Vrijspraak faillissementsfraude: boekhouder in loondienst geen feitelijk leidinggever dan wel opdrachtgever. Geen (mede)pleger wegens ontbreken (voorwaardelijk) opzet.

Rechtbank Oost-Brabant 30 juni 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:3706

Verdachte heeft als boekhouder in dienst van het bedrijf waarvoor hij werkzaam was, kort voor en na het moment waarop het bedrijf failliet was verklaard, overboekingen verricht. Verdachte is primair vervolgd als feitelijk leiding gever aan deze gedraging en subsidiair als (mede)pleger. 

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert vrijspraak van het primair ten laste gelegde, nu verdachte niet kan worden aangemerkt als feitelijk leidinggever. Zij acht het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van bedrieglijke bankbreuk wettig en overtuigend bewezen en vordert een taakstraf voor de duur van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat bij verdachte, die ook naar zijn mening niet als feitelijk leidinggever kan worden aangemerkt, geen opzet bestond ten aanzien van hetgeen hem wordt verweten en heeft ten aanzien van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde vrijspraak bepleit.

Oordeel rechtbank: Vrijspraak

Bij vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 oktober 2010 is het faillissement van bedrijf 1 uitgesproken. In deze strafzaak zijn medeverdachte 1, medeverdachte 2 en verdachte als verdachten aangemerkt.

Medeverdachte 1 was - indirect, via bedrijf 2 en bedrijf 4 - formeel bestuurder van dit bedrijf, verdachte was verantwoordelijk voor de boekhouding en medeverdachte 2, die als bestuurder en enig aandeelhouder van bedrijf 5 een aanzienlijk financieel belang had in bedrijf 1, trad op als adviseur van bedrijf 1 en werd nauwgezet en tot op detailniveau betrokken bij zowel de financiële alsook de operationele gang van zaken binnen bedrijf 1. Zo werd hij geïnformeerd over en betrokken bij beslissingen variërend van de lichtbakreclame en incidentele betalingen van posten tot de (ontwikkeling van de) liquiditeitspositie van bedrijf 1 in de aanloop naar het faillissement. Verdachte heeft dienaangaande ook bevestigd dat medeverdachte 2 voor hem een medeondernemer was omdat hij mede het beleid bepaalde alsmede indirect betrokken was bij de besluitvorming aldus dat medeverdachte 1 voorafgaand aan te nemen besluiten in contact trad met medeverdachte 2.

Kort voor en na voornoemde faillissementsdatum, te weten in de periode van 28 september 2010 tot en met 2 november 2010, zijn geldbedragen overgeboekt van de bankrekening van bedrijf 1 naar de bankrekening van bedrijf 2 en naar de derdengeldrekening van bedrijf 3, zijnde het advocatenkantoor van medeverdachte 2. Deze overboekingen zijn onder meer gebleken uit de bankafschriften van bedrijf 1 en die van bedrijf 2. Verdachte verrichtte feitelijk deze boekingen.

Uit de door boekhouder verdachte aan medeverdachte 1 en medeverdachte 2 per e-mail toegezonden liquiditeitsprognoses en begrotingen kan worden opgemaakt dat de financiële situatie van bedrijf 1 reeds enkele maanden vóór die overboekingen slecht was en gezien het verloop van de liquiditeitsprognoses allengs verder afkalfde. In dit verband wijst de rechtbank ook op de verklaring van verdachte dat bedrijf 1 al rond maart 2010 financieel in redelijk zwaar weer zat en het passen en meten was wat wel en niet kon worden betaald. Op 30 augustus 2010 deelde verdachte per e-mail aan medeverdachte 1 en medeverdachte 2 mede dat ze in september zouden vastlopen en dat het misschien raadzaam was een gezamenlijke afspraak in te plannen, waarop medeverdachte 2 liet weten dat hij een afspraak zou laten inplannen en medeverdachte 1 liet weten dat het misschien handig was om eerst samen even te overleggen om de strategie te bepalen.

Op 6 september 2010 vond vervolgens overleg plaats ten kantore van medeverdachte 2 waarbij werd besloten om de (sub)licentieovereenkomst tussen bedrijf 1 als licentienemer en bedrijf 2 als licentiegever op te zeggen, welke opzegging vervolgens door medeverdachte 2 schriftelijk is bevestigd. Ingevolge artikel 6.1 van die overeenkomst kwamen door deze opzegging vanaf dat moment de rechten uit de tot dan door bedrijf 1 afgesloten overeenkomsten toe aan bedrijf 2. Verder werd besloten om de tenaamstelling van de telefoonabonnementen van bedrijf 1 te zetten op naam van bedrijf 2. In de weken erna werd besloten om de bankrekening van bedrijf 1 (waarop de debiteurenbetalingen worden ontvangen) op naam te doen stellen van bedrijf 2. Op dat moment was het faillissement van bedrijf 1 voorzienbaar voor medeverdachte 1, medeverdachte 2 en verdachte.

Verdachte heeft als boekhouder in dienst van bedrijf 1 de in de tenlastelegging genoemde overboekingen uitgevoerd. Hij heeft dit gedaan in zijn hoedanigheid van werknemer van bedrijf 1 en nadat hij hiertoe instructies dan wel opdracht had gekregen van zijn werkgever.

Gelet op de rol van verdachte in het geheel is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat verdachte niet kan worden aangemerkt als feitelijk leidinggever dan wel als opdrachtgever, zodat verdachte van het onder primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken.

Dan is het de vraag of verdachte als pleger dan wel als medepleger van bedrieglijke bankbreuk kan worden aangemerkt. Hiervoor is noodzakelijk dat bewezen kan worden dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de hem verweten verboden gedragingen.

Zoals reeds gezegd, heeft verdachte als werknemer in opdracht van zijn werkgever de in de tenlastelegging genoemde girale geldbedragen overgeboekt. Verdachte heeft daarbij ten opzichte van zijn leidinggevende medeverdachte 1 aangegeven dat hij zich afvroeg of deze overboekingen wel een juiste juridische grondslag hadden, waarna hem werd medegedeeld dat deze juridische grondslag bestond.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte op de juistheid van die mededeling mogen afgaan en kon van hem – als werknemer en gegeven de betrokkenheid van jurist medeverdachte 2 – niet worden gevergd dat hij nader onderzoek deed alvorens de hem gegeven instructies uit te voeren. Gelet op dit alles is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk, ook niet in voorwaardelijke zin, de overboekingen heeft uitgevoerd ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van bedrijf 1.

De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder primair en onder subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF