bestuurder. Verdachte geen wetenschap hiervan of betrokkenheid hierbij. Geen schending administratie-, bewaar- & afgifteverplichtingen.

Rechtbank Den Haag 7 juli 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:8174

De officier van justitie mr. J.C. Reddingius heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de impliciet primair tenlastegelegde bedrieglijke bankbreuk en tot bewezenverklaring van de impliciet subsidiair tenlastegelegde eenvoudige bankbreuk. Zij heeft voorts gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

De politierechter ziet zich ten eerste gesteld voor de vraag of de verdachte verplichtingen heeft geschonden die – volgens het verwijt – in het kader van het vierde lid van artikel 343 Sr rusten op een bestuurder van een failliet verklaarde rechtspersoon rustte, te weten de verplichtingen:

  • tot het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk wetboek (“administratieverplichting”);
  • tot het bewaren en/of tevoorschijn brengen van boeken en/of bescheiden en/of gegevensdragers als in de artikelen in de vorige gedachtestreep bedoeld (“bewaar- en afgifteverplichtingen).

Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, dien de vraag te worden beantwoord of de verdachte aldus heeft gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de schuldeisers.

De politierechter overweegt daartoe als volgt.

Uit het dossier volgt dat de verdachte tot 25 september 2012 bestuurder en enig aandeelhouder was van bedrijf, welke rechtspersoon de bestuurder was van bedrijf. Door verkoop van de holding BV is vervolgens naam bestuurder geworden van die rechtspersoon en daarmee middellijk bestuurder geworden van de beheer BV. Vervolgens hebben er op 11 april 213 naamsveranderingen plaatsgevonden van de rechtspersonen.

Verdachte heeft verklaard dat zij de administratie die zij voerde over de jaren 2010, 2011 en 2012 met de verkoop van de rechtspersoon (via een bemiddelaar) aan de nieuwe bestuurder heeft overgedragen. Op basis van het thans voorhanden dossier, kan dit niet worden uitgesloten. Dat betekent dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte als bestuurder van de rechtspersoon niet aan haar administratieverplichting heeft voldaan in de periode 1 november 2006 tot 25 september 2012.

Voor zover het verwijt ziet op de bewaar- en afgifteverplichting van de administratie nadien, is de politierechter van oordeel dat noch uit de wet noch uit de jurisprudentie iets anders volgt dan dat die verplichting in beginsel rust op de bestuurder die op het moment van het faillissement bestuurder is van de rechtspersoon. Dit kan anders zijn in de situatie waarin de voormalig bestuurder een katvanger naar voren heeft geschoven als opvolgend bestuurder. Het heeft er alle schijn van dat de opvolgend bestuurder inderdaad een katvanger was. Dat verdachte daar enige wetenschap van of betrokkenheid bij had, blijkt echter niet uit het dossier. Dat betekent dat verdachte wordt vrijgesproken van hetgeen haar wordt verweten.

De politierechter spreekt de verdachte vrij.

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF