SFO & PV ontneming gebaseerd op wvv uit bedrieglijke bankbreukovertredingen. Beklag ongegrond ondanks dat klager is vrijgesproken voor deze feiten.

Rechtbank Rotterdam 23 februari 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:1618

In 2007 is het OM een strafrechtelijk onderzoek onder de naam ‘Golf’ gestart tegen de klager en anderen wegens onder andere faillissementsfraude, valsheid in geschrift en omkoping. In dat strafrechtelijk onderzoek is op 29 augustus 2007 door de rechter-commissaris een machtiging strafrechtelijk financieel onderzoek afgegeven. Binnen dit onderzoek zijn op diverse data op de voet van artikel 94a Sv beslagen gelegd.

Op 22 april 2010 is vervolgens door de rechter-commissaris een machtiging ex artikel 103 Sv tot een maximumbedrag van € 20.000.000 afgegeven en op 2 oktober 2015 is voorts door de rechter-commissaris een machtiging ex artikel 103 Sv tot een maximumbedrag van € 42.253.198,95 afgegeven.

Bij vonnis van deze rechtbank van 19 juli 2013 is de klager veroordeeld ter zake van omkoping, valsheid in geschrift, bedrieglijke bankbreuk, meineed en het bezitten van een vals reisdocument. Door het openbaar ministerie is bij de behandeling van de strafzaak tevens een ontnemingsvordering aangekondigd.

Bij arrest van 30 juni 2015 heeft het gerechtshof Den Haag de klager vrijgesproken van de bedrieglijke bankbreuken, meineed en het bezitten van een vals reisdocument. De klager is veroordeeld voor omkoping en valsheid in geschrift. Tegen dit arrest is door het openbaar ministerie cassatie ingesteld.

Op 21 mei 2015 is de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, welk voordeel thans wordt geschat op € 42.253.198,95, aan de klager betekend.

Standpunt klager en standpunt officier van justitie

De klager heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslagen onrechtmatig zijn gelegd althans de voortduring van de beslagen onrechtmatig is. Tegen de klager is een Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (hierna: SFO) ingesteld. Zowel het SFO als de ontnemingsvordering zijn (uitsluitend) gebaseerd op verondersteld wederrechtelijk verkregen voordeel vanwege de tenlastegelegde bedrieglijke bankbreukovertredingen, waarvan de klager bij arrest van 30 juni 2015 is vrijgesproken.

Uit het Geerings-arrest van het EHRM en de vaste nationale jurisprudentie volgt dat een feit, waarvan de betrokkene is vrijgesproken, niet (meer) ten grondslag kan worden gelegd aan een ontnemingsmaatregel. Met de gegeven vrijspraken ten aanzien van de bedrieglijke bankbreuken is derhalve de grondslag van de ontnemingsvordering en van de, ten behoeve van de ontnemingsvordering gelegde, beslagen komen te ontvallen, waardoor de gelegde beslagen niet, althans niet langer, rechtmatig zijn. Hiermee doet zich het geval voor dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelende, een ontnemingsmaatregel zal opleggen. Voorts is de voortduring van de gelegde beslagen disproportioneel in relatie tot de zakelijke en privé belangen van de klager bij opheffing.

De klager heeft verzocht de gelegde beslagen op te heffen en te beslissen dat alle beslagen zullen worden geretourneerd aan de klager dan wel de andere rechthebbenden.

De officier van justitie heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat de klager niet ontvankelijk in zijn beklag dient te worden verklaard, nu hij niet stelt de rechthebbende van de zogenaamde ander-beslagen te zijn. Daarbij stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de klager niet ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de wet geen mogelijkheid biedt om de teruggave aan een ander dan de klager te gelasten, terwijl de klager in zijn klaagschrift zulks wel verzoekt.

De officier van justitie heeft zich in de tweede plaats op het standpunt gesteld dat het beklag ongegrond dient te worden verklaard, nu niet buiten redelijke twijfel vast kan worden gesteld dat de klager als eigenaar kan worden aangemerkt. De feiten en omstandigheden die in de processen-verbaal zijn gepresenteerd, laten enerzijds zien dat de voorwerpen aan een ander zijn gaan toebehoren om het verhaal te frustreren en anderzijds om bewust twijfel te creëren over de werkelijke eigendom. Ondanks dat voldoende aannemelijk is dat de voorwerpen aan een ander zijn gaan toebehoren om verhaal te frustreren, brengt die werkwijze met zich mee dat zowel van de ander-beslagenen als van de verdachte niet meer buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld wie de daadwerkelijke en/of formele eigenaar is.

De officier van justitie heeft zich in de derde plaats op het standpunt gesteld dat het beklag voor wat betreft de door de klager gestelde onrechtmatigheid van het (voortduren van het) beslag wegens de vrijspraken voor de bedrieglijke bankbreuken onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd is. Nu geen sprake is van een algehele vrijspraak, laat staan een onherroepelijke uitspraak, bestaat thans geen reden om de ontnemingsprocedure te beëindigen of afwijzing hiervan te vrezen. Het belang van strafvordering is nog steeds onverkort gediend bij het voortduren van de conservatoire beslagen die dienen tot zekerheid van het recht van verhaal van een op te leggen ontnemingsmaatregel en/of geldboete. Het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, een ontnemingsmaatregel zal opleggen. Het gerechtshof heeft in zijn arrest van 30 juni 2015 de klager veroordeeld voor feiten die een aanzienlijk wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen verklaren. Het financieel onderzoek naar de hoogte van dit voordeel wordt thans nog voortgezet. Tot het moment dat de klager onherroepelijk is veroordeeld in deze zaak zal de ontnemingsprocedure in ieder geval vooralsnog gericht zijn op ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat verkregen is uit de door het gerechtshof bewezenverklaarde feiten en/of uit andere door verdachte gepleegde strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan (artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, hierna: Sr) en/of waarvan aannemelijk is dat de veroordeelde dit op enigerlei wijze uit andere feiten heeft verkregen (artikel 36e, derde lid, Sr). Uitgaande van de feiten waarvoor de klager door het gerechtshof is veroordeeld, kan het wederrechtelijk verkregen voordeel worden berekend op grond van de waarde en/of bespaarde kosten van de verstrekte garanties en van de overige tegenprestaties en/of de waarde van de (deels op grond van deze garanties) verstrekte geldbedragen en het vervolgprofijt dat met het wederrechtelijk verkregen voordeel is behaald.

Tot slot heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van omstandigheden die nopen tot een onderzoek naar de proportionaliteit dan wel dat het gelegde conservatoire beslag voldoet aan de eisen van proportionaliteit.

Ontvankelijkheid

Vooropgesteld wordt dat uitsluitend belanghebbenden zich op grond van artikel 552a Sv kunnen beklagen over inbeslagneming. Belanghebbenden bij een klacht tegen de inbeslagneming zijn al degenen (natuurlijke of rechtspersonen) die op grond van artikel 116 Sv een recht op teruggave van het inbeslaggenome aan hen kunnen claimen. In de eerste plaats betreft dit degene onder wie het beslag is gelegd. Dit kan degene zijn tegen wie het strafrechtelijk onderzoek loopt of een andere derde. In de tweede plaats betreft dit degene die stelt rechthebbende op het beslag te zijn. De klager heeft ten aanzien van de gelegde beslagen gesteld dat hij rechthebbende is omdat de beslagen onder hem zijn gelegd naar aanleiding van de tegen de klager ingestelde vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, zodat de klager ontvankelijk zal worden verklaard in het beklag.

Beoordeling klacht

Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.

Voor wat betreft die voorwerpen die onder de klager in beslag zijn genomen, oordeelt de rechtbank mede over de (on)rechtmatigheid van de inbeslagneming. Het onderzoek met betrekking tot de rechtmatigheid van het beslag ziet in onderhavige procedure, gelet op het summiere karakter, slechts op de formaliteiten waaraan een beslaglegging moet voldoen.

De rechtbank zal onderzoeken I) of aan de criteria van artikel 94a Sv is voldaan, II) of aan de vormvoorschriften van de artikelen 94b, 94c of 103 Sv is voldaan en III) of het leggen dan wel het voortduren van het beslag in kwestie proportioneel is.

Ad I artikel 94a Sv

Verdenking of veroordeling wegens een misdrijf als bedoeld in artikel 94aSv?

Bij arrest van 30 juni 2015 is de klager veroordeeld ter zake van artikel 177 en 225 Sr. Voor beide feiten geldt dat hiervoor een geldboete van de vijfde categorie opgelegd kan worden. Gelet hierop wordt voldaan aan het vereiste van artikel 94a Sv dat sprake moet zijn van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.

Niet hoogst onwaarschijnlijk dat een ontnemingsmaatregel wordt opgelegd?

De tweede vraag die in het kader van artikel 94a Sv beantwoord dient te worden is of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

De kern van het klaagschrift is dat aan dit vereiste niet wordt voldaan.

De rechtbank verwerpt deze klacht. Vaststaat dat het SFO en het proces-verbaal ontneming thans (nog) zijn gebaseerd op wederrechtelijk verkregen voordeel vanwege de tenlastegelegde bedrieglijke bankbreukovertredingen en dat de klager ter zake dit feit door het gerechtshof is vrijgesproken. Echter, het gerechtshof heeft de klager wel veroordeeld ter zake van artikel 177 Sr (omkoping) en vastgesteld dat aan de klager gelieerde vennootschappen daardoor zijn bevoordeeld. De officier van justitie heeft gemotiveerd aangevoerd dat de klager als gevolg daarvan voordeel heeft genoten en dat de ontnemingsvordering op dit voordeel zal worden gebaseerd. Nader onderzoek hiernaar vindt nog plaats. Bij deze stand van zaken kan niet worden gesteld dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat aan de klager een ontnemingsmaatregel zal worden opgelegd. Bij dit oordeel is betrokken dat het de officier van justitie in dit stadium van het onderzoek vrij staat om de (grondslag van de) ontnemingsvordering aan te passen of te wijzigen en dat de strafzaak tegen de klager nog niet onherroepelijk is. Daarbij geldt nog dat, anders dan de klager lijkt te menen, voor een verdergaande inhoudelijke toets in de beklagprocedure geen plaats is omdat het dossier dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel.

Aan de criteria van artikel 94a Sv is derhalve voldaan.

Ad II vormvoorschriften

Uit de hiervoor weergegeven feiten en de stukken in het raadkamerdossier blijkt dat aan de vormvoorschriften van de artikelen 94b, 94c en 103 Sv is voldaan. De beslagen zijn gelegd na schriftelijke machtigingen van de rechter-commissaris en zijn aan de klager dan wel derden betekend. Dat in de vordering SFO van 29 augustus 2007 slechts het artikel ter zake van de bedrieglijke bankbreuk was opgenomen en de klager hiervan door het gerechtshof is vrijgesproken, doet hier niets aan af. De vordering dateert van het begin van het strafrechtelijk onderzoek naar de klager als verdachte. Het onderzoek naar (andere) strafbare handelingen was op dat moment nog gaande. In 2010 is de vordering machtiging handhaving conservatoir beslag gebaseerd op alle aan de klager ten laste gelegde feiten. Ook de vordering machtiging handhaving conservatoir beslag van 29 september 2015 omvat de feiten waarvan de klager verdacht wordt, alsmede de feiten waarvoor de klager thans door het gerechtshof is veroordeeld.

Ad III proportioneel

Uit het verhandelde in raadkamer is gebleken dat het onderzoek naar de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel thans nog niet is afgerond. De hoogte van de op 21 mei 2015 aan de klager betekende ontnemingsvordering behelst een schatting van een wederrechtelijk verkregen voordeel van ruim € 42 miljoen. De totale waarde van de tot nu toe gelegde beslagen bedraagt ongeveer € 6 miljoen. De exacte hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel is in dit stadium nog niet bekend, doch wordt thans door het openbaar ministerie geschat op een bedrag dat hoger is dan het ten laste van de klager gelegde beslag. Gelet hierop is geen sprake van een disproportioneel gelegd beslag.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het – voorlopig oordelend – niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag. Het beklag wordt dan ook ongegrond verklaard.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF