Veroordeling voor faillissementsfraude, beroep op verminderde toerekeningsvatbaarheid afgewezen

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 november 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:5155

Het hof acht bewezen dat verdachte zich herhaaldelijk heeft schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. De schade voor de schuldeisers is berekend op bijna één miljoen euro. In de periode 2006-2010 handelde verdachte onder de vlag van een groot aantal BV’s, die constant ernstige liquiditeitsproblemen hadden. Verdachte maakte er een gewoonte van om bijna failliete BV’s te laten doorstarten in nieuw opgerichte vennootschappen met geld dat hij onttrok aan de oude vennootschappen. Ook parkeerde verdachte geld uit bijna failliete vennootschappen op een privé-rekening van een familielid om dit geld buiten het zicht van de schuldeisers te houden. Met name de Belastingdienst had daarop het nakijken.

Om deze faillissementsfraude te verbloemen, heeft verdachte zich bovendien schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte en het voeren van een ondeugdelijke boekhouding. Dit heeft de werkzaamheden voor de curatoren in de diverse faillissementen ernstig bemoeilijkt. Verdachte heeft ter zitting geen blijk gegeven de verwijtbaarheid van zijn handelen in te zien. Door de verdediging is nog betoogd dat verdachte door psychische problemen sterk verminderd toerekeningsvatbaar was voor zijn handelwijze, maar het hof denkt daar anders over.

Omdat voor een aantal feiten is vrijgesproken en in verband met de lange duur van het strafproces, komt het hof tot een iets lagere straf dan de rechtbank had opgelegd: 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar (tegen 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk door de rechtbank).

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF