Vrijspraak voor bedrieglijke bankbreuk

Rechtbank Den Haag 7 juni 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:6466

Uit het onderzoek ter terechtzitting komt naar voren dat de verdachte omstreeks 2004/2005 door betrokkene 10 en zijn zoons betrokkene 1 en betrokkene 2 werd aangetrokken om te investeren in de bedrijven bedrijf 1, bedrijf 2 en bedrijf 3, die op dat moment in financieel slecht weer verkeerden. De verdachte heeft vervolgens van 1 februari 2006 tot en met 1 januari 2007 ingeschreven gestaan in het handelsregister van de Kamer van Koophandel als algemeen directeur van alle drie de vennootschappen, welke in de praktijk functioneerden als één bedrijf. Het wijzigingsformulier voor de uitschrijving van de verdachte als algemeen directeur is op 22 maart 2007 bij de Kamer van Koophandel ontvangen.

De rechtbank acht aannemelijk dat de verdachte zich eind 2006 dan wel begin 2007 heeft teruggetrokken uit de vennootschappen om voor zijn zieke vrouw te zorgen. De verklaring van de verdachte daaromtrent vindt niet alleen bevestiging in diverse verklaringen in het dossier, maar past ook bij de uitschrijving uit het handelsregister en het opstellen van een ‘akte van schuldbetekenis’ als zekerheid voor een vordering van de verdachte van € 2.800.000 op onder meer de drie rechtspersonen, hetgeen in de eerste maanden van 2007 heeft plaatsgevonden. Vervolgens is de verdachte zich rond half april 2007 – toen het beter ging met zijn vrouw – weer op de vennootschappen gaan richten, maar dan met name op een mogelijke overname/voortzetting van de drie vennootschappen samen met betrokkene 3, een broer van betrokkene 10, en betrokkene 1 en betrokkene 2. Deze doorstart vond echter geen doorgang vanwege het terugtrekken van betrokkene 3 en daarop is ook de verdachte afgehaakt.

Bedrijf 1 is op 8 augustus 2007 in staat van faillissement verklaard, bedrijf 2 op 24 oktober 2007 en bedrijf 3 op 19 mei 2009. In de maanden april tot en met juli 2007 zijn diverse geldbedragen van de bankrekeningen van de vennootschappen overgemaakt naar derden, onder wie de verdachte, en zijn goederen aangekocht dan wel verkocht. In de tenlastelegging zijn deze overboekingen en transacties aangemerkt als onttrekkingen aan de faillissementsboedel, dan wel als bevoordeling van schuldeisers.

Beoordelingskader feitelijk leidinggeven aan een gedraging van een rechtspersoon

In zijn arrest van 26 april 2016 heeft de Hoge Raad het beslissingskader dat zij eerder had gegeven ten aanzien van de vraag of een verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld ter zake van het feitelijke leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging, herhaald en als volgt uiteengezet.

Ten eerste dient te worden vastgesteld of de rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan (dat wil zeggen: een strafbaar feit heeft gepleegd of daaraan heeft deelgenomen). Ingeval die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de vraag aan de orde of kan worden bewezen dat de verdachte aan die gedraging feitelijke leiding heeft gegeven.

Om proceseconomische redenen passeert de rechtbank in onderhavige zaak de bewijsvraag of de rechtspersonen een strafbaar feit hebben begaan, omdat zij van oordeel is dat er in elk geval onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het feitelijke leidinggeven (opdrachtgeven inbegrepen) door de verdachte.

De Hoge Raad heeft uiteengezet dat bij de beoordeling van de vraag of iemand als feitelijke leidinggever strafrechtelijk aansprakelijk is voor een door een rechtspersoon begaan strafbaar feit, moet worden vooropgesteld dat uit de taalkundige betekenis van het begrip feitelijk leidinggeven enerzijds voortvloeit dat de enkele omstandigheid dat de verdachte bijvoorbeeld bestuurder van een rechtspersoon is, niet voldoende is om hem aan te merken als feitelijke leidinggever aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit. Maar anderzijds is een dergelijke juridische positie geen vereiste, terwijl ook iemand die geen dienstverband heeft met de rechtspersoon feitelijke leidinggever kan zijn aan een door de rechtspersoon begaan strafbaar feit.

In dat kader heeft de Hoge Raad vier omstandigheden uiteengezet waaruit het feitelijke leidinggeven kan worden herleid:

A) actief en effectief gedrag van de verdachte dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip feitelijk leidinggeven valt;

B) indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid;

C) het door de verdachte leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven;

D) indien door een meer passieve rol een verboden gedraging zodanig is bevorderd dat van feitelijk leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat.

De rol van de verdachte

De rechtbank ziet, evenals de officier van justitie, geen bewijs voor betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde gedragingen die niet hebben geleid tot een directe bevoordeling van de verdachte (uitgezonderd de € 42.600 ter zake betrokkene 6 (feit2)). De rechtbank beperkt zich in haar motivering dan ook tot de overboekingen van de geldbedragen € 32.339 (feit 1), € 4.000 en € 42.600 (feit 2), € 3.000 en € 50.000 (feit 3), en de aangekochte dan wel verkochte goederen, te weten de Mercedes SL500 (feit 1) en het materieel (feit 2).

De rechtbank stelt voorop dat de verdachte op de data waarop de gedragingen van de rechtspersonen zouden hebben plaatsgevonden geen formele betrokkenheid meer had bij de rechtspersonen. Alhoewel in de brief van 26 april 2007 is vermeld dat de verdachte weer onderdeel zou uitmaken van het bestuur, lijkt de daarop volgende brief van 15 juni 2007, door de zinsnede “per 26 april 2007 is de directie (…) ongewijzigd”, erop te wijzen dat dit enkel een voornemen is geweest dat zich (kennelijk door het terugtrekken van betrokkene 3) niet heeft gerealiseerd, temeer nu deze wijziging in de directie niet is doorgevoerd in handelsregister. Deze brieven vormen dan ook onvoldoende grondslag om de verdachte in de tussenliggende periode als feitelijke leidinggever aan te merken.

Ad A. Uit het onderzoek volgt voorts niet dat er sprake was van “actief en effectief gedrag van de verdachte dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip feitelijk leidinggeven valt”. Ten aanzien van de overboekingen volgt uit het dossier dat niet de verdachte maar betrokkene 10 de opdracht daartoe heeft gegeven. Van enige betrokkenheid van de verdachte daarbij is niet gebleken. Alleen in het kader van de overboeking van het bedrag van € 42.600 aan betrokkene 6 op 23 juli 2007 (feit 2) komt de verdachte naar voren (D-427). De verdachte heeft dit echter weersproken en ook betrokkene 9 heeft verklaard dat deze overboeking is gedaan in opdracht van betrokkene 10 (en betrokkene 1 en betrokkene 2). Daarmee is de betrokkenheid van de verdachte bij deze overboeking niet komen vast te staan. De omstandigheid dat een aantal overboekingen wel aan hem ten goede is gekomen, doet aan het voorgaande niet af, zeker tegen de achtergrond dat de verdachte een aanzienlijke vordering op de vennootschappen had.

Ad B. Dat er sprake was van enig door de verdachte gevoerd beleid in de ten laste gelegde periode, wordt evenmin ondersteund door enig bewijsmiddel. Zoals hiervoor is overwogen heeft de verdachte zich eind 2006 dan wel begin 2007 teruggetrokken en heeft hij zich na zijn terugkeer in april 2007 gericht op een overname. Dat de verdachte zich in die tijd inhoudelijk heeft bemoeid met de koers van de vennootschappen, is niet gebleken. Dat hij zo nu en dan, al dan niet op verzoek, door hem ingebrachte werken heeft nagelopen, is daarvoor onvoldoende. Hij is bijvoorbeeld ook niet betrokken geweest bij de overdracht van de aandelen van de vennootschappen in juli 2007.

Ad C. In het kader van een bijdrage aan een complex van gedragingen en het nemen van initiatief zijn de aankoop van de Mercedes SL500 en de verkoop van het materieel van belang.

Ten aanzien van de Mercedes geldt dat de verdachte het initiatief heeft genomen tot de aankoop daarvan. Uit de verklaringen van de verdachte en betrokkene 9 volgt echter dat de verdachte hiervoor toestemming had gekregen van betrokkene 10. Dat maakt dat de rol van de verdachte niet van zodanige aard was dat hij geacht moet worden aan die (luxe-)uitgave feitelijke leiding te hebben gegeven.

Ten aanzien van de verkoop van het materieel is de rechtbank van oordeel dat de verdachte bij deze transactie slechts als koper kan worden aangemerkt en niet tegelijkertijd ook als feitelijke leidinggever van de verkopende rechtspersoon/rechtspersonen. De omstandigheid dat hij het initiatief heeft genomen voor een taxatie van het materieel maakt dat niet anders, nu een dergelijk initiatief in het kader van een aankoop niet ongebruikelijk is.

Ad D. Ten slotte biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten dat de verdachte in de positie was om de ‘onttrekkingen’ tegen te gaan en dit heeft nagelaten.

Conclusie

De rechtbank concludeert dan ook dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte aan de door de rechtspersonen verrichte gedragingen zoals in de tenlastelegging vermeld feitelijk leiding heeft gegeven, en zal de verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde.

Vrijspraak feit 4

De verdachte heeft verklaard dat hij de aankoop van de Mercedes SL500 met betrokkene 10 heeft besproken, dat om fiscale redenen ervoor is gekozen om de auto op naam van bedrijf 1 te zetten en dat het bedrag is afgeschreven in de rekening-courant van de verdachte. Gelet op deze gang van zaken, die door betrokkene 9 wordt bevestigd en niet door andere bewijsmiddelen wordt weersproken, kan niet worden bewezen dat de verdachte wist dat de auto uit enig misdrijf afkomstig was (de rechtbank begrijpt: dat de verdachte wist dat de auto werd onttrokken aan de boedel, aangenomen dat van een onttrekking sprake was). De rechtbank zal de verdachte daarom ook vrijspreken van het onder 4 tenlastegelegde witwassen.

Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF