Gevangenisstraf voor “meesterfraudeur” Robert van de R. wegens faillisementsfraude

Rechtbank Midden-Nederland 31 augustus 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:6365

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude, door bij twee bedrijven grote bedragen naar zijn privérekening over te maken. Verdachte gaf privébetalingen voorrang boven het betalen van zijn crediteuren, waardoor beide vennootschappen uiteindelijk zijn gefailleerd. Vervolgens heeft verdachte deze onttrokken geldbedragen gebruikt voor de aankoop van allerlei goederen, waardoor de gelden niet meer zijn terug te vinden.

Verdenking

De verdenking komt er op neer dat verdachte:

  • Feit 1: als feitelijk leidinggever van bedrijf 1 B.V., verder bedrijf 1 te noemen, in de periode van 1 januari 2008 tot en met 29 juni 2009 faillissementsfraude heeft gepleegd voor een bedrag van in totaal 1.982.674,32 euro;
  • Feit 2: als feitelijk leidinggever van bedrijf 2 B.V., verder bedrijf 2 te noemen, in de periode van 30 juni 2010 tot en met 2 mei 2011 faillissementsfraude heeft gepleegd voor een bedrag van in totaal 535.100,77 euro;
  • Feit 3: in de periode van 1 januari 2008 tot en met 2 mei 2011 1.982.674,32 euro respectievelijk 535.100,77 euro heeft verduisterd van de vennootschappen bedrijf 1 en bedrijf 2 ;
  • Feit 4: in de periode van 1 januari 2008 tot en met 16 mei 2014 een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van geldbedragen.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De strafvervolging van verdachte is gestart naar aanleiding van een persoonlijke vete tussen de heer A en verdachte. A heeft zich rechtstreeks gewend tot zijn kennis de officier van justitie B. Vervolgens is, na tussenkomst van advocaat-generaal advocaat-generaal, aan het Functioneel Parket de opdracht gegeven om in deze zaak strafvervolging in te stellen. Deze gang van zaken wordt bevestigd door het TPO-verslag waarin wordt gesproken over een “benadeelde crediteur”. Er is dus sprake geweest van misbruik van bevoegdheid. De vervolging is op aanvraag van A gestart en de rechtbank is hierover door het Openbaar Ministerie onjuist voorgelicht. Wanneer de rechtbank het niet-ontvankelijkheidsverweer verwerpt, dienen A en B als getuigen te worden gehoord. Ook is het nodig de verbalisanten verbalisant 1 en verbalisant 2 als getuigen te horen, omdat zij kunnen verklaren over de start van het onderzoek.

Daarnaast is sprake van een eenzijdig onderzoek door de politie. De eigenlijke reden voor het onderzoek was niet dat er een verdenking was, maar er was strafvervolging beloofd en er moest door het Openbaar Ministerie ‘gescoord’ worden. Ook is potentieel ontlastend bewijsmateriaal onthouden aan het dossier. Zo is een kopie van een depotstorting pas na een jaar toegevoegd aan het dossier en is slechts beperkt onderzoek gedaan naar betalingen die verdachte voor de vennootschap heeft verricht vanaf zijn privérekeningen.

Uit het feit dat curator een dag na het TPO-overleg aangifte heeft gedaan, kan worden afgeleid dat op hem druk is uitgeoefend om hem tot deze aangifte te bewegen.

Ook heeft het Openbaar Ministerie de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte gefrustreerd door hem niet onmiddellijk in vrijheid te stellen, maar hem in faillissementsgijzeling te houden. Daarbij is door het Openbaar Ministerie ten onrechte betoogd dat ook het persoonlijk faillissement van verdachte ten grondslag heeft gelegen aan het Europees arrestatiebevel. De e-mail waarin dat door het Openbaar Ministerie naar voren is gebracht dient als een vals stuk te worden aangemerkt.

Ten slotte heeft het Openbaar Ministerie onvoldoende uitvoering gegeven aan de opdracht die de rechtbank heeft gegeven: het doen van onderzoek naar alle stortingen die door verdachte aan bedrijf 1 en bedrijf 2 zijn gedaan. Het onderzoek heeft zich slechts uitgestrekt tot drie buitenlandse bankrekeningen en er is geen onderzoek gedaan naar de boekhouding -die kennelijk nog beschikbaar is- waaruit de rekening-courantverhouding van verdachte met de vennootschappen volledig gereconstrueerd had kunnen worden. Deze boekhouding en de prognoses van getuige getuige 1 dienen alsnog aan het dossier te worden toegevoegd.

Verdachte is door deze verzuimen ontegenzeggelijk in zijn belangen geschaad. Het Openbaar Ministerie heeft gehandeld in strijd met de grondslagen van ons strafproces en het wettelijk systeem is in de kern geraakt.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk dient te worden verklaard.

Door burgers kan bij de politie of het Openbaar Ministerie een melding worden gedaan van een vermoedelijke fraude. Ook in deze zaak is dat gebeurd. Vervolgens is door de FIOD een vooronderzoek gestart en is de zaak besproken in diverse overleggen. Uiteindelijk is op basis van de informatie die uit dat onderzoek naar voren is gekomen, besloten een strafrechtelijk onderzoek te starten. Die beslissing is genomen door het Openbaar Ministerie. Van beïnvloeding door burgers op de vervolgingsbeslissing is dan ook geen sprake.

Het feit dat curator kort na het TPO-overleg door de politie is gehoord, getuigt slechts van een adequate aanpak van de FIOD. De aangiften die door curator en curator Van Meines zijn gedaan, zijn de basis geweest voor het strafrechtelijk onderzoek.

Ook het feit dat de depotstorting pas na enige tijd aan het dossier is toegevoegd kan niet als een vormverzuim worden aangemerkt. Pas nadat meer bankafschriften waren opgevraagd, bleek dat dit stuk van belang was voor het dossier. Op dat moment is besloten het toe te voegen aan het dossier.

Wat de raadsman stelt ten aanzien van de opdracht van de rechtbank is niet juist. Door het Openbaar Ministerie is aan die opdracht gevolg gegeven. Vervolgens zijn alle opgevraagde bankgegevens aan de vorige raadsman van verdachte en aan de rechtbank verstrekt.

Als al sprake zou zijn van het frustreren van de schorsing van verdachte, dan kan dit niet de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie raken. De rechtbank besluit hoe lang verdachte in faillissementsgijzeling wordt gehouden. Het Openbaar Ministerie heeft daar geen invloed op.

Het Europees arrestatiebevel is gebaseerd op de faillissementen van verdachte; ook het persoonlijk faillissement kan daaronder vallen. Van valse stukken is geen sprake.

Door de raadsman zijn geen omstandigheden aangevoerd die een vormverzuim opleveren. Het Openbaar Ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

Start van het onderzoek

Uit de e-mail van advocaat-generaal advocaat-generaal, die door de raadsman is overgelegd, kan worden afgeleid dat er contact heeft plaatsgevonden tussen A, B en advocaat-generaal. De informatie van A die, via advocaat-generaal, bij het Functioneel Parket is terechtgekomen heeft kennelijk geleid tot een vooronderzoek naar de gedragingen van verdachte. Vervolgens zijn de bevindingen besproken in verschillende TPO-overleggen. Naar aanleiding van die overleggen is besloten om tegen verdachte een strafrechtelijk onderzoek te starten. De stukken die aan deze vervolgingsbeslissing ten grondslag liggen, zijn in opdracht van de rechtbank onderzocht door de rechter-commissaris. De rechter-commissaris heeft geoordeeld dat deze stukken geen blijk geven van beïnvloeding door A, B, advocaat-generaal of (andere) crediteuren. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet gebleken van een vormverzuim.

De rechtbank wijst af het (voorwaardelijke) verzoek van de verdediging tot het horen van A en B, nu dit niet van belang is voor enige te nemen beslissing in deze strafzaak.

Ook het verzoek tot het horen van de verbalisanten verbalisant 1 en verbalisant 2 als getuige wordt afgewezen. Een eerder verzoek van de verdediging tot het horen van deze verbalisanten is door de rechtbank afgewezen op 10 september 2014 en op 17 augustus 2015. Hierna hebben zich geen omstandigheden voorgedaan die maken dat deze verbalisanten toch zouden moeten worden gehoord.

Verhoor curator

De rechtbank ziet geen aanleiding te veronderstellen dat curator door het Openbaar Ministerie onder druk zou zijn gezet om aangifte te doen. Nadat in het TPO-overleg was besloten om verdachte strafrechtelijk te vervolgen, was het niet meer dan logisch dat de betrokken curator werd uitgenodigd voor verhoor. Het feit dat curator tijdens dit verhoor zijn eerder gedane melding bevestigt door het doen van aangifte geeft geen blijk van uitgeoefende druk op curator. De rechtbank merkt ten overvloede op dat deze aangifte niet noodzakelijk was voor de start van het opsporingsonderzoek, ook ambtshalve was vervolging mogelijk.

Frustreren schorsing voorlopige hechtenis

Ook het feit dat verdachte na de schorsing van zijn voorlopige hechtenis opnieuw in detentie is gekomen, kan geen vormverzuim opleveren. Allereerst zijn de beslissingen om verdachte in faillissementsgijzeling te nemen/houden, genomen door de rechtbank en niet door het Openbaar Ministerie. Bovendien, als er al vormverzuimen zijn begaan, dan hebben deze verzuimen geen betrekking op deze strafzaak en kunnen zij daarom niet tot enig rechtsgevolg in deze strafzaak leiden.

Niet toevoegen potentieel ontlastende stukken

De raadsman verwijt het Openbaar Ministerie dat zij naar aanleiding van het getuigenverhoor van getuige 1, niet is overgegaan tot het toevoegen van de Reeleezee-boekhouding aan het dossier.

Naar het oordeel van de rechtbank kan dit niet als een vormverzuim worden aangemerkt. Uit het verhoor van getuige 1 blijkt weliswaar dat er een online Reeleezee-boekhouding zou zijn geweest, waarin een rekening-courantverhouding tussen verdachte en bedrijf 1 zou zijn bijgehouden. Getuige 1 zegt dat de boekhouding van de rekening-courant via Reeleezee zeker nog beschikbaar is en dat hij de toegangscode wellicht nog kan achterhalen, echter blijkt hieruit onvoldoende dat deze boekhouding feitelijk nog bestaat en of het toegang krijgen tot deze boekhouding nog daadwerkelijk mogelijk is. Gelet hierop kan het Openbaar Ministerie niet worden tegengeworpen dat deze boekhouding niet aan het dossier is toegevoegd. Daar komt bij dat verdachte zelf deze boekhouding of informatie over hoe deze te vinden zou zijn noch aan de curator na het faillissement van bedrijf 1 noch aan de FIOD of het Openbaar Ministerie na zijn aanhouding heeft verstrekt.

Daarom wordt ook het verzoek van de raadsman om de Reeleezee-boekhouding alsnog aan het dossier toe te voegen afgewezen.

Ook het verzoek van de raadsman om de prognoses van getuige getuige 1 toe te voegen aan het dossier wordt afgewezen. De rechtbank acht dit niet noodzakelijk, omdat ook andere getuigen hebben verklaard over de financiële toestand van bedrijf 1 en de destijds bestaande toekomstverwachtingen. Bovendien zijn deze prognoses volgens getuige 1 gebaseerd op de cijfers die door verdachte zijn aangeleverd en kan dit ook door verdachte zelf naar voren worden gebracht.

Niet uitvoeren opdracht van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Openbaar Ministerie voldaan aan de opdracht die de rechtbank haar heeft gegeven. Ook na deze opdracht heeft het Openbaar Ministerie de onderzoeken gedaan die, naar aanleiding van de verweren van verdachte en zijn raadsman, redelijkerwijs van haar konden worden verwacht. Voor zover het Openbaar Ministerie hierin onvolledig zou zijn geweest, had het op de weg van de verdediging gelegen dit tijdig en concreet aan te geven.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is geen sprake geweest van vormverzuimen in het vooronderzoek van deze strafzaak. Het Openbaar Ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging.

Feit 1 t/m 4

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

Feit 1

Verdachte heeft grote geldbedragen overgemaakt van de rekeningen van bedrijf 1 naar zijn privérekeningen. Verdachte heeft voor deze betalingen geen aannemelijke verklaring gegeven. Ook de betalingen naar de ex-partner van verdachte kunnen als onttrekkingen worden aangemerkt. Verschillende getuigen verklaren dat zij slechts incidenteel werkzaamheden verrichtte voor bedrijf 1. Bovendien is er geen arbeidsovereenkomst aangetroffen of een verslaglegging van haar werkzaamheden.

Het geldbedrag dat is overgemaakt naar bedrijf 13 was bestemd voor de aankoop van een BMW 760 en een Range Rover. Deze auto’s zijn echter nooit op naam van bedrijf 1 gezet. De opbrengst van de BMW is nooit terecht gekomen in de boedel van bedrijf 1. Over de Range Rover heeft verdachte verklaard dat hij deze auto gebruikte als boodschappenwagen en dat hij dacht dat hij deze auto in privé had gekocht. Ook deze overboeking kan dus als onttrekking worden aangemerkt.

Van de betalingen die zijn gedaan aan schildersbedrijf, bedrijf 8 en bedrijf 9 is bekend dat deze een privébestemming hadden.

Uit de grote geldbedragen die werden onttrokken kan worden afgeleid dat verdachte wist of moest begrijpen dat hij door zijn handelen de rechten van schuldeisers zou verkorten.

Feit 2

Ook vanaf de rekeningen van bedrijf 2 zijn door verdachte in korte tijd grote geldbedragen overgemaakt naar eigen rekeningen. Hiervoor is geen afdoende verklaring gegeven. Ook de overboekingen naar de ex-partner van verdachte zijn als onttrekking aan te merken. De verklaring van verdachte dat zij niet in loondienst was, strookt niet met de overboekingen die zijn gedaan. Daarnaast zijn door verdachte privébetalingen gedaan aan bedrijf 3 B.V., bedrijf 4, bedrijf 5 en bedrijf 6. De onttrekkingen van geldbedragen bij bedrijf 2 waren zo hoog en in de opstartfase van het bedrijf, dat het niet anders kon of het bedrijf zou in de problemen komen, met als gevolg dat schuldeisers niet meer betaald konden worden. Dit wordt ook bevestigd door verschillende getuigen.

De geldbedragen waar verdachte naar zijn zeggen recht op had, zoals managementvergoedingen/salaris en bonus, kunnen ook als onttrekking worden aangemerkt. Deze vergoedingen had verdachte met zichzelf afgesproken en waren exorbitant.

Feit 3

Ook de ten laste gelegde verduistering kan wettig en overtuigend bewezen worden. Verdachte heeft de geldbedragen naar zijn privérekening overgemaakt, terwijl hij wist dat deze gelden voor de bedrijfsvoering bestemd waren. Er is daarom sprake van wederrechtelijke toe-eigening.

Feit 4

Verdachte heeft de onttrokken geldbedragen gebruikt om zijn luxe leven te bekostigen. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Verdachte heeft van deze geldbedragen gebruik gemaakt en ze omgezet in goederen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. De verweren van de raadsman die betrekking hebben op feit 1 en 2, zullen hierna bij de bewijsoverwegingen worden besproken.

Wat betreft feit 3 heeft de raadsman naar voren gebracht dat geen sprake is van wederrechtelijke toe-eigening. Verdachte had diverse vorderingen op de vennootschappen en had dus recht op de geldbedragen die hij naar zichzelf heeft overgemaakt.

Ook het onder 4 ten laste gelegde gewoontewitwassen kan niet worden bewezenverklaard, omdat de geldbedragen niet kunnen worden aangemerkt als “afkomstig uit enig misdrijf”.

Oordeel rechtbank

Feit 1

Vrijspraak medeplegen

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de faillissementsfraude bij bedrijf 1 tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen.

Vrijspraak: overboekingen naar E

De rechtbank merkt de overboekingen die zijn gedaan naar E niet aan als onttrekkingen. Behalve uit de verklaring van E zelf en van verdachte, blijkt ook uit verschillende getuigenverklaringen dat E bij bedrijf 1 heeft gewerkt. Ook de afschrijvingen zelf duiden erop dat hier sprake kan zijn van loonbetalingen gelet op de gelijke bedragen en de omschrijvingen bij deze betalingen. De rechtbank acht daarom voldoende aannemelijk geworden dat deze afschrijvingen loonbetalingen waren. Verdachte zal van dit deel van het onder 1 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Vrijspraak: salarisbetaling op 25-8-2008

Op 25 augustus 2008 wordt € 39.251,58 overgemaakt naar een bankrekening van verdachte onder de vermelding “salaris Q3”. In het dossier zijn van het derde kwartaal 2008 twee loonstroken opgenomen. Bovendien komt het daarin genoemde nettoloon overeen met de overboeking van 25 augustus 2008. Nu voldoende aannemelijk is geworden dat deze betaling een loonbetaling betreft, zal de rechtbank deze niet als een onttrekking aanmerken.

Zicht op mogelijk faillissement en opzet op verkorting van rechten van schuldeisers

De raadsman heeft aangevoerd dat op het moment dat de ten laste gelegde betalingen door verdachte zijn gedaan nog geen enkel zicht was op een faillissement. De raadsman heeft daarbij opgemerkt dat bedrijf 1 pas een jaar na de eerste betalingen failliet is verklaard. Door bedrijf 1 zijn in mei 2009 nog drie facturen ten bedrage van ruim € 813.000 gestuurd. In april 2009 verkreeg bedrijf 1 nog een bankgarantie.

De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer het volgende. Verdachte heeft verklaard dat de Nationale Postcode Loterij de enige opdrachtgever van bedrijf 1 was en dat bedrijf 1 qua financiering volledig afhankelijk was van de Nationale Postcode Loterij. De Nationale Postcode Loterij (c.s.) betaalde deze bedragen in het kader van voorfinanciering. Na de betalingen door de Nationale Postcode Loterij beschikte de vennootschap over vermogen. Dit was echter niet door haarzelf gegenereerd en vrij besteedbaar, maar was bestemd voor het doen van investeringen die noodzakelijk waren om de vennootschap daadwerkelijk te laten ‘draaien’.

In deze context heeft de rechtbank gekeken naar de onttrekkingen die door verdachte zijn gedaan. Van de eerste ontvangen betaling op 9 juli 2008 (€ 675.000) wordt € 375.000 overgemaakt naar privérekeningen van verdachte, wat neerkomt op een percentage van ruim 55 procent. Van de tweede betaling op 18 juli 2008 (€ 1.462.986) wordt ruim 89 procent overgemaakt naar privérekeningen van verdachte. Ook van de betalingen die in oktober 2008 en in januari 2009 aan bedrijf 1 worden gedaan wordt 30 tot 60 procent naar privérekeningen van verdachte overgemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door deze onttrekkingen minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het bedrijf hierdoor failliet zou gaan en dat de rechten van schuldeisers zouden worden verkort. Dat bedrijf 1 nog enige tijd actief is geweest en het faillissement niet (vrijwel) direct na deze overboekingen heeft plaatsgevonden, maakt dat niet anders, zeker niet in het licht van verdachtes eigen stelling dat hij gelden overmaakte naar zijn privérekening om te voorkomen dat schuldeisers van het bedrijf beslag zouden leggen.

Ook het feit dat bedrijf 1 in mei 2009 nog enkele facturen zou hebben verstuurd en door haar een bankgarantie zou zijn verkregen, doet hieraan niet af. Overigens is niet aannemelijk geworden dat deze facturen daadwerkelijk door de Nationale Postcode Loterij (aan bedrijf 1 ) zijn betaald.

Het standpunt van de verdediging dat de betalingen naar privérekeningen niet problematisch waren, omdat de deal met de Nationale Postcode Loterij alleen maar groter zou worden, deelt de rechtbank niet. Niet uitgesloten kan worden dat er een kans bestond dat die deal in de loop van de tijd (zeer) veel groter zou worden, maar niet aannemelijk is geworden dat daarop ten tijde van de onttrekkingen een in tijd en geld gemeten concreet vooruitzicht bestond.

Overboeking van € 1.100.000,00

De verdediging heeft betoogd dat verdachte recht had op het bedrag van € 1.100.000. Verdachte heeft verklaard dat hij een niet opeisbare vordering had op bedrijf 1. De vordering die bedrijf 14 had op bedrijf 1 was wel opeisbaar. In overleg met en na toestemming van bedrijf 14 heeft verdachte het bedrag van € 1.100.000 van de bankrekening van bedrijf 1 overgeboekt naar zijn privérekening, waardoor zijn vordering op bedrijf 1 werd ingelost.

De rechtbank merkt allereerst op dat verdachte voor deze betaling een verklaring geeft die hij na kritische bevraging steeds aanvult met nieuwe gegevens. In eerste instantie verklaart hij dat hij aan bedrijf 14 heeft gevraagd of het geld dat bedrijf 1 aan bedrijf 14 verschuldigd was door hem mocht worden gebruikt voor de opheffing van het beslag op zijn privéwoning. Later verklaart verdachte dat deze betaling een verrekening zou zijn van een lening die hij van bedrijf 14 kreeg, met een bonus die hij tegoed had. Waarom bedrijf 14 deze bonus aan hem zou moeten betalen en niet bedrijf 1 heeft verdachte niet toegelicht.

Verdachte heeft in dit verband bij de FIOD verder aangegeven dat bedrijf 14 op bedrijf 1 een vordering had van € 1.2.000.000, als tegenprestatie voor een bedrag van € 300.000 dat bedrijf 14 in bedrijf 1 had geïnvesteerd. Op de zitting van 17 augustus 2015 heeft verdachte verklaard dat de vordering van bedrijf 14 op bedrijf 1 niet alleen zag op een eerdere lening van € 300.000 maar ook op diverse investeringen die door bedrijf 14 al eerder waren gedaan ter voorbereiding op de te ontplooien bedrijfsactiviteiten. Verdachte heeft daarbij aan de rechtbank een overeenkomst tussen bedrijf 1, verdachte en bedrijf 14 overgelegd. Deze overeenkomst is voorzien van drie handtekeningen van verdachte.

Mede door de steeds veranderende verklaringen van verdachte acht de rechtbank bij geen van de door hem geschetste scenario’s op enigerlei wijze aannemelijk geworden dat verdachte ten tijde van de overboeking van de € 1.100.000,00 naar zijn privérekening daadwerkelijk een opeisbare vordering ter hoogte van dat bedrag had op bedrijf 1 en evenmin dat daarmee op een dergelijke vordering werd betaald. Naar het oordeel van de rechtbank was dan ook sprake van een onverplichte betaling en dient het door verdachte overgeboekte bedrag als onttrekking te worden beschouwd. Ook is geenszins aannemelijk geworden dat bedrijf 14 daadwerkelijk investeringen in bedrijf 1 heeft gedaan ter hoogte van € 1.200.000,00, laat staan dat met betrekking tot die investeringen is afgesproken dat die ten tijde van de overboeking van € 1.100.000,00 naar de privérekening van verdachte door bedrijf 14 van bedrijf 1 konden worden opgeëist.

Salarisbetalingen en onkostenvergoedingen

Volgens de raadsman kunnen de betalingen die op 30 januari 2009 en 2 februari 2009 zijn gedaan niet als onttrekking worden aangemerkt, nu sprake is van salarisbetalingen en onkostenvergoedingen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Van deze betalingen zijn geen salarisstroken bekend. Ook is geen specificatie bekend van de onkosten die door verdachte zouden zijn gemaakt. Bovendien worden binnen een week drie bedragen overgemaakt die het nettoloon van verdachte verre overstijgen en waarin meermalen eenzelfde omschrijving wordt genoemd. Gelet hierop worden deze overboekingen op 30 januari 2009 en 2 februari 2009 als onttrekkingen aangemerkt.

Overboeking naar bedrijf 13 AG

Verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de betaling aan bedrijf 13 AG niet als onttrekking kan worden aangemerkt. De auto’s die voor dit geld zijn geleased, een BMW 760 en een Range Rover, werden ingezet voor bedrijf 1. Om de auto’s in te kunnen voeren in Nederland hebben ze enige tijd op naam van verdachte gestaan.

De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de BMW 760 en de Range Rover nooit op naam hebben gestaan van bedrijf 1. Dat de auto’s voor de invoer in Nederland enkele maanden op naam van verdachte hebben moeten staan, verklaart niet dat verdachte gedurende de gehele periode de tenaamgestelde was. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat bij BMW Finance het kenteken altijd op naam van de leasenemer werd gezet. Dit is echter niet aannemelijk geworden, evenmin als de stelling dat de auto’s ten behoeve van bedrijf 1 zijn ingezet.

Op 25 februari 2010 wordt de BMW door verdachte verkocht. De opbrengst van deze verkoop is niet ten goede gekomen aan de boedel van de inmiddels failliete bedrijf 1. Over de Range Rover heeft verdachte verklaard dat deze werd gebruikt als boodschappenwagen, maar dat de betaling is gedaan door bedrijf 1.

De rechtbank merkt het afgeschreven bedrag daarom aan als een onttrekking.

Overboeking van € 200.000

Verdachte heeft verklaard dat hij voor de aankoop van de aandelen van bedrijf 1 € 200.000 vanuit privé heeft overgemaakt. Door op 9 juli 2008 vier keer € 50.000 over te maken van de bankrekening van bedrijf 1 naar een privérekening van verdachte is deze schuld ingelost.

De rechtbank deelt dit standpunt van verdachte niet. De betaling die verdachte vanuit privé heeft gedaan voor de aankoop van aandelen, kan niet ten laste komen van bedrijf 1. Dit zou namelijk betekenen dat bedrijf 1 voor haar eigen aandelen zou moeten betalen. Verdachte had op grond van deze betaling geen vordering op bedrijf 1, zodat de betaling van € 200.000 naar de privérekening van verdachte als een onverplichte betaling en als een onttrekking moet worden beschouwd.

Lening van Nice Holding B.V.

Verdachte en zijn raadsman hebben naar voren gebracht dat verdachte een lening heeft afgesloten met Nice Holding om de liquiditeit van de vennootschap te bevorderen. Verdachte zou hiermee bedragen hebben voorgeschoten voor bedrijf 1. Hieruit blijkt niet alleen dat verdachte het beste met bedrijf 1 voor had, maar hiermee wordt ook aangetoond dat verdachte verschillende vorderingen had op bedrijf 1. Bovendien is een deel van deze lening, € 44.000, ten goede gekomen aan Aspider, een crediteur van bedrijf 1.

Ook indien de rechtbank uitgaat van deze lezing van verdachte blijkt Рbij gebreke van duidelijkheid over de met bedrijf 1 overeengekomen terugbetalingsvoorwaarden, waaronder de opeisbaarheid Рniet dat verdachte ter zake een opeisbare vordering op bedrijf 1 had. Overboekingen die verdachte naar priv̩rekeningen heeft gedaan, stellende dat hij daar op grond van deze voorschotten recht op had, verliezen daardoor dus niet hun karakter van onttrekking.

Overige vorderingen van verdachte op bedrijf 1

De raadsman heeft een overzicht overgelegd waarin verschillende bedragen zijn opgenomen die verdachte privé zou hebben voorgeschoten aan bedrijf 1. Wanneer alle bedragen worden opgeteld en worden vermeerderd met het salaris en de vergoedingen waarop verdachte jegens bedrijf 1 recht had, dan blijkt dat de vorderingen van verdachte op bedrijf 1 de vermeende onttrekkingen ruimschoots te boven gaan. Om die reden kunnen de betalingen die verdachte aan zichzelf in privé heeft overgemaakt niet als onttrekkingen worden aangemerkt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Wat er ook zij van de rechtsgeldigheid van de arbeidsovereenkomst en de daaruit voor verdachte jegens bedrijf 1 voortvloeiende aanspraken, uit niets blijkt dat de ten laste gelegde overboekingen naar verdachtes privérekening of andere rekeningen betrekking hadden op deze posten. Dit blijkt noch uit de beschrijvingen van de redenen van betaling op de desbetreffende bankafschriften, noch uit onderliggende stukken als loonstroken, facturen en dergelijke. Een boekhouding waaruit dit zou kunnen blijken is evenmin aangetroffen. Bij die stand van zaken en bij gebreke van enige andere legitieme grond voor deze betalingen moeten deze overboekingen worden aangemerkt als onttrekkingen. Dit geldt evenzeer voor de door verdachte gemaakte opstelling van beweerdelijk door hem aan bedrijf 1 voorgeschoten (al dan niet van anderen geleende) bedragen. Ten aanzien van die bedragen is voorts niet aannemelijk geworden dat deze reeds opeisbaar waren op het moment dat de overboekingen plaatsvonden. Verdachte heeft zijn stelling dat een en ander in een rekening-courantverhouding tussen hem en bedrijf 1 is geadministreerd en verantwoord, en dat “het uiteindelijk bijna helemaal glad gelopen is”, op geen enkele manier aannemelijk kunnen maken, nu ieder spoor van een administratie van die rekening-courantverhouding ontbreekt.

Feit 2

Vrijspraak medeplegen

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de faillissementsfraude bij bedrijf 2 tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen.

Vrijspraak: overboeking naar bedrijf 15

Verdachte heeft verklaard dat er weleens betalingen ten behoeve van bedrijf 2 werden verricht door een ‘verkeerde’ vennootschap. Dit werd dan later gecorrigeerd. De overboekingen van in totaal € 17.200 aan bedrijf 15 B.V. zijn een voorbeeld van een dergelijke correctie.

De rechtbank ziet in het dossier verschillende aanwijzingen dat er foutieve betalingen hebben plaatsgevonden. Zo verklaren de getuigen getuige 5 en getuige 2 dat er inderdaad fouten werden gemaakt met betalingen en dat dit werd gecorrigeerd door bedrijf 2 terugbetalingen te laten doen aan naam B.V. dan wel bedrijf 15. De rechtbank acht deze gang van zaken en daarmee het verweer van verdachte voldoende aannemelijk geworden en zal de betalingen die zijn gedaan aan bedrijf 15 B.V. niet aanmerken als onttrekkingen.

Vrijspraak: overboeking naar bedrijf 7 B.V. / bedrijf 7 Investments

De rechtbank is van oordeel dat ook de geldbedragen die zijn overgemaakt naar bedrijf 7 B.V. of bedrijf 7 Investments niet als onttrekkingen kunnen worden aangemerkt. Verdachte is enige tijd directeur geweest van deze ondernemingen. Het enkele feit dat geldbedragen zijn overgemaakt naar rekeningen van aan verdachte gelieerde bedrijven is onvoldoende om deze overmakingen als onttrekkingen aan te merken.

Zicht op mogelijk faillissement en opzet op verkorting van rechten van schuldeisers

Door de raadsman is aangevoerd dat op het moment dat de ten laste gelegde betalingen door verdachte zijn gedaan er nog geen zicht was op het faillissement van bedrijf 2. In de tenlastelegging worden onder meer beweerde onttrekkingen genoemd die dateren van oktober en november 2010. Pas op 2 mei 2011 is bedrijf 2 failliet verklaard. Uit getuigenverklaringen blijkt dat het eind 2010 en begin 2011 nog helemaal niet slecht ging met de vennootschap. Nu er geen zicht was op een faillissement, kan ook het opzet op verkorting van de rechten van schuldeisers niet worden bewezen verklaard.

Ten aanzien van de financiële positie van bedrijf 2 wordt het volgende overwogen. getuige 3 heeft verklaard over de zakelijke overeenkomst die is gesloten tussen bedrijf 11 en bedrijf 2. Omdat verdachte een beginnende onderneming had, is overeengekomen dat een deel van het totale met de overeenkomst gemoeide bedrag bij vooruitbetaling aan bedrijf 2 zou worden voldaan. Het was de bedoeling dat verdachte van dit geldbedrag materialen en machines kocht, zodat de productie kon worden opgestart. Ook bij bedrijf 2 was er sprake van slechts één opdrachtgever.

Evenals bij bedrijf 1 heeft verdachte ook bij bedrijf 2 een aanzienlijk deel van de vooruitbetalingen voor privédoeleinden gebruikt. Door bedrijf 11 is ruim 1,3 miljoen euro overgemaakt naar rekeningen van naam B.V. of bedrijf 2. Daarvan heeft verdachte ruim € 400.000 onttrokken. Dit geld betrof geen winst van de onderneming, maar een voorfinanciering voor noodzakelijke investeringen om de opdracht van bedrijf 11 uit te kunnen voeren.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door de bewezenverklaarde onttrekkingen minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het bedrijf hierdoor failliet zou gaan en dat de rechten van schuldeisers zouden worden verkort. Dat bedrijf 2 nog enige tijd actief is geweest en het faillissement niet (vrijwel) direct na deze overboekingen heeft plaatsgevonden, maakt dat niet anders, zeker niet in het licht van verdachtes eigen stelling dat hij gelden overmaakte naar zijn privérekening om te voorkomen dat schuldeisers van het bedrijf beslag zouden leggen.

De rechtbank wordt bevestigd in haar overtuiging dat verdachte deze kans heeft aanvaard door verschillende getuigenverklaringen. Zo heeft de getuige getuige 2 verklaard dat verdachte vaak privébetalingen voorrang gaf boven het betalen van zijn crediteuren. Zelfs als er voldoende geld was om alle crediteuren te betalen, werd er door verdachte wel eens voor gekozen om geld naar zichzelf over te maken, zodat vervolgens niet alle crediteuren konden worden betaald. Ook uit de verklaringen van D kan worden afgeleid dat de betalingen van verdachte soms onverantwoord waren. Als uitgaven niet pasten in de financiën, had dit tot gevolg dat andere facturen niet werden betaald. Uit deze verklaringen leidt de rechtbank af dat bij verdachte het betalen van zichzelf voorrang had op het financieel gezond houden van zijn bedrijf.

Overboekingen naar E

Verdachte heeft verklaard dat E gedurende ongeveer een maand voor bedrijf 2 diverse werkzaamheden heeft verricht. Hiervoor is zij door bedrijf 2 betaald. Ter zitting heeft verdachte hieraan toegevoegd dat wellicht ook de belettering voor bedrijf 2 door E is gedeclareerd en is uitbetaald.

De rechtbank merkt allereerst op dat getuigen wisselend hebben verklaard over de werkzaamheden van E bij bedrijf 2. In elk geval kan uit die verklaringen en uit die van verdachte zelf worden afgeleid dat zij niet lang werkzaamheden heeft verricht voor bedrijf 2.

De betalingen die aan E worden gedaan, lijken geen loonbetalingen te betreffen, gezien de wisselende bedragen. Ook is niet gebleken dat zij een arbeidsovereenkomst had bij bedrijf 2. Volgens verdachte werkte zij in die periode als zzp’er en verrichtte zij in die hoedanigheid werkzaamheden voor de vennootschap. De rechtbank heeft echter geen facturen aangetroffen voor de werkzaamheden die E zou hebben verricht. Ook zijn er geen andere specificaties aangetroffen, waaruit kan blijken welke vorderingen zij uit hoofde van werkzaamheden op bedrijf 2 had. Gelet op het ontbreken van deze onderbouwing zal de rechtbank de bedragen die naar haar zijn overgemaakt aanmerken als onverplichte betalingen en als onttrekkingen aan de vennootschap.

Vorderingen van verdachte op bedrijf 2

Ook wat betreft bedrijf 2 heeft de raadsman een overzicht overgelegd, waaruit zou blijken welke betalingen verdachte namens bedrijf 2 gedaan heeft. De vordering van verdachte op bedrijf 2, vermeerderd met de aan verdachte toekomende managementvergoeding en toeslagen, overstijgt het bedrag dat hij zou hebben onttrokken. Om die reden kunnen de betalingen die verdachte aan zichzelf in privé of aan anderen heeft overgemaakt niet als onttrekkingen worden aangemerkt.

De rechtbank overweegt als volgt. Wat er ook zij van de rechtsgeldigheid van de managementovereenkomst en de daaruit voor verdachte jegens bedrijf 2 voortvloeiende aanspraken, uit niets blijkt dat de ten laste gelegde overboekingen naar verdachtes privérekening of andere rekeningen betrekking hadden op deze posten. Dit blijkt noch uit de beschrijvingen van de redenen van betaling op de desbetreffende bankafschriften, noch uit onderliggende stukken als facturen en dergelijke. Een boekhouding waaruit dit zou kunnen blijken is evenmin aangetroffen. Bij die stand van zaken en bij gebreke van enige andere legitieme grond voor deze betalingen moeten deze overboekingen worden aangemerkt als onttrekkingen. Dit geldt evenzeer voor de door verdachte gemaakte opstelling van beweerdelijk door hem aan bedrijf 2 voorgeschoten (al dan niet van anderen geleende) bedragen. Ten aanzien van die bedragen is voorts niet aannemelijk geworden dat deze reeds opeisbaar waren op het moment dat de overboekingen plaatsvonden. Verdachte heeft zijn stelling dat een en ander in een rekening-courantverhouding tussen hem en bedrijf 2 is geadministreerd en verantwoord, en dat dit in evenwicht was, op geen enkele manier aannemelijk kunnen maken, nu ieder spoor van een administratie van die rekening-courantverhouding ontbreekt.

Feit 3

Vrijspraak medeplegen

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de verduistering van geldbedragen tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen.

Wederrechtelijk toe-eigenen

De rechtbank stelt vast dat de onder feit 3 genoemde geldbedragen identiek zijn aan de bedragen die door het Openbaar Ministerie onder feit 1 en 2 zijn ten laste gelegd. Onder feit 1 en 2 heeft de rechtbank overwogen welke overboekingen als onttrekking kunnen worden aangemerkt. De rechtbank sluit voor de bewezenverklaring van feit 3 daarom aan bij de bewezenverklaarde onttrekkingen van feit 1 en feit 2. Verdachte heeft zich dit geld -door deze bedragen aan de ondernemingen te onttrekken- wederrechtelijk toegeëigend. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van eendaadse samenloop.

Vrijspraak: overboekingen naar E

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering door geld over te boeken van bedrijf 2 naar E. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte zich deze geldbedragen heeft toegeëigend. Verdachte heeft gedurende een periode een relatie gehad met E, maar niet blijkt dat het geld dat naar haar is overgemaakt aan verdachte ten goede is gekomen.

Feit 4

Vrijspraak medeplegen

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het witwassen van geldbedragen tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen.

Gewoontewitwassen

Verdachte heeft gedurende een lange periode geldbedragen overgemaakt naar onder meer zijn Zwitserse privérekeningen. Deze geldbedragen zijn door verdachte onttrokken uit de vennootschappen en verduisterd. Daarmee zijn deze geldbedragen uit ‘enig misdrijf afkomstig’. Uiteindelijk zijn de Zwitserse rekeningen, die zijn gevoed door de onttrokken geldbedragen, leeggeraakt en is het crimineel verworven geld daarmee verdwenen. Verdachte heeft verklaard dat hij dit geld heeft gebruikt om van te leven. Verdachte heeft de geldbedragen daarmee niet alleen voorhanden gehad, maar heeft deze ook omgezet in goederen die hij gebruikte voor zijn dagelijks leven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich daarmee schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen.

Bewezenverklaring

Feit 1 en 2: telkens: bedrieglijke bankbreuk, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

Feit 3: verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd;

Feit 4: van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF