Ontnemingsvordering tegen Van den Nieuwenhuyzen niet-ontvankelijk

Rechtbank Rotterdam 21 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2963

De rechtbank heeft op 19 juli 2013 vonnis gewezen in de strafzaak tegen Van den Nieuwenhuyzen. De officier van justitie heeft op 18 mei 2015 een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ingediend, waarbij zij de gronden waarop die vordering berust overigens pas op 25 augustus 2015 aan de rechtbank en de verdediging heeft doen toekomen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de berekening van 15 maart 2016 een aanvulling is geweest op de oorspronkelijke vordering.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat de berekening van 15 maart 2016 geen aanvulling is op de oorspronkelijke vordering, maar een nieuwe vordering betreft. De officier van justitie heeft in de nieuwe schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op transactiebasis de bewezen verklaarde omkoping als basis genomen, terwijl die basis eerder bestond uit drie gevallen van faillissementsfraude. Aan de schatting is een geheel nieuw feitencomplex ten grondslag gelegd. Niet langer gaat het om begunstiging van betrokkene - middellijk of onmiddellijk - vanuit het concern, maar om geld dat in het concern is gestopt (kort gezegd door het opnemen van kredieten die beweerdelijk frauduleus zijn verkregen). Die berekening leidt ook tot een geheel ander, veel hoger bedrag. Die andere uitkomst laat eens te meer zien dat het om een nieuwe vordering gaat.

Deze nieuwe vordering is, als gezegd, ingediend op 15 maart 2016 en dus buiten de in artikel 511b Sv bedoelde termijn van twee jaren die op 19 juli 2013 was aangevangen. Daarom zal de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering voor zover zij betrekking heeft op wederrechtelijk verkregen voordeel uit omkoping.

Voor zover de vordering samenhangt met het beweerdelijke wederrechtelijk verkregen voordeel uit faillissementsfraude, zal de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting aanhouden voor onbepaalde tijd aangezien tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 30 juni 2015 cassatie is ingesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF