Bedrieglijke bankbreuk door bestuurder: onttrekken goed aan boedel en administratieverplichting & Feitelijk leidinggeven aan onttrekken goed aan pandrecht

Rechtbank Midden-Nederland 8 april 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:2388

Verdachte heeft zich als bestuurder van een vennootschap schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. Hij heeft een auto onttrokken aan de boedel en niet voldaan aan de op hem rustende verplichting een inzichtelijke administratie bij te houden dan wel aan de curator te overleggen, dit terwijl een faillissement van die onderneming in het vooruitzicht lag. Door die handelingen heeft hij het aanstaande faillissement van de onderneming bespoedigd en zijn de schuldeisers benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden. Tevens heeft verdachte een goed aan het hierop gevestigde pandrecht onttrokken.

Vrijspraak ten aanzien van feit 1, 2 en 3

De rechtbank acht op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het (mede)plegen van de hem onder feit 1, 2 en 3 ten laste gelegde bedrieglijke bankbreuk, dan wel hiertoe feitelijk leiding of opdracht heeft geven, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers. Evenmin acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich met betrekking tot de handelsvoorraad schuldig heeft gemaakt aan verduistering of diefstal, ten laste gelegde onder feit 3 meer en meest subsidiair.

Feit 4, 5 en 6 telkens onder primair

Medeverdachte 2 was vanaf de oprichting op 6 september 2010 tot 8 december 2010 bestuurder van de stichting 2. Medeverdachte 2 wordt door verdachte opgevolgd als bestuurder van de stichting van 8 december 2010 tot 22 december 2010, waarna de stichting wordt overgedragen aan A.

Stichting 2 is op 1 december 2010 enig aandeelhouder geworden van de vennootschap bedrijf 4 Per 1 december 2010 is verdachte bestuurder geworden van deze vennootschap.

Bedrijf 4 is sinds 21 augustus 2008 enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap bedrijf 3, gevestigd te vestigingsplaats. Bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 1 maart 2011 is bedrijf 3 in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. J.V. Maduro als curator.

Financiële positie van bedrijf 3 voor faillissement

Getuige 1 was tot 1 december 2010 bestuurder van bedrijf 4 en indirect bestuurder van bedrijf 3.

Getuige 1 heeft verklaard dat hij verkoopmogelijkheden is gaan bekijken omdat de onderneming bedrijf 3 het niet erg goed deed en indien de economie niet zou aantrekken in het komende jaar gevaar voor faillissement zou kunnen komen. Via een incassobureau kwam hij in november 2010 in contact met verdachte. verdachte wilde voor de verkoop een boekenonderzoek doen. De verkoop heeft plaatsgevonden op 1 december 2010.

Getuige 2, een voormalig werknemer van bedrijf 3, heeft verklaard dat de hoeveelheid werk afnam en dat het minder goed ging met het bedrijf. Hij hoorde pas op 10 december 2010 dat het bedrijf verkocht was. De bedrijfsmachines waren toen al weg. Verdachte kwam langs als nieuwe eigenaar. Getuige 2 is formeel nooit geïnformeerd over een ontslag of het stoppen van de bedrijfsvoering. Sindsdien kreeg hij ook geen salaris meer. Om achterstallig salaris te verkrijgen is hij een procedure begonnen.

Onttrekken bedrijfsauto en niet voldoen aan de administratieverplichting Door de curator is aangifte gedaan van faillissementsfraude. verdachte heeft niet voldaan aan de vordering tot overhandiging van de volledige administratie. Ook heeft hij niet gereageerd op een aanschrijven met betrekking tot de aan curanda in eigendom toebehorende auto. Iedere informatie en documentatie omtrent de plaats waar het machinepark van curanda zich bevond en thans nog bevindt ontbreekt. Namens de curator is tevens aangifte gedaan met betrekking tot de Ford Fiesta, eigendom van bedrijf 3 en vallende onder het faillissementsbeslag. Door de bestuurders is niet voldaan aan een verzoek tot het afleveren van deze bedrijfsauto.

Door de Duitse politie is de Ford Fiesta op 16 maart 2011 in Düsseldorf aangetroffen en weggesleept. verdachte heeft vervolgens geprobeerd om de auto op te halen op het terrein in beslag genomen voertuigen.

Medeverdachte 2 heeft verklaard de stichting 2 bij de Kamer van Koophandel te hebben overgedragen aan verdachte en B. Hij heeft toen ook de administratie van de stichting overgedragen.

Getuige 1 verklaart de gehele administratie van bedrijf 3 en de auto te hebben ingeleverd bij verdachte. Verdachte heeft getekend voor ontvangst hiervan.

Getuige 2 heeft verklaard dat hij een paar dagen na 10 december 2010 in het bedrijfspand van bedrijf 3 zag dat verdachte de administratie aan het doornemen was.

Onttrekken van de buigmachine aan het pandrecht

Namens bedrijf 5 B.V. is aangifte gedaan van onttrekking aan pandrecht. Tussen bedrijf 5 en bedrijf 3 en bedrijf 4, destijds vertegenwoordigd door getuige 1, werd op 28 februari 2008 een financiële leaseovereenkomst gesloten ten behoeve van de aankoop van een buigmachine, merk CoilMate, type Standard Tooling Center, serienummer 190.046. Tot zekerheid van voldoening van de vordering is overeengekomen dat door bedrijf 5 een pandrecht wordt gevestigd op de buigmachine. Voor bedrijf 3 en bedrijf 4 i.c. getuige 1 of andere mogelijke vertegenwoordigers van deze vennootschappen hield dit onder andere in dat de omschreven machine niet mocht worden verkocht/geleverd aan derden dan wel dat de machine niet buiten de invloedsfeer van bedrijf 5 mocht worden gebracht op het moment dat nog niet voldaan was aan al hetgeen bedrijf 5 te vorderen had of mocht hebben uit hoofde van de leaseovereenkomst. Op enig moment werd door bedrijf 5 achterstand in de termijnbetaling geconstateerd en dat de buigmachine uit het bedrijfspand was verdwenen. Aangever heeft toen onderzoek laten verrichten waaruit onder andere blijkt dat op 9 december 2010 de machines, waaronder de CoilMate, gedemonteerd en getransporteerd werden. Op 6 januari 2011 ondertekende getuige 1 met bedrijf 3, nu vertegenwoordigd door verdachte, een koopovereenkomst tot aankoop van de CoilMate. Door bedrijf 5 werd op 18 februari 2011 de leaseovereenkomst opgezegd. De vordering van bedrijf 5 op bedrijf 3 en bedrijf 4 in relatie tot de overeenkomst bedroeg op dat moment nog € 99.584,93. De betreffende machine is buiten de invloedsfeer van bedrijf 5 gebracht en/of onttrokken aan het volgens de overeenkomst gevestigde pandrecht, waardoor bedrijf 5 is benadeeld.

Getuige 1 heeft verklaard in opdracht van verdachte de bedrijfsmachines begin december 2010 te hebben gedemonteerd. Blijkens deze opdrachtverstrekking ging dit om onder andere de Elcede Coilmate buigmachine. Verdachte heeft de machines begin januari 2011 aan getuige 1 verkocht. Verdachte heeft (ook schriftelijk) aan getuige 1 bevestigt dat deze vrij van financiering waren. Getuige 3 heeft verklaard de machines in januari 2011 van getuige 1 te hebben gekocht.

Bestuurder in de zin van artikel 343 Sr

De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van de aan verdachte onder feit 4 en 6 onder primair ten laste gelegde feiten vereist is dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte ten tijde van de hem verweten handelingen als bestuurder van de betreffende rechtspersoon heeft gefungeerd. De rechtbank stelt vast dat verdachte van 8 december 2010 tot 22 december 2010 statutair bestuurder was van de stichting 2. Deze stichting is op 1 december 2010 aandeelhouder geworden van de vennootschap bedrijf 4 en verdachte werd per die datum statutair bestuurder van deze B.V.. bedrijf 4 is sinds 21 augustus 2008 bestuurder van de vennootschap bedrijf 3 Gelet daarop is verdachte als formeel bestuurder van de stichting 2 en bedrijf 4 aan te merken en als indirect formeel bestuurder van bedrijf 3, zoals bedoeld in artikel 343 van het Wetboek van Strafrecht. Gelet op de -blijkens voornoemde bewijsmiddelen- door verdachte verrichte handelingen stelt de rechtbank vast dat verdachte, in en ook na december 2010, feitelijk is opgetreden als bestuurder van de vennootschap. De rechtbank merkt hem dan ook aan als bestuurder van bedrijf 3 in de zin van artikel 343 van het Wetboek van Strafrecht (zie: Hoge Raad 3 december 1974, NJ 1975, 229).

Onttrekken auto aan de boedel (feit 4 onder primair)

Aan de hand van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de bedrijfsauto, behorende bij de boedel van bedrijf 3 niet door de curator werd aangetroffen na het faillissement van 1 maart 2011. Verdachte heeft niet gereageerd op een verzoek van de curator tot het afleveren van deze auto. Nadat de auto op 16 maart 2011 door de politie in Düsseldorf (Duitsland) is aangetroffen, meldde verdachte zich als rechthebbende. Door verdachte is de bedrijfsauto, in de periode van 1 tot en met 16 maart 2011 onttrokken aan de boedel van bedrijf 3.

Gelet op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad hierover wordt met betrekking tot het bestandsdeel ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers’ vereist dat ten tijde van de gedraging -tijdens faillissement verricht- ten minste een aanmerkelijke kans moet hebben bestaan dat de faillissementsschuldeisers daardoor zouden worden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden. Door het handelen van verdachte is een bedrijfsauto onttrokken die anders in de failliete boedel zou zijn gebleven, waaruit de schuldeisers voldaan hadden kunnen worden. Dit vermogensbestanddeel is onttrokken aan het zicht van de curator. Gelet hierop en op de slechte financiële omstandigheden waarin bedrijf 3 zich al voor de overname door verdachte in december 2010 bevond, die -zoals uit de bewijsmiddelen volgt- ook voor verdachte kenbaar zijn geweest, is de rechtbank van oordeel dat door aldus te handelen verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan en dat verdachte deze kans ook bewust heeft aanvaard.

Administratieverplichting (feit 6 onder primair)

De rechtbank is van oordeel dat op grond van artikel 3:15i van het Burgerlijk Wetboek verdachte als indirect formeel en als feitelijk bestuurder van bedrijf 3 verplicht was een administratie te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat verdachte omtrent de door hem binnen de vennootschap verrichte handelingen een (deugdelijke) administratie heeft gevoerd en/of bewaard. Getuige 1 heeft verklaard de administratie aan verdachte te hebben overgedragen en heeft daarvan een schriftelijke bevestiging van verdachte overgelegd. Getuige 2 heeft verklaard verdachte de administratie te hebben zien doornemen. Aan de vordering van de curator tot het te voorschijn brengen van de administratie is door verdachte niet voldaan.

Verdachte heeft, in een schriftelijke reactie op een door de curator opgestelde vragenlijst (pagina 860 bijlage aangifte), aangegeven nooit over de administratie van bedrijf 3 te hebben beschikt. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte ongeloofwaardig, gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen.

De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring eveneens is vereist dat -nu het (met name) gaat om handelingen voorafgaand aan faillissement- verdachte op het moment van diens gedragingen het opzet moet hebben gehad op de benadeling van de schuldeisers. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad gaat het hier om minstens voorwaardelijk opzet. De aanmerkelijke kans moet hebben bestaan dat een faillietverklaring met een tekort daarin zou volgen en dat de schuldeisers in het latere faillissement door de gedragingen zouden worden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden. Door het niet voeren, bewaren en te voorschijn brengen van administratie van de vennootschap wordt een doeltreffende afwikkeling van faillissement gefrustreerd. De boekhouding is aan het zicht van de curator onttrokken. De rechtbank is van oordeel dat ten tijde van het handelen van verdachte een faillissement reeds in zicht was, gelet op de slechte financiële omstandigheden waarin bedrijf 3 zich al voor de overname door verdachte in december 2010 bevond, die -zoals uit de bewijsmiddelen volgt- ook voor verdachte kenbaar zijn geweest. De rechtbank is dan ook van oordeel dat door aldus te handelen verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan en dat verdachte deze kans ook bewust heeft aanvaard.

Feitelijk leidinggeven aan onttrekken goed aan pandrecht (feit 5)

De rechtbank stelt vast dat in het kader van een leaseovereenkomst een pandrecht is gevestigd op de buigmachine, welke eigendom was van bedrijf 3 Deze leaseovereenkomst is gesloten door getuige 1, de toenmalige vertegenwoordiger van de vennootschap. Blijkens de aangifte gedaan namens bedrijf 5 heeft de vennootschap slechts een klein deel van de betalingen voldaan. De machine is vervolgens niet in het bedrijfspand aangetroffen. bedrijf 5 is hierdoor benadeeld voor het openstaande vorderingsbedrag. getuige 1 heeft verklaard dat verdachte, voorafgaande aan de overname van bedrijf 3, een boekenonderzoek heeft gedaan. verdachte heeft (onder andere) deze vennootschap op 1 december 2010 overgenomen. Getuige 2 verklaart te hebben gezien dat verdachte vlak na de overname de administratie aan het doornemen was. Door getuige 1 is bij aankoop van de buigmachine nog geïnformeerd of deze vrij was van financiering. Dit is door verdachte bevestigd. De buigmachine is vervolgens door verdachte namens bedrijf 3 verkocht aan getuige 1.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bedrijf 3 door de betreffende buigmachine op de wijze als in de bewijsmiddelen omschreven te verkopen op z’n minst genomen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de betreffende machine aan het hierop gevestigde pandrecht zou worden onttrokken. Tevens is de rechtbank van oordeel dat verdachte aan deze verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven. Verdachte heeft als (indirect) bestuurder van deze vennootschap maatregelen ter voorkoming van die gedraging -hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden- achterwege gelaten en zo bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zou voordoen, zodat hij die gedraging opzettelijk heeft bevorderd. De mogelijkheid van het uitoefenen van het ten behoeve van deze machine gevestigde pandrecht is hierdoor belet en de machine is aldus onttrokken aan het pandrecht als bedoeld in artikel 348 van het Wetboek van Strafrecht.

Bewezenverklaring

Feit 4 primair: als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon een goed aan de boedel onttrekken.

Feit 5: feitelijk leiding geven aan opzettelijk zijn eigen goed onttrekken aan een pandrecht van een ander.

Feit 6 primair: als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet voldoen aan de op hem rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en het bewaren en tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijke met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF