Veroordeling wegens faillissementsfraude: Gelet op persoonlijke omstandigheden van verdachte en de ouderdom van de feiten geen gevangenisstraf, maar taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22 juli 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:4869

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk door een auto aan de failliete boedel van bedrijfsnaam 4 te onttrekken en door het niet voeren van een deugdelijke administratie van deze BV, zulks met het opzet om de rechten van de schuldeisers van deze BV te benadelen.

Voorts heeft hij zich ten aanzien van drie andere BV’s schuldig gemaakt aan eenvoudige bankbreuk door het niet voeren van een deugdelijke administratie van deze drie BV’s.

Feiten 

Bedrijfsnaam 4 is opgericht op 19 december 1991 en gevestigd in Zevenbergen. Sinds 4 oktober 2005 is verdachte bestuurder en enig aandeelhouder van bedrijfsnaam 4. Deze BV is in staat van faillissement verklaard op 11 mei 2010. Bedrijfsnaam 1 is opgericht op 23 november 1990 en gevestigd te Breda. Sinds 30 december 2005 is bedrijfsnaam 4 bestuurder en enig aandeelhouder van bedrijfsnaam 1. Bedrijfsnaam 1 is in staat van faillissement verklaard op 4 augustus 2009. Bedrijfsnaam 2 is opgericht op 26 juni 2002 en gevestigd te Breda. Sinds 30 december 2005 is bedrijfsnaam 1 bestuurder en enig aandeelhouder van bedrijfsnaam 2. Bedrijfsnaam 2 is op 18 augustus 2009 in staat van faillissement verklaard. Bedrijfsnaam 3 is opgericht op 30 december 1998 en gevestigd te Breda. Sinds 19 juli 2004 is bedrijfsnaam 2 bestuurder en enig aandeelhouder van bedrijfsnaam 3. Bedrijfsnaam 3 is op 17 maart 2010 in staat van faillissement verklaard. Daarmee staat vast dat verdachte direct dan wel indirect in de gehele ten laste gelegde periode bij de feiten 1 tot en met 4 de bestuurder van genoemde vier BV’s was.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle ten laste gelegde feiten, voor zover van toepassing in primaire vorm, heeft gepleegd en baseert zich daarbij ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4 op de faillissementsvonnissen, de verklaring van de curator (inclusief de aangifte en het beslagrekest), de verklaringen van getuigen getuige 1 en 2 en het rapport van bedrijf 1.

Ten aanzien van feit 5 wijst de officier van justitie op de overboeking van de rekening van bedrijfsnaam 1 naar de privérekening van de echtgenote van verdachte, gedaan door verdachte, en de terugboeking van het bedrag van €75.000, maar dan naar de rekening van bedrijfsnaam 2, hetgeen een onttrekking aan bedrijfsnaam 1 zou zijn.

Met betrekking tot feit 6 stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat sprake is van onttrekking aan de boedel van bedrijfsnaam 4 van een bedrag van €1.500, welk bedrag een dag voor het faillissement van deze BV contant is opgenomen, en van een op naam van bedrijfsnaam 1 gestelde auto, merk Chevrolet, welke, gelet op de verklaring van getuige naam 3, pas op 26 mei 2010, dus na de faillissementsdatum van bedrijfsnaam 4, is verkocht door verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de rechtbank ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4 in elk geval niet tot een bewezenverklaring kan komen van de primair ten laste gelegde bedrieglijke bankbreuk, nu verdachte er alles aan heeft gedaan om de administratie op orde te brengen door het dure SAP-systeem in te voeren.

Feit 5 acht de raadsman niet bewezen, nu het bedrag van €75.000 weer is teruggegaan naar de bedrijfsnaam 1 en er niets is achtergebleven. Er heeft ook geen benadeling van de schuldeisers plaatsgevonden.

Met betrekking tot feit 6 overweegt de raadsman dat het bedrag van €1.500 weliswaar één dag voor het faillissement van bedrijfsnaam 1 is opgenomen, maar dat verdachte niet op de hoogte was dat er sprake was van een op handen zijnde faillissement. Ten aanzien van de Chevrolet refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Feit 1 t/m 4

Ten aanzien van het niet voeren van een deugdelijke administratie, algemeen

Voor een bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 4 primair ten laste gelegde feiten is ten minste vereist dat verdachte als bestuurder van de vier genoemde BV’s opzettelijk niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen tot het voeren van een deugdelijke administratie in de zin van artikel 2:10 van Boek 2 en/of 3:15i van Boek 3 BW. Voorts moet dit nalaten zijn verricht “ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon”. Dit wil zeggen dat verdachte het opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten der schuldeisers (oftewel op de benadeling van de schuldeisers), waarbij voorwaardelijk opzet voldoende is. Voor het bewijs van dit voorwaardelijk opzet is allereerst vereist dat de gedragingen van verdachte tenminste de aanmerkelijke kans op die benadeling hebben doen ontstaan. Daarnaast moet de verdachte die aanmerkelijke kans bewust hebben aanvaard.

Ten aanzien van het niet voeren van een deugdelijke administratie van bedrijfsnaam 4 (feit 4)

Verdachte heeft verklaard dat bedrijfsnaam 4 het bedrijf was waarin hij werkte en waarin hij met name zijn onderzoek- en ontwikkelactiviteiten verrichtte. Hij ontwikkelde producten, waaronder pasta voor verwarmingspanelen. De facturen met betrekking tot de kosten van de pasta werden – ook in de jaren 2009 en 2010 – niet allemaal in de administratie van bedrijfsnaam 4 opgenomen omdat verdachte niet wilde dat bepaalde ingrediënten voor de pasta bekend werden, mede gelet op diverse inbraken in zijn woning en loods waarbij administratie zou zijn gestolen.

Getuige 2 van bedrijf 2 heeft verklaard dat bedrijf 2 vanaf 2006/2007 de accountancy deed voor de bedrijven binnen de bedrijfsnaam 1. Volgens getuige 2 was de aanlevering van bescheiden over de verantwoording van een deel van de uitgaven onduidelijk door het ontbreken van de onderliggende bescheiden, met name ter zake de kosten betreffende de productie van pasta en privéopnames. Verdachte heeft volgens getuige 2 over de hoge privéopnames verklaard dat hij een receptuur ontwikkelde met een geheim procedé en dat hij via privé de stoffen inkocht om het recept mee samen te stellen, zulks om te voorkomen dat die receptuur werd gestolen en anderen er voordeel van hadden. Verdachte wilde die administratie volgens getuige 2 ook niet ter inzage geven.

Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat verdachte in de ten laste gelegde periode als bestuurder van bedrijfsnaam 4 opzettelijk niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een deugdelijke administratie in de zin van artikel 2:10 van Boek 2 en 3:15i van Boek 3 BW door bewust bepaalde facturen niet in de administratie op te nemen.

Wetenschap verdachte van mogelijk faillissement bij bedrijfsnaam 4

Bedrijfsnaam 4 is, zoals hierboven al is vermeld, op 11 mei 2010 failliet verklaard.

Verdachte heeft verklaard dat de financiële problemen begonnen toen de dealers de vorderingen die zijn BV’s hadden, niet meer betaalden en de schuld opliep tot zo’n 600.000 euro. Verdachte is eind 2008/begin 2009 gaan zoeken naar nieuwe investeerders. Er bleken twee personen bereid te zijn om een investering van 5 miljoen euro te doen. Deze investeerders hebben samen begin maart 2009 250.000 euro voorschot op de rekening van de bedrijfsnaam 1 overgemaakt. Als dat voorschot niet was ontvangen, dan had dat volgens verdachte uiteindelijk geresulteerd in het faillissement van de ondernemingen. Deze investeerders vorderden het overgemaakte geld vervolgens terug omdat ze niet verder wilden investeren. Verdachte had het geld nodig om de bedrijven door te laten draaien. Hij heeft vervolgens een bedrag van 120.000 euro overgemaakt naar de privérekening van zijn echtgenote omdat hij bang was dat de investeerders beslag zouden leggen op de rekening van bedrijfsnaam 1. Als dat was gebeurd, dan was alles omgevallen, aldus verdachte.

De hiervoor genoemde heer getuige 2 heeft in dit verband verklaard dat een faillissement onvermijdelijk was omdat de uitgaven doorliepen, er geen goedlopende productie was en de financiering stopte.

Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat verdachte in ieder geval in maart 2009, toen de financiering stopte, besefte dat een faillissement van de vier genoemde BV’s dreigde en dat, omdat niet gebleken is dat daarna nieuwe financieringen voor de BV’s zijn geweest en omdat bedrijfsnaam 1 op 4 augustus 2009, bedrijfsnaam 2 op 18 augustus 2009 en bedrijfsnaam 3 op 17 maart 2010 failliet werden verklaard, deze dreiging is blijven bestaan. Dat dreigende faillissement van bedrijfsnaam 4 is uiteindelijk ook gevolgd.

Opzet verdachte op verkorting van de rechten van de schuldeisers bij bedrijfsnaam 4

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, moet worden geoordeeld dat er tijdens het bestuurderschap van verdachte in de ten laste gelegde periode sprake was van een ondeugdelijke boekhouding bij bedrijfsnaam 4; dat verdachte dat wist en dat verdachte in ieder geval omstreeks maart 2009 besefte dat een faillissement van deze BV dreigde. Desondanks heeft hij, als bestuurder van deze BV nagelaten een deugdelijke administratie bij te (laten) houden. Hij heeft immers verklaard dat hij ook in 2009 en 2010 nog altijd opzettelijk de facturen met betrekking tot de kosten van de pasta gedeeltelijk niet in de administratie opnam.

Gelet op het feit dat bij bedrijfsnaam 4 vanaf omstreeks maart 2009 een faillissement dreigde, bestond vanaf die tijd ten minste de aanmerkelijke kans dat schuldeisers in het faillissement zouden worden benadeeld door voormeld nalaten een deugdelijke administratie te voeren. De curator in het faillissement zou immers op basis van deze administratie niet in staat zijn om binnen redelijke termijn overzicht te krijgen van de rechten en de plichten van de failliete BV. Ook zou de curator bij gebreke van een deugdelijke administratie geen, althans onvolledig zicht hebben op eventuele onttrekkingen aan de boedel of andere onregelmatigheden voorafgaand aan het faillissement van de BV en aldus aanmerkelijk zijn beperkt in zijn mogelijkheden om door middel van een Actio Pauliana, acties uit onrechtmatige daad of op basis van de Wet Bestuurdersaansprakelijkheid ingeval van faillissement de daaruit ontstane schade voor de schuldeisers te beperken.

Het is een feit van algemene bekendheid dat nalatigheden in het voeren van een deugdelijke administratie zoals hier aan de orde om voormelde redenen leiden tot tenminste een aanmerkelijke kans op benadeling van de schuldeisers in het faillissement. Ook verdachte moet hiervan op de hoogte zijn geweest, zeker gelet op de al vanaf augustus 2009 uitgesproken faillissementen in de drie anders BV’s. Door desondanks geen deugdelijke administratie te (laten) bijhouden, heeft verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust aanvaard.

Door bewust na te laten om sommige bescheiden met betrekking tot de kosten van de pasta in de administratie te verwerken, heeft verdachte deze niet bewaard overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke bepalingen, terwijl hij tevens heeft geweigerd de betreffende bescheiden desgevraagd te voorschijn te brengen.

De rechtbank acht derhalve, anders dan de raadsman, bewezen dat verdachte als bestuurder van bedrijfsnaam 4 minst genomen in voorwaardelijke zin zijn opzet gericht had op de bedrieglijke verkorting van de rechten (benadeling) van de schuldeisers, waarmee zij het onder 4 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen acht.

Ten aanzien van het niet voeren van een deugdelijke administratie van bedrijfsnaam 1, bedrijfsnaam 2 en bedrijfsnaam 3 (feiten 1, 2 en 3)

Naar aanleiding van de aangifte van de curator terzake faillissementsfraude tegen verdachte, werd bij de curator de administratie van de gefailleerde rechtspersonen onderzocht. De verbalisanten zagen in de administratie voor een deel gegevens die betrekking hadden op 2009, hetgeen vermoedelijk onvoldoende was om een goed overzicht te verkrijgen over de rechten en plichten van de rechtspersonen naar externe zakenpartners en de verplichtingen tussen de rechtspersonen onderling.

Eerder genoemde getuige 2 van bedrijf 2 heeft verklaard dat sommige delen van de administratie van genoemde BV’s een warboel waren, waarbij typerend voor de chaos was dat er in het kantoor van bedrijfsnaam 1 in Breda een lade was met ongeopende post van de belastingdienst. Uit de boekingen bleek ook dat veel uitgaven van de BV’s vanuit de rekeningen van andere BV’s werden voldaan, waardoor alles dooreen liep. Volgens getuige 2 is wel duidelijk dat zij maar zeer mondjesmaat in staat gesteld zijn alle gegevens te verzamelen die ertoe zouden moeten leiden dat zij bij een samenstelling van een jaarrekening een gevoel zouden hebben dat de neerslag een adequate afspiegeling van de realiteit was.

getuige 1, register controller bij bedrijf 1, kreeg de opdracht van verdachte om de bedrijven van de bedrijfsnaam 1 te herstructureren en geld aan te trekken voor nieuwe investeringen. Hij heeft van februari 2009 tot begin mei 2009 samen met een registeraccountant aan deze opdracht gewerkt. getuige 1 kwam er al snel achter dat de administratie een chaos was. Op advies van getuige 1 is toen een administratieve kracht, naam 1, in dienst genomen om te helpen de boekhouding op orde te krijgen. Volgens getuige 1 was het grote probleem het gebrek aan informatie over de rekening-courant-verhoudingen binnen de ondernemingen. Er werd veel geld tussen de ondernemingen onderling en verdachte privé geboekt. Daarvan was geen enkele verantwoording terug te vinden in de administratie.

In zijn rapport van april 2009 vermeldt getuige 1 dat vanaf 2008 de administratie in SAP was ingevoerd en dat men van naam 2 had begrepen dat bankafschriften vanaf december 2008 ontbraken zodat de administratie niet volledig was bijgewerkt. Ook moesten er eind maart 2009 nog boekingen vanaf september 2008 worden gemaakt om de kasbetalingen en declaraties bij te werken. De beginsaldi per 1 januari 2008 moesten nog worden ingebracht omdat de jaarstukken over 2007 nog niet definitief waren. Er heerste een laisser-faire houding waarbij enige urgentie om zaken op te lossen ontbrak. Er was volgens hem geen sprake van enige financiële transparantie en voorspelbaarheid binnen de onderneming, financiële cijfers waren niet tijdig beschikbaar en de betrouwbaarheid van de cijfers was niet vast te stellen door het ontbreken van een deugdelijke administratieve organisatie en interne controle.

Naam 1 heeft verklaard over haar werkzaamheden voor de bedrijfsnaam 1 groep van april 2009 tot aan het faillissement dat de administratie rommelig was zonder duidelijke structuur van het opslaan, waarbij vaak niet duidelijk was of facturen al dan niet waren ingeboekt of verwerkt in de administratie. Toen zij begon met haar werkzaamheden was er een achterstand in de administratie. Zij is toen begonnen met een inhaalslag, maar zij weet niet hoever de achterstand was ingelopen op het moment dat de onderneming failliet werd verklaard.

De curator van genoemde BV’s heeft in zijn verzoek tot het verlenen van verlof voor conservatoir beslag opgemerkt dat de administratie van de bedrijfsnaam 1 van 2009 en 2010 ronduit gebrekkig en onvolledig is. Toen de curator vanwege de uitgesproken faillissementen van bedrijfsnaam 1 en bedrijfsnaam 2 bij het kantoor aan de straat in Breda binnenkwam, bleek er voor bedrijfsnaam 1 en bedrijfsnaam 2 in 2009 in het geheel geen administratie te zijn bijgehouden. De laatste bijgewerkte administratie dateerde van december 2008. Toen het faillissement van bedrijfsnaam 3 werd uitgesproken, bleek verdachte niets aan administratie aan de curator over te kunnen leggen. Voor bedrijfsnaam 3 was er in 2009 en 2010 geen administratie bijgehouden. Verdachte heeft de curator verwezen naar de straat voor de fysieke administratie van bedrijfsnaam 3. De curator heeft de aldaar nog aanwezig administratie meegenomen.

Op grond van het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat verdachte als bestuurder van bedrijfsnaam 1, bedrijfsnaam 2 en bedrijfsnaam 3 in strijd met de verplichtingen uit artikel 10, eerste lid van Boek 2 BW en artikel 15i, eerste lid van Boek 3 BW niet een zodanige administratie heeft gevoerd dat daaruit te allen tijde de rechten en de verplichtingen van deze rechtspersonen konden worden gekend.

Hiervoor (onder de paragraaf Wetenschap verdachte van mogelijk faillissement bij bedrijfsnaam 4 ) heeft de rechtbank al overwogen dat verdachte in ieder geval in maart 2009, toen de financiering stopte, besefte dat een faillissement van de eerder genoemde BV’s dreigde en dat, omdat niet gebleken is dat daarna nieuwe financieringen voor de BV’s zijn geweest, deze dreiging is blijven bestaan. Het dreigende faillissement van deze BV’s is uiteindelijk ook gevolgd.

Opzet verdachte op verkorting van de rechten van de schuldeisers bij bedrijfsnaam 1, bedrijfsnaam 2 en bedrijfsnaam 3 ?

Anders dan de officier van justitie, acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte ten aanzien van bedrijfsnaam 1, bedrijfsnaam 2 en bedrijfsnaam 3 heeft gehandeld “ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers”. Hij heeft immers toen hij ontdekte dat de administratie niet op orde was in 2009 maatregelen genomen om orde op zaken te stellen door het inhuren van getuige 1 en naam 1, hetgeen ook uit hun verklaringen blijkt, zodat niet gesteld kan worden dat verdachte het opzet – voorwaardelijk opzet daaronder begrepen – had om de schuldeisers van deze BV’s te benadelen. Verdachte dient dan ook van de feiten 1 primair, 2 primair en 3 primair te worden vrijgesproken.

De rechtbank acht, op grond van het vorenstaande, echter wel bewezen dat verdachte zich als bestuurder van bedrijfsnaam 1, bedrijfsnaam 2 en bedrijfsnaam 3 heeft schuldig gemaakt aan eenvoudige bankbreuk, nu hij als bestuurder verantwoordelijk was voor een deugdelijke administratie en het derhalve (mede) aan hem te wijten is (geweest) dat aan de in artikel 10, eerste lid van Boek 2 BW en artikel 15i, eerste lid van Boek 3 BW omschreven verplichtingen niet is voldaan.

De rechtbank overweegt voorts dat de bestuurder van een failliete rechtspersoon op vordering van de curator alle dan bestaande administratie, inclusief de bewijsstukken daarbij, terstond en ongeschonden aan de curator dient te overhandigen.

Uit hetgeen de curator heeft vermeld in zijn aangifte dan wel in zijn verzoek tot het verlenen van verlof voor het leggen van conservatoir derdenbeslag, voor zover hiervoor aangegeven, leidt de rechtbank af dat verdachte niet alle bestaande administratie van bedrijfsnaam 1, bedrijfsnaam 2 en bedrijfsnaam 3 te voorschijn heeft gebracht.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Feit 5

Uit de bankafschriften van bedrijfsnaam 1 is gebleken dat van het bedrag van €250.000 dat door de twee investeerders op de rekening van bedrijfsnaam 1 op 4 maart en 6 maart 2009 is overgemaakt, kort nadien €155.000 op de privérekening van naam partner, zijnde de echtgenote van verdachte, is overgemaakt, namelijk:

  • op 16 maart 2009 €40.000
  • op 16 maart 2009 €40.000
  • op 16 maart 2009 €40.000
  • op 2 april 2009 €35.000.

Een deel van dit bedrag heeft naam partner aan bedrijfsnaam 1 terugbetaald, namelijk:

  • op 27 maart 2009 €40.000
  • op 23 maart 2009 €40.000.

Per saldo is er door bedrijfsnaam 1 dus €75.000 meer aan naam partner betaald dan dat er is teruggekomen bij bedrijfsnaam 1.

Gelet op de bankafschriften van naam partner die de raadsman eerder al heeft overgelegd, zijn ook nog de volgende bedragen terugbetaald, weliswaar niet aan bedrijfsnaam 1, maar aan bedrijfsnaam 2 :

  • op 10-4-2009 €5.000
  • op 19-4-2009 €15.000
  • op 22-4-2009 €20.000
  • op 28-4-2009 €12.500
  • op 8-5-2009 €5.000
  • op 28-5-2009 €17.500

Het betreft in totaal een bedrag van €75.000.

Uit het onderzoek ter terechtzitting, met name uit de verklaring van verdachte zelf, komt naar het oordeel van de rechtbank naar voren dat de bedragen die in maart 2009 zijn overgemaakt naar bedrijfsnaam 1 bedoeld waren om te besteden binnen de werkmaatschappij bedrijfsnaam 2. Nu verdachte volgens zijn eigen verklaring de bedragen van in totaal €75.000 rechtstreeks – en niet eerst via bedrijfsnaam 1 – naar bedrijfsnaam 2 heeft overgemaakt omdat er haast bij was om de salarissen van de werknemers van bedrijfsnaam 2 te betalen, welke verklaring de rechtbank niet onaannemelijk acht, is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het opzet – voorwaardelijk opzet daaronder begrepen – had om de schuldeisers van bedrijfsnaam 1 te benadelen. De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat hij heeft gehandeld “ter bedrieglijke verkorting van de schuldeisers van bedrijfsnaam 1”.

Verdachte dient dan ook van feit 5 te worden vrijgesproken.

Feit 6

Het faillissement van bedrijfsnaam 4 is op 11 mei 2010 uitgesproken. Verdachte heeft op 10 mei 2010, dus een dag vóór het faillissement, van de bankrekening van bedrijfsnaam 4 contant een bedrag van €1.500 opgenomen.

Verdachte heeft erkend dat hij dit bedrag heeft opgenomen, maar heeft daarbij gezegd dat hij er niet van op de hoogte was dat op 11 mei 2010 een zitting was waarop mogelijk het faillissement van bedrijfsnaam 4 zou worden uitgesproken. De rechtbank acht, gelet op het feit dat mogelijkerwijs post bestemd voor verdachte wegens de eerder uitgesproken faillissementen van andere BV’s binnen de bedrijfsnaam 1 niet bij verdachte terecht kwam, niet uitgesloten dat verdachte daadwerkelijk niet op de hoogte was van de zitting op 11 mei 2010, alwaar hij ook niet is verschenen. Zij acht dan ook niet wettig en overtuigen bewezen dat verdachte het opzet – voorwaardelijk opzet daaronder begrepen – had om de schuldeisers van bedrijfsnaam 4 te benadelen door voormeld bedrag van €1.500 op te nemen. Verdachte dient dan ook van hetgeen hem achter het eerste gedachtestreepje wordt verweten, te worden vrijgesproken.

Verdachte wordt onder dit feit voorts verweten dat hij als bestuurder ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van bedrijfsnaam 4 een auto, merk Chevrolet, die op de naam van deze BV was gesteld, aan de boedel heeft onttrokken door deze auto op 26 mei 2010 te verkopen voor een bedrag van €10.000.

Genoemde Chevrolet heeft van 7 maart 2008 tot 26 mei 2010 op naam gestaan van bedrijfsnaam 4 en heeft vervolgens van 26 mei 2010 tot 27 mei 2010 op naam gestaan van naam 3 te Zevenbergen.

Verdachte heeft weliswaar erkend dat hij deze Chevrolet heeft verkocht, maar volgens verdachte was dat in februari 2010 en heeft hij ook het geld voor die auto in februari 2010 ontvangen. Geconfronteerd met het feit dat de Chevrolet pas op 26 mei 2010 is overgeschreven op naam van naam 3, heeft verdachte verklaard dat hij dan is vergeten in februari 2010 een vrijwaringsbewijs te laten opmaken.

De rechtbank acht, mede gelet op het hierna volgende, niet geloofwaardig dat verdachte de auto al in februari 2010 heeft verkocht.

Uit het onderzoek dat naar de verkoop van deze Chevrolet is gepleegd, blijkt voorts het volgende2:

Bij bedrijf 3 (een eenmanszaak) is de afgifte gevorderd van bescheiden mbt de aan- en verkoop van de Chevrolet Captive met kenteken. Door de eigenaar van deze zaak (naam 3) werd aan het verzoek voldaan.

Uit de uitgeleverde bescheiden werd het volgende opgemaakt:

  • door de verkopende partij bedrijfsnaam 4 werd een verkoopfactuur opgesteld gedateerd op 23 maart 2010. Het totaalbedrag (incl BTW en BPM) was €10.000. De factuur was getekend met de naam ir. verdachte en door die naam was met pen een handtekening geplaatst. Onder de naam was met pen de datum 26 mei 2010 geplaatst. Rechtsboven was met een stempel het nummer 1331 te lezen.
  • In een uitdraai van de maand mei 2010 van het kasboek van Eurocar is op 27 mei 2010 onder factuurnummer 1331 een inkoop vermeld met als omschrijving “ verdachte kenteken ”.
  • Op een kopie van deel IB van de RDW inzake de opname in de bedrijfsvoorraad van kenteken wordt Eurocar genoemd met als transactiedatum 26 mei 2010 17.08 uur.

Genoemde naam 3 heeft verklaard dat verdachte, die hij als klant kent, naar hem toe kwam en hem vertelde dat hij een auto met het kenteken wilde verkopen. Dat was ongeveer een week voordat de verkoop plaatsvond. Hij heeft een bod van 10.000 euro op de auto gedaan, waarmee verdachte akkoord ging. verdachte heeft een factuur voor de verkoop gemaakt. Geconfronteerd met de factuur verklaarde naam 3 dat hij de daarop vermelde datum van 23 maart 2010 nooit eerder heeft opgemerkt en dat 26 mei 2010 de datum is waarop de auto aan hem werd geleverd en door hem contant werd betaald. Hij heeft zelf de handgeschreven datum van 26 mei 2010 erop gezet. De contante betaling is ook in het kasboek opgenomen.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat verdachte de Chevrolet uiterlijk een week voor 26 mei 2010 aan naam 3 heeft verkocht, zijnde een datum waarop het faillissement van bedrijfsnaam 4 reeds was uitgesproken.

De curator merkt in zijn verzoek tot het verlenen van verlof voor het leggen van conservatoir derdenbeslag op dat verdachte daags na het uitspreken van het faillissement telefonisch contact opnam met de curator, waarbij verdachte aangaf het faillissement te willen terugdraaien en verzet te willen instellen.

Op grond hiervan acht de rechtbank vast staan dat verdachte daags na de faillissements-verklaring van bedrijfsnaam 4 wist van het faillissement en dat hij desondanks de Chevrolet op 26 mei 2010 aan de boedel heeft onttrokken door deze auto op die datum te verkopen en de opbrengst van die auto niet aan de curator ter beschikking te stellen. Daarmee heeft verdachte ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers gehandeld. Hetgeen verdachte achter het tweede gedachtestreepje onder feit 6 wordt verweten, acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewijzen.

Bewezenverklaring

Feit 1 subsidiair, feit 2 subsidiair en feit 3 subsidiair telkens: Aan hem als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, te wijten zijn dat aan de in artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek omschreven verplichtingen niet is voldaan en dat de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, waarmee volgens die artikelen administratie gevoerd is en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers die ingevolge die artikelen zijn bewaard, niet in ongeschonden staat worden te voorschijn gebracht;

Feit 4: Als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet voldaan hebben aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld;

Feit 6: Als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon enig goed aan de boedel onttrekken.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 150 uren en een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Ten aanzien van de persoon van verdachte houdt de rechtbank aan de ene kant sterk rekening met de door de raadsman op zitting geschetste omstandigheden – in het bijzonder met de gezondheidstoestand van de echtgenote van verdachte, de benarde financiële positie waarin verdachte verkeert en zijn gevorderde leeftijd – maar aan de andere kant ook met het feit dat verdachte al tweemaal eerder – ook al is dat niet recent – is veroordeeld voor soortgelijke feiten in die zin dat het feiten betreffen die financiële benadeling van derden met zich (kunnen) brengen (namelijk valsheid in geschrift en het opzettelijk onjuist doen van belastingaangiften.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF