Verdachte heeft als notaris meegewerkt aan een bedrieglijke bankbreuk en het opmaken van valsheden in authentieke akten

Rechtbank Overijssel 19 juni 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:4271

De verdenking komt er op neer dat verdachte:

  • Feit 1: al dan niet samen met bedrijf 1 BV of andere (rechts) personen faillissementsfraude heeft gepleegd in het faillissement van bedrijf 1 BV door een bedrag van € 427.932,65 aan de boedel te onttrekken;
  • Feiten 2 tot en met 5: als notaris authentieke akten vals heeft opgemaakt.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 primair, behoudens de daar genoemde bedragen van €119.000, bewezen kan worden verklaard, nu er onvoldoende bewijs is om aan te nemen dat deze bedragen zijn onttrokken. Verdachte dient van dit onderdeel te worden vrijgesproken. De feiten 2, 3, 4 en 5 kunnen volgens de officier van justitie bewezen worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich, samengevat weergegeven, op het standpunt gesteld dat verdachte van de ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1 primair heeft zij daartoe gesteld dat niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen omdat het woord “terwijl” in de tenlastelegging “in de tijd dat” betekent. Ten aanzien van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging gesteld dat nu de vermeende onttrekkingen hebben plaatsgevonden vóórdat er een faillissement was, er niet is onttrokken “terwijl” de BV failliet was. Voorts is geen sprake van “bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers” en ook niet van “vooruitzicht van een faillissement”. Er is geen bewijs dat bedrijf 1 BV door de overboeking van de in de tenlastelegging genoemde bedragen failliet is verklaard en als dat al zo is, dan was verdachte er niet mee bekend dat een faillissement aanstaande zou kunnen zijn. Daarnaast ontbreekt het ook voor medeplegen noodzakelijke (voorwaardelijk) opzet.

Voor het vestigen van de hypotheek bestond wel een kenbare tegenprestatie. bedrijf 3 BV heeft een gedeelte van de verplichtingen overgenomen van oude naam bedrijf 1 BV. Tot zekerheid daarvan in samenhang met het veiligstellen van het risico dat een verkoop door medeverdachte 2 de winst zou doen verdwijnen, is de hypotheek gevestigd. Voor de twee overboekingen van €119.000 was een geldige titel aanwezig; namelijk de aannemingsovereenkomst. Een en ander is ook keurig in de boeken verwerkt en de bedragen zijn bij aannemer naam 2 terecht gekomen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging gesteld dat de daar bedoelde afrekening een concept afrekening is. Er staat geen logo op, de koopsom van €3.000 is niet overgemaakt op de bankrekening die erop staat, de passeerdatum is niet ingevuld en het dossiernummer komt niet overeen met het nummer op de akte van levering, terwijl dit wel overeenkomt met de declaratie. Dat het bedrag van €3.000 die op het grootboekoverzicht van het winkel is vermeld verband houdt met deze transactie is een aanname. Er staat omschreven “ notaris ”, maar dat klopt niet want de betaling is niet via dit kantoor gegaan.

Er is geen bewijs dat verdachte op de hoogte was van de vermeende fraude rondom bedrijf 11 BV, zodat het (voorwaardelijk) opzet ontbreekt. Niets wijst op de ongeloofwaardigheid van de stelling dat medeverdachte 2 de koopsom van €3.000 naar

€20.000 heeft verhoogd. Een boeking naar naam 3 is niet vreemd, want die was accountant van medeverdachte 2 en medeverdachte 3, en een koopsom van €20.000 lijkt een logische prijs en is niet irreëel voor een lege BV. Verdachte heeft medeverdachte 3 daar over bevraagd en die ging akkoord. Door verdachte is geen gedragsregel overtreden, want er dreigde geen cliënt te worden benadeeld.

Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging gesteld dat er weliswaar een fout staat in de daar bedoelde akte, maar dat komt voort uit een vergissing. Er had moeten staan dat medeverdachte 1 handelde als gevolmachtigde van de bedrijf 12. Gesteld dat in de volmacht is opgenomen dat medeverdachte 1 als zodanig gevolmachtigd was, dan is er sprake van een evidente vergissing, maar dat is nu niet te controleren. Nu die mogelijkheid verdachte is ontnomen, kan hij zijn onschuld niet aantonen, zodat geen andere conclusie kan volgen dan dat de rechtbank verdachte dient vrij te spreken.

Ten aanzien van de onder feiten 3, 4 en 5 opgenomen aktes heeft de verdediging gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het valselijk opmaken. In valselijk opmaken zit “opzet” ingeblikt, dat ook met voorwaardelijk opzet kan worden bereikt. Er is geen bewijs waaruit zou zijn af te leiden dat “een aanmerkelijke kans is ontstaan”. Verdachte is zich nergens bewust van geweest, laat staan dat hij iets heeft aanvaard. Daarbij geldt bij feit 3 nog dat er geen motief noch voordeel aanwezig was.

Van de onder feit 4 opgenomen akte kan niet worden bewezen dat deze akte vals is. Ook als er geen lening tegenover stond, betekent dit niet dat de akte vals is. De akte geeft in totaal negen mogelijkheden die ten grondslag kunnen liggen voor de hypotheek. Het kan ook gaan om toekomstige leningen, (toekomstige) rekening-courant verhoudingen, (toekomstige) borgstellingen, “dan wel uit welken anderen hoofde ook”. Bovendien had bedrijf 3 BV het grootste deel van alle verplichtingen van oude naam bedrijf 1 BV overgenomen. De hypotheek strekte mede tot voldoening aan die verplichtingen, hetgeen blijkt uit het feit dat de vestiging van de hypotheek is gefactureerd aan oude naam bedrijf 1 BV. Of bekend was dat de heer naam 1 zou kopen is volgens de verdediging niet relevant, nu de hypotheek immers zou worden afgelost zodra bedrijf 5 zou kopen.

Ten aanzien van feit 5 heeft de verdediging daarnaast gesteld dat het perceel terecht is aangemerkt als bouwgrond. De intentie van partijen en het geheel aan handelingen is daarbij relevant. Uit het Don Bosco arrest volgt dat als er wordt gesloopt om er bouwterrein van te maken, de vraag of er nog sloop- of na-sloopse-handelingen moeten worden verricht, niet relevant is. Het perceel mocht als bouwterrein worden aangemerkt en het is terecht met BTW geleverd. Daar komt bij dat het Hof van Justitie het begrip “bouwterrein” ruim uitlegt (arrest Woningstichting Maasdriel). Het gaat er om of het terrein daadwerkelijk bestemd is om te worden bebouwd.

Oordeel rechtbank

Feiten 1, 3 en 4

De rechtbank overweegt met betrekking tot de feiten 1, 3 en 4, die alle samenhangen met zaakdossier 1 van het proces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD, het volgende.

Uit het zaakdossier 1 leidt de rechtbank het volgende af. Medeverdachte 1 heeft oude naam bedrijf 1 BV op 13 juni 2002 opgericht. Oude naam bedrijf 1 BV ontwikkelde projecten op het gebied van woning- en utiliteitsbouw. Vanaf de oprichting op 13 juni 2002 tot 24 januari 2011 is medeverdachte 1 (on)middellijk bestuurder van oude naam bedrijf 1 BV geweest (in de periode van 13 juni 2002 tot 31 december 2010 onmiddellijk bestuurder en in de periode van 31 december 2010 tot 24 januari 2011 middellijk bestuurder, middels bedrijf 6 BV). De stichting 3 is gedurende de periode van 18 september 2003 tot 31 december 2010 aandeelhouder van oude naam bedrijf 1 BV geweest. Bestuurders van deze stichting waren medeverdachte 1, zijn vader naam 4 en zijn zuster naam 5.

Op 31 december 2010 zijn de aandelen van oude naam bedrijf 1 BV ondergebracht in bedrijf 6 BV.

Vervolgens is op 24 januari 2011 naam 6, middels de stichting 1, bestuurder en enig aandeelhouder van oude naam bedrijf 1 BV geworden. De naam van oude naam bedrijf 1 BV is daarna op 18 april 2011 in bedrijf 1 BV gewijzigd. bedrijf 1 BV is op 20 december 2011 in staat van faillissement verklaard. bedrijf 6 BV is opgericht op 7 december 2010. Medeverdachte 1 is vanaf de datum van oprichting bestuurder van bedrijf 6 BV. De stichting 3, later genoemd stichting 4, was vanaf 31 december 2010 de aandeelhouder van bedrijf 6 BV.

In januari 2011 zijn de navolgende nieuwe groep vennootschappen opgericht: bedrijf 13 BV t/m bedrijf 20 BV. De aandelen van deze rechtspersonen zijn ondergebracht in bedrijf 6 BV.

Op 4 januari 2011 heeft oude naam bedrijf 1 BV zeven van haar onderhanden projecten voor een bedrag van per saldo €1.101.000 verkocht aan zeven nieuwe vennootschappen van de groep.

Vervolgens is in een overeenkomst tussen oude naam bedrijf 1 BV, de zeven overnemende groep vennootschappen en bedrijf 6 BV, gedateerd 10 januari 2011, geconstateerd dat in de overeenkomst van 4 januari 2011 geen rekening is gehouden met een aantal onderhanden werkposities. De koopprijzen van de overgedragen projecten zijn om die reden met een bedrag van €2.505.500 verhoogd tot €3.606.500.

Het project in Haaksbergen maakte geen deel uit van deze overeenkomst. In genoemde overeenkomst zijn de financieringen die met het project samenhingen derhalve niet opgenomen. Het project is niet overgedragen aan een nieuwe groep vennootschap, maar is achtergebleven in oude naam bedrijf 1 BV. De verkoopopbrengst van dit project had dan ook bij oude naam bedrijf 1 BV terecht moeten komen.

Op 21 december 2010 heeft medeverdachte 1 de appartementsrechten, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimten aan de adres 2 en 3 te plaats 1, namens oude naam bedrijf 1 BV voor €200.000 ex BTW geleverd aan naam 7 (een medewerker van medeverdachte 1 ).

Deze appartementsrechten zijn vervolgens door voornoemde naam 7 op 29 december 2010 verkocht aan bedrijf 7 BV, vertegenwoordigd door medeverdachte 2, eveneens voor de prijs van €200.000 ex BTW. Op dat moment is medeverdachte 2 middels de stichting 2, bedrijf 8 BV, bedrijf 21 BV, middellijk bestuurder en aandeelhouder van bedrijf 7 BV.

Op 31 januari 2011 is een akte ondertekend door medeverdachte 2, namens bedrijf 7 BV als hypotheekgever, en medeverdachte 1, namens bedrijf 3 BV, ten behoeve van het recht van eerste hypotheek en eerste pand op het onderpand adres 2 en 3 te plaats 1. Het hypotheekbedrag bedroeg €422.750.

Eveneens op 31 januari 2011 (15 minuten later) zijn de appartementsrechten door medeverdachte 2 namens bedrijf 7 BV verkocht aan oude naam bedrijf 1 BV, vertegenwoordigd door naam 6 (die op 24 januari 2011 de middellijk bestuurder van oude naam bedrijf 1 BV was geworden), eveneens voor €200.000 ex BTW.

Een dag later, op 1 februari 2011, heeft medeverdachte 1, in de akte van levering aangeduid als schriftelijk gevolmachtigde van bedrijf 6 BV, te deze handelend als zelfstandig bevoegd bestuurder van oude naam bedrijf 1 BV, de appartementsrechten van adres 2 en 3 te Haaksbergen verkocht en geleverd aan naam 8, namens bedrijf 5 BV, voor de prijs van €625.000 ex BTW. Eveneens op 1 februari 2011 heeft bedrijf 5 de appartementsrechten voor de prijs van €750.000 ex BTW doorverkocht aan naam 1.

Uit bankafschriften van bedrijf 3 BV is gebleken dat notaris, het kantoor waar verdachte als notaris aan verbonden was, op 3 februari 2011 een bedrag van €427.932,65 naar bedrijf 3 BV heeft overgemaakt, met de mededeling ‘Spoedopdracht afl. comm. ruimte H bergen’.

De rechtbank overweegt in het bijzonder ten aanzien van feit 1 het volgende.

Verdachte heeft alle akten met betrekking tot de hiervoor genoemde leverings- dan wel vestigingshandelingen aangaande vorenbedoelde appartementsrechten opgemaakt en deze akten zijn alle voor hem als notaris gepasseerd. Temeer nu deze handelingen in een zeer korte tijdspanne plaatsvonden (21 december 2010 tot en met 1 februari 2011) kan het niet anders zijn dat verdachte, zeker in zijn rol bij dit alles als notaris, wist dat de appartementsrechten toebehoorden aan oude naam bedrijf 1 BV en dat de opbrengst van de verkoop aan die BV ten goede moest komen. Verdachte heeft meegewerkt aan een U-bochtconstructie, waarin de appartementsrechten binnen die korte tijdspanne beneden de prijs werden doorverkocht aan bedrijf 7 BV, een BV van medeverdachte 2, en daarna weer werden terug verkocht aan oude naam bedrijf 1 BV. Zodoende werden de appartementsrechten tijdelijk buiten de macht van oude naam bedrijf 1 BV gebracht om het mogelijk te maken in die tussentijd een hypotheekrecht te vestigen ten gunste van bedrijf 3 BV. Dat er een lening of andere verplichting tegenover deze hypotheek stond is niet gebleken. Evenmin is gebleken dat bedrijf 7 BV (een vennootschap die niet wordt bestuurd door of in bezit is van medeverdachte 1 en op geen enkele wijze aantoonbaar verband houdt met de groep ) in het kader van de reorganisatie binnen de groep op enigerlei wijze iets aan bedrijf 3 BV verschuldigd was. Bovendien had het voor de hand gelegen om indien dergelijke verplichtingen bestonden deze specifiek in de akte te vermelden.

Dat er geen toekomstige leningen en of andere verplichtingen tegenover konden komen te staan was voor verdachte duidelijk, aangezien hij op het moment van het vestigen van de hypotheek (31 januari 2011) wist dat de appartementsrechten aan naam 1 waren verkocht (28 januari 2011) en dat de levering al op 1 februari 2011 zou plaatsvinden. Dat er in één dag nog een lening of andere verplichting van die omvang zou ontstaan is niet logisch en feiten en omstandigheden op grond waarvan dit op die korte termijn in de lijn der verwachtingen lag zijn gesteld noch gebleken. Een en ander leidt tot de conclusie dat de reden van het vestigen van het hypotheekrecht enkel en alleen kan zijn gelegen in het ten onrechte scheppen van een executoriale titel om de van naam 1, via bedrijf 5 BV, verkregen koopsom, althans een groot deel daarvan, niet aan oude naam bedrijf 1 BV maar aan bedrijf 3 BV ten goede te laten komen, hetgeen verdachte ook heeft uitgevoerd door vervolgens op 3 februari 2011 een bedrag groot €427.932,65 op de rekening van bedrijf 3 BV over te boeken en aldus dit bedrag aan de verkopende partij oude naam bedrijf 1 BV te onttrekken.

Verdachte heeft als notaris een onderzoeksplicht en dient toe te zien op een juiste financiële afwikkeling bij de levering van registergoederen en bij de vestiging en levering van beperkte rechten op die registergoederen en dient in de akte op te nemen de gegevens op die voor de rechtstoestand van belang zijn. Daarnaast dient hij erop toe te zien dat de koper het verkochte verkrijgt overeenkomstig de gemaakte afspraken en dat daarbij een juiste financiële afwikkeling plaatsvindt.

Temeer gezien zijn rol in dit geheel, waarbij alle leverings- en vestigingshandelingen met betrekking tot de onderhavige registergoederen voor hem passeren, mag hij daarbij niet afgaan op partijverklaringen en dient hij zelf onderzoek te doen. Aantoonbare onjuistheden in de akten dienen in dat verband in beginsel aan hem te worden toegerekend.

Verdachte heeft onder voren omschreven omstandigheden zijn medewerking verleend aan een opeenvolging van transacties, die gezamenlijk in onderlinge samenhang bezien, klaarblijkelijk als constructie moet worden aangemerkt. Daarbinnen heeft verdachte, zonder dat er een schuld of andere verplichting tegenover stond, een hypotheekrecht gevestigd op grond waarvan hij een deel van de opbrengst van de appartementsrechten, zijnde een betrekkelijk groot bedrag, aan een andere vennootschap dan de verkopende partij heeft doen toekomen.

Verdachte wist dat de groep in een reorganisatie verwikkeld was en had zich ervan moeten vergewissen dat de onderhavige appartementsrechten buiten de projectovername en verrekeningen vielen. Daar komt nog bij dat in dat verband geen enkele logische en aantoonbare relatie bestond tussen de groep en bedrijf 7 BV, in die zin dat daaruit schulden of andere verplichtingen in die orde van grootte zouden voortvloeien.

Verdachte wist, althans, had zich moeten realiseren, dat oude naam bedrijf 1 BV na de reorganisatie de achterblijvende vennootschap was, van waaruit diverse projecten waren overgeheveld naar de nieuwe vennootschappen en had zich bovendien, zo blijkt uit zijn verklaring ter terechtzitting, waarin hij aangeeft dat de appartementsrechten in eerste instantie werden overgedragen uit angst voor beslaglegging, moeten realiseren dat oude naam bedrijf 1 BV kwetsbaar was.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich als notaris, door te handelen zoals hij deed, op zijn minst willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijk kans dat de schuldeisers van oude naam bedrijf 1 BV zouden worden benadeeld.

De rechtbank komt tot de conclusie dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met natuurlijke- en rechtspersonen vorenbedoeld bedrag van €427.932,65 in het zicht van het faillissement van die vennootschap aan de boedel van oude naam bedrijf 1 BV heeft onttrokken.

De rechtbank overweegt daarbij nog dat het woord “terwijl” in de tenlastelegging, waar de raadsman van verdachte op duidt, niet aan bewezenverklaring in de weg staat, aangezien dit woord niet de betekenis toekomt die de raadsman daaraan verbindt. Gebruik van dit woord houdt verband met het bestanddeel van het delict dat sprake moet zijn van een faillissement van de dader van het gronddelict, waarbij het niet uitmaakt of dit al dan niet wordt uitgesproken in de tijdspanne waarbinnen de onttrekking plaatsvindt. In die zin dient hieraan een kwalificatieve betekenis te worden toegekend. Het verweer wordt derhalve verworpen.

De rechtbank overweegt in aanvulling op het vorenstaande in verband met feit 3 het volgende.

Verdachte heeft in de akte van levering van 1 februari 2011 betreffende de onderhavige appartementsrechten ( adres 2 en 3 ) vermeld dat die rechten werden verkocht door bedrijf 6 BV en dat namens die vennootschap optrad bedrijf 6 BV als zelfstandig bevoegd bestuurder van oude naam bedrijf 1 BV, waarbij medeverdachte 1 in deze handelde als schriftelijk gevolmachtigde van bedrijf 6 BV.

Verdachte heeft ter terechtzitting toegegeven dat dit niet juist is omdat bedrijf 6 BV sinds 24 januari 2011 geen bestuurder meer was van oude naam bedrijf 1 BV. De aandelen zijn op 24 januari 2011 overgedragen aan de stichting 1, met als bestuurder naam 6, die - zakelijk weergegeven - heeft verklaard in deze als stroman van medeverdachte 2 te zijn opgetreden.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat er een koper voor de appartementsrechten was, genaamd naam 1, dat de verkoop via bedrijf 5 BV zou gaan en dat de koopovereenkomst die aan deze levering ten grondslag lag tot stand was gekomen toen medeverdachte 1 nog middellijk bestuurder was van oude naam bedrijf 1 BV. Verdachte heeft daarbij toegegeven dat er een belang was bij de verkopende partij om de koper niet af te schrikken door de bestuurswisseling.

De rechtbank concludeert uit het vorenstaande dat de reden om de oude bestuursstructuur in de akte van levering op te nemen is gelegen in de omstandigheid om de koper de vertrouwde contractpartij voor te spiegelen, de stroman buiten zicht te houden en de verkoop, het ging om een betrekkelijk groot bedrag van €625.000, door te laten gaan om zodoende die inkomsten veilig te stellen.

Door hierin mee te gaan en de akte op te stellen alsof de oude vennootschapsstructuur nog in stand was gebleven heeft verdachte als notaris opzettelijk een valse leveringsakte opgemaakt.

Verdachte heeft gesteld dat het een vergissing was en dat hij de volmacht van naam 6 waarin deze medeverdachte 1 machtigt om deze transactie namens de stichting 1 te doen plaatsvinden voorhanden had.

De rechtbank verwerpt dit verweer omdat het ongeloofwaardig is dat het hier zou gaan om een vergissing die voor de verkopende partij, die gezien het groot aantal door verdachte in deze opgestelde akten een belangrijke klant van verdachte moet zijn geweest, toevallig goed uitkomt. Daarbij speelt voor wat betreft de overtuiging van de rechtbank ook mee dat deze akte een onderdeel uitmaakt van een samenstel van door verdachte opgestelde akten die verband houdt met de hiervoor omschreven constructie, bedoeld om de opbrengst van de appartementsrechten van oude naam bedrijf 1 BV voor medeverdachte 1 veilig te stellen en deze vervolgens aan zijn vennootschap, bedrijf 3 BV, ten goede te laten komen.

De rechtbank hecht in dit verband dan ook geen doorslaggevende betekenis aan de door verdachte bedoelde volmacht, aangezien ook al zou zo’n volmacht bestaan, dit het vorenstaande niet anders maakt. De rechtbank komt tot de conclusie dat er een aantoonbaar belang was de koper de oude vennootschapsstructuur voor te spiegelen en in dat verband kan de conclusie van de verdediging dat het bestaan van zo’n volmacht bewijst dat er sprake is van een vergissing niet als logische gevolgtrekking worden aanvaard.

De rechtbank concludeert dat verdachte als notaris opzettelijk de authentieke akte valselijk heeft opgemaakt.

De rechtbank overweegt in aanvulling op het vorenstaande in verband met feit 4 het volgende.

Verdachte heeft op 31 januari 2011 de hypotheekakte opgesteld waarin bedrijf 7 BV het recht van eerste hypotheek op de onderhavige appartementsrechten ( adres 2 en 3 ) vestigt ten gunste van bedrijf 3 BV. In die akte is opgenomen dat het hypotheekrecht wordt gevestigd tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de schuldeiser bedrijf 3 BV van de schuldenaar bedrijf 7 BV te vorderen heeft of mocht hebben uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen, dan wel uit welke andere hoofde dan ook.

De rechtbank heeft hiervoor (feit 1) reeds overwogen dat er op het moment van vestigen van deze hypotheek geen leningen of andere verplichtingen tegenover stonden, dat er gelet op de zeer korte tijdspanne waarbinnen de appartementsrechten aan een derde zouden worden geleverd geen toekomstige leningen of andere financiële verplichtingen in de lijn der verwachting konden liggen en dat de reden van het vestigen van het hypotheekrecht enkel en alleen kan zijn gelegen in het ten onrechte scheppen van een executoriale titel. In de akte is dus in strijd met de waarheid opgenomen dat het hypotheekrecht wordt gevestigd tot zekerheid voor de betaling van schulden of andere verplichtingen. Gezien de wetenschap en positie waarin verdachte verkeerde toen hij deze akte passeerde en zijn handelwijze daarna, in de zin van uitbetaling aan een ander dan de verkopende partij, kan het niet anders zijn dan dat verdachte dit opzettelijk op deze wijze, in strijd met de waarheid, in de akte heeft opgenomen. De rechtbank concludeert dat verdachte als notaris opzettelijk de authentieke akte valselijk heeft opgemaakt.

Feit 2

Verdachte heeft op 10 september 2009 in een akte van levering van aandelen van de vennootschap bedrijf 4 BV, waarbij verkoper was bedrijf 4 Holding BV - rechtsgeldig vertegenwoordigd door medeverdachte 2 - en waarbij koper was medeverdachte 3, opgenomen dat de koopsom van die aandelen €20.000 bedroeg. Op een afrekening van notaris van 7 september 2009, gericht aan medeverdachte 3 betreffende de aankoop van aandelen bedrijf 4 BV, staat echter een koopsom vermeld van €3.000 alsmede een aantekening met pen “betaald contant 10-09-09”. Volgens verdachte, notaris bij notaris, betrof deze afrekening slechts een concept.

De rechtbank overweegt echter dat de afrekening is gevonden in de administratie van het zogenaamde winkel van medeverdachte 3. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de afrekening anders te beschouwen dan als daadwerkelijke factuur aan medeverdachte 3.

Bovendien is een kopie van het paspoort van medeverdachte 3 aangetroffen met daarop met de pen geschreven “€3.000“ en heeft medeverdachte 3 verklaard dat hij zijn handschrift op de eerder genoemde afrekening met de tekst “betaald contant 10-09-‘09” herkent en dat hij €3.000 heeft betaald voor bedrijf 4 BV.

De rechtbank heeft op grond van deze feiten en omstandigheden de overtuiging bekomen dat in werkelijkheid de koopsom van de aandelen €3.000 bedroeg. Door desondanks een koopsom van €20.000 in de akte te vermelden, heeft verdachte willens en wetens een valse opgave in een authentieke akte gedaan, met het oogmerk om die akte als echt en onvervalst door anderen te doen gebruiken. Een notariële akte dient immers bij uitstek tot bewijs van de daarin vermelde afspraken tussen partijen. Voor een bewuste, nauwe en volledige samenwerking tussen verdachte en (een) ander(en) bij het opnemen van genoemde valsheid in de notariële akte, ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten in het dossier. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het hem onder 2 ten laste gelegde voor zover dat een samenwerking met (een) ander(en) betreft.

Feit 5

Op 30 september 2011 om 14.45 uur is door verdachte als notaris een authentieke akte van levering opgemaakt ter zake van ‘het perceel grond met daarop gestichte opstallen’ aan de adres 4 te plaats 2 door getuige 4 aan bedrijf 10 BV. De koopprijs bedroeg €500.000, zonder verschuldigdheid van omzetbelasting.

Op 30 september 2011 om 21.00 uur is door verdachte als notaris wederom een authentieke akte van levering opgemaakt ter zake van ‘een perceel bouwterrein’ aan de adres 4 te plaats 2 door bedrijf 10 BV aan bedrijf 3 BV, vertegenwoordigd door bedrijf 6 BV, vertegenwoordigd door medeverdachte 1, die een volmacht heeft afgegeven. De koopprijs bedroeg €530.000, te vermeerderen met €100.700 aan omzetbelasting. Beide akten hebben betrekking op hetzelfde perceel.

Getuige 3, medewerker van bedrijf 22, heeft verklaard dat de sloop van de opstallen op het onderhavige perceel grond op 22 september 2011 was begonnen, en is stilgelegd op 4 november 2011. Bij bedrijf 22 zijn ter zake van de sloop twee dagrapporten met urenregistratie aangetroffen. Volgens deze dagrapporten zijn de sloopwerkzaamheden aangevangen op 26 september 2011 en voortijdig gestopt op 4 november 2011.

bedrijf 22 heeft verklaard dat er rond 30 september nog veel sloopwerk moest gebeuren.

Valsheid opgave bouwterrein

Wat er zij van de fiscale duiding van de toestand van het perceel aan de adres 4 te plaats 2 ten tijde van de levering op 30 september 2011, de rechtbank heeft op grond van de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden de overtuiging bekomen dat verdachte in de door hem opgemaakte notariële akte van levering van het betreffende perceel valselijk heeft vermeld dat het een perceel bouwterrein betrof, terwijl zich daarop feitelijk nog opstallen bevonden.

De rechtbank overweegt dat weliswaar fiscaal-juridisch in beginsel geen regel is overtreden door het betreffende perceel als bouwterrein aan te merken ondanks daarop aanwezige opstallen, maar dat neemt niet weg dat een notariële leveringsakte met het oog op mogelijke goederenrechtelijke en verbintenisrechtelijke implicaties blijk moet geven van de toestand van het geleverde zoals dit feitelijk is. Dit verdraagt zich niet met aanpassingen in de omschrijving van deze feitelijke toestand met het oog op beoogde fiscaalrechtelijk gevolgen. Een notaris behoort zich er uit hoofde van zijn ambt zo goed mogelijk van te vergewissen wat de feitelijke toestand behelst van het onderwerp van een akte tot levering. In beginsel kan raadpleging van de openbare registers daartoe volstaan. Wanneer de notaris echter op een en dezelfde dag wordt ingeschakeld voor het opmaken van een leveringsakte met betrekking tot hetzelfde goed, doch dat goed volgens partijen – waarbij een van de partijen zowel partij was bij de eerste levering als bij de tweede – andere feitelijke eigenschappen heeft, gaat het met het oog op goederen- en verbintenisrechtelijke implicaties niet aan zich uitsluitend te verlaten op de partijverklaringen.

Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank weliswaar niet in nauwe, bewuste en volledige samenwerking met een ander of met een rechtspersoon gehandeld – van welke beschuldiging de rechtbank verdachte dan ook zal vrijspreken –, doch is naar het oordeel van de rechtbank bewust instrumenteel geweest teneinde een door (een van de) partijen beoogd fiscaal voordeel te bewerkstelligen.

Opgave met betrekking tot de omzetbelasting

De rechtbank overweegt dat nu uit het dossier niet blijkt van enige valse weergave van de in de notariële leveringsakte opgenomen partijverklaringen met betrekking tot de verschuldigdheid van omzetbelasting, dan wel enige valsheid van de zijde van de notaris met betrekking tot de verschuldigdheid zelf, het onder feit 5 ten laste gelegde voor zover dit feit enige opgave betreft met betrekking tot (de verklaring van de verkoper omtrent) de verschuldigdheid van omzetbelasting, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte zal dan ook in zoverre worden vrijgesproken.

Conclusie

De rechtbank concludeert dat wettig en overtuigend kan worden bewezen het onder feit 5 ten laste gelegde dat verdachte een authentieke akte van levering valselijk heeft opgemaakt door daarin te vermelden dat het geleverde een perceel bouwterrein betrof terwijl het in werkelijkheid een perceel grond met daarop (deels gesloopte) opstallen betrof.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: medeplegen van bedrieglijke bankbreuk begaan door een rechtspersoon;
  • Feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5: valsheid in geschrift, gepleegd in authentieke akten.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF