Vrijspraken bedrieglijke bankbreuk

Rechtbank Den Haag 28 juli 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:8772

Op 24 april 2012 is bedrijf in staat van faillissement verklaard. Aan verdachte is het onttrekken van goederen aan de boedel (feit 1) alsmede schending van de administratieverplichting ten laste gelegd (feit 2 primair en subsidiair).

Feit 1

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden hetgeen de verdachte onder 1 is tenlastegelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Feit 2

Curator (slachtoffer 1) heeft in haar aangifte bij de politie verklaard dat zij van de verdachte en haar echtgenoot een tas met bonnen en bankafschriften, zonder enig overzicht, over 2011 en 2012 heeft ontvangen. Bij de rechter-commissaris heeft slachtoffer 1 verklaard dat er geen boekhouding aanwezig was. Zij heeft alleen een tas met bonnetjes en bankafschriften meegekregen en hier even naar gekeken. Slachtoffer 1 heeft verklaard dat zij vervolgens heeft gedacht: “Hier kom ik niet uit, daar ga ik niet aan beginnen”. Zij kon er niet wijs uit worden.

Van de werkneemsters heeft zij nog een uitdraai van de kassa gekregen. Getuige heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat er in de winkel met een computerkassa werd gewerkt. Alles wat verkocht werd, werd gescand. Dit stond geregistreerd in het computersysteem. Aan het einde van de dag werd de kassa met de computer afgeslagen en werd er een strook met de omzet van de dag uitgeprint. De pinbetalingen en de contante betalingen werden vergeleken met de uitgeprinte strook. In het proces-verbaal van onderzoek administratie bedrijf staat dat de administratie – ontvangen van curator slachtoffer 1 – bestond uit facturen van crediteuren, kassaldo-overzichten tot 21 april 2012, dagafsluitingsbonnen tot 2 april 2012 (met per maand een totaalsaldo genoteerd), een map verzekeringen en de omzet van Zoetermeer en Noordwijk van 2 januari 2011 tot 31 december 2011.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bepleit dat het niet voeren van een deugdelijke administratie onvoldoende vast is komen te staan en dat de verdachte derhalve dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit.

Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit nu door de curator en het openbaar ministerie onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er sprake zou zijn van een niet ongeschonden administratie.

Oordeel rechtbank

Op grond van vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de door verdachte en haar echtgenoot ingeleverde administratie min of meer gestructureerd, overzichtelijk en tot de dagelijkse omzetten herleidbaar was, zodat niet zonder meer gesteld kan worden dat de door de verdachte ingeleverde administratie niet voldeed aan de op haar rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie. Aan de vraag of de verdachte dit ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon, te weten bedrijf, heeft gedaan, komt de rechtbank derhalve niet toe. Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de administratie niet in ongeschonden staat tevoorschijn is gebracht.

Conclusie 

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het onder 2 zowel primair als subsidiair tenlastegelegde feit.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Rechtbank Den Haag 28 juli 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:8771

Ook de echtgenoot van verdachte wordt vrijgesproken van bedrieglijke bankbreuk. Aan hem was, evenals aan zijn echtgenote, het onttrekken van goederen aan de boedel (feit 1) alsmede schending van de administratieverplichting ten laste gelegd (feit 2 primair en subsidiair) ten laste gelegd.

Ten aanzien van de echtgenoot van verdachte is in het kader van feit 2 nog (extra) aangevoerd dat de echtgenoot dient te worden vrijgesproken van schending van de administratieplicht, nu er onvoldoende aanwijzingen in het dossier zijn dat hij de feitelijk bestuurder van bedrijf was, en dat vaststaat dat hij civielrechtelijk geen bestuurder was.

De rechtbank oordeelt dat vast staat dat de echtgenoot niet de formele bestuurder van bedrijf was. Zijn echtgenote stond in de registers van de Kamer van Koophandel als bestuurder vermeld. Uit het dossier komt naar het oordeel van de rechtbank echter wel naar voren dat zij feitelijk samen de onderneming bestierden. Derhalve kan niet worden gezegd dat de verdachte geen feitelijk bestuurder was.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF